Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-03-03
ECLI:NL:RBNHO:2026:2912
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Sectie Straf Locatie Haarlem Meervoudige strafkamer Uitlevering Parketnummer: 15-301794-25 Zittingsdatum: 17 februari 2026 Uitspraakdatum: 3 maart 2026 Uitspraak van de rechtbank Noord-Holland op de vordering van de officier van justitie, strekkende tot het in behandeling nemen van het verzoek van de Oekraïense autoriteiten tot uitlevering van: [opgeëiste persoon] geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] (Oekraïne) zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in het Justitieel Complex Schiphol, hierna te noemen: de opgeëiste persoon. 1 De relevante schriftelijke stukken 1.1. Het verzoek tot uitlevering In het dossier bevindt zich een gewaarmerkt verzoek tot uitlevering van de hierboven aangeduide opgeëiste persoon, afkomstig van de Oekraïense autoriteiten van 21 november 2025, met kenmerk 19/1/2-23301-25, en gericht aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid van Nederland (het uitleveringsverzoek). Dit verzoek is in de Oekraïense taal opgesteld en in het Engels vertaald. Uitlevering wordt gevraagd voor strafvervolging van de opgeëiste persoon voor de strafbare feiten die zijn opgenomen in de bij het uitleveringsverzoek gevoegde “Reporting on suspicion of committing criminal offenses” van 21 januari 2020, te weten het meermalen plegen van diefstallen met geweld en deelname aan een criminele organisatie. 1.2 De overige stukken van het dossier Door de verzoekende staat zijn, naast het uitleveringsverzoek, de volgende stukken overlegd: een in de Oekraïense taal gestelde (en in het Engels vertaalde) bijlage over de naleving door Oekraïne van internationale en Europeesrechtelijke verdragsverplichtingen met betrekking tot detentieomstandigheden in tijden van oorlog, namelijk een “Annex to the request on Ukraine’s execution of its obligations under international treaties and the practice of ECHR in assessing measures taken by the Government of Ukraine to ensure safe conditions for convicted persons taken into custody during material law”; een in de Oekraïense taal gestelde (en in het Engels vertaalde) bijlage met een “Copy of the decision of the Shevchenkivskyi District court of Kyiv cityon choosing a preventative measure in the form of detention in custody for [opgeëiste persoon]” van 16 september 2022; een in de Oekraïense taal gestelde (en in het Engels vertaalde) bijlage met een “Copy of the decision of the Schevchenkivskyi District Court of Kyiv Cityon correcting a clerical error” van 2 februari 2024; een in de Oekraïense taal gestelde (en in het Engels vertaalde) bijlage met een overzicht van de Oekraïense toepasselijke rechtsvoorschriften, namelijk een “extract form the Criminal Code of Ukraine”;een in de Oekraïense taal gestelde (en in het Engels vertaalde) bijlage over verjaringstermijnen, namelijk een “Certificate on the statute of limitations for criminal prosecution of [opgeëiste persoon]”; een in de Oekraïense taal gestelde (en in het Engels vertaalde) bijlage met een “Reporting on suspicion of committing criminal offenses” van 21 januari 2020; een in de Oekraïense taal gestelde (en in het Engels vertaalde) bijlage met een “Resolution on the announcement of a wanted suspect” van 16 april 2020; een in de Oekraïense taal gestelde (en in het Engels vertaalde) bijlage met een “Certificate on evidence of the guilt of the suspect [opgeëiste persoon] in committing criminal offences provided for in Part 4 of Art. 187, Art. 257 of the Criminal Code of Ukraine”; in de Oekraïense taal gestelde (en in het Engels vertaalde) bijlagen met gegevens ter vaststelling van de identiteit van de opgeëiste persoon, namelijk een “Conclusion on verification of [opgeëiste persoon]’s belonging to Ukrainian nationality”, “Information about the person” en een “Certifacte about the person”. een in de Oekraïense taal gestelde (en in het Engels vertaalde) bijlage met een “Copy of the ruling on separating the materials of the pre-trail investigation” van 15 april 2020. Verder maken de navolgende Bovendien is vanwege de oorlog ook de gedwongen terugkeer van vluchtelingen naar Oekraïne niet mogelijk en verricht de Dienst Terugkeer en Vertrek van het Ministerie van Asiel en Migratie geen actieve vertrekhandelingen ten aanzien van deze vluchtelingen. De raadsvrouw heeft geconcludeerd dat er sprake is van een dreigende flagrante schending van de artikelen, 2, 3 en 6 EVRM zonder dat daarvoor een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM openstaat. Gelet op het voorgaande verzoekt de raadsvrouw de uitlevering van de opgeëiste persoon naar Oekraïne ontoelaatbaar te verklaren. 3 De beoordeling van het verzoek tot uitlevering 3.1 Toepasselijke wetten en verdragen Op het uitleveringsverzoek is de Uitleveringswet en het Europees Verdrag betreffende uitlevering (Trb. 1965, 9) van toepassing (hierna: het Verdrag). 3.2 De genoegzaamheid van de stukken De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de stukken niet genoegzaam zijn en dat de uitlevering om die reden ontoelaatbaar moet worden verklaard, subsidiair, dat de officier van justitie moet worden bevolen om de Oekraïense autoriteiten te verzoeken de stukken aan te vullen. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat in de stukken de noodzakelijke vermelding van tijd en plaats van het eerste feit ontbreekt. Daarnaast ontbreken rechtsvoorschriften waaruit de strafbaarheid van deelneming aan diefstal met geweld kan worden afgeleid, terwijl uit de bewoordingen van het uitleveringsverzoek volgt dat van een dergelijke deelneming evenwel sprake is. De rechtbank verwerpt dit verweer. Het eerste feit betreft de verdenking van deelname aan een criminele organisatie in de periode “early 2019”. Dit feit zou hebben plaatsgevonden in de regio van Kiev en zou voortvloeien uit de andere vijf feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht. In samenhang met de andere feiten, waarbij in de stukken expliciet namen, tijden en plaatsen zijn genoemd, acht de rechtbank de tijd- en plaatsbepaling van het eerste feit voldoende nauwkeurig. De rechtbank is voorts van oordeel dat de tekst van de bijgevoegde rechtsvoorschriften een voldoende verklaring omtrent de inhoud van het recht is voor de beoordeling van het uitleveringsverzoek. Het subsidiaire verzoek van de raadsvrouw om de Oekraïense autoriteiten te verzoeken de stukken op dit punt aan te vullen, wijst de rechtbank dan ook af. De rechtbank concludeert dat de overgelegde stukken voldoen aan de eisen van artikel 18 van de UW en artikel 12, tweede lid, van het Verdrag. De stukken zijn dan ook genoegzaam. 3.3 Dubbele strafbaarheid Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, UW en artikel 2, eerste lid, van het Verdrag kan uitlevering ten behoeve van strafvervolging alleen worden toegestaan als zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar dat van Nederland, een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd voor het strafbare feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht. De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht zijn volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Oekraïens recht strafbaar. Ter zake van die feiten kan ingevolge die bepalingen telkens een vrijheidsstraf worden opgelegd met een maximum van ten minste een jaar of met een zwaardere straf. Ook naar Nederlands recht zijn de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht strafbaar, te weten als: deelneming aan een criminele organisatie, strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), en diefstal met geweld en braak door twee of meer verenigde personen, strafbaar gesteld bij artikel 312 Sr. Voor elk van deze feiten kan naar Nederlands recht een vrijheidsstraf van een jaar of van langere duur worden opgelegd. Dit betekent dat is voldaan aan de in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, UW en artikel 2, eerste lid, van het Verdrag gestelde vereisten voor toelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering. 3.4 Ne bis in idem en verjaring Uitlevering van de opgeëiste persoon wordt ingevolge artikel 9 UW niet toegestaan voor