Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-03-12
ECLI:NL:RBNHO:2026:2735
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 24/4535 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] en [eiseres] , uit [plaats 1] , eisers (gemachtigde: E. Drenth), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer (gemachtigde: mr. V. van Toledo). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] , uit [plaats 2] , vergunninghouder. Procesverloop Vergunninghouder heeft op 11 mei 2022 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een nieuwbouwwoning achter de woning aan de [adres] in [plaats 1] en voor het in verband met de bouw afwijken van een bestemmingsplan. Het college heeft op 19 juni 2024 de omgevingsvergunning verleend. Eisers hebben beroep ingesteld tegen dit besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, mr. K.A. Luehof als waarnemer van de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college, vergunninghouder en haar zoon [naam] . Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling een tussenuitspraak gedaan. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, een aanvullende onderbouwing te geven van het standpunt dat de nieuwbouwwoning geen onevenredige nadelige gevolgen zal hebben voor de bezonning op het perceel van eisers. Het college heeft bij brief van 1 september 2025 in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend. Eisers hebben op 9 oktober 2025 een schriftelijke zienswijze ingediend. Op verzoek van de rechtbank heeft het college op 2 december 2025 schriftelijk gereageerd op de zienswijze van eisers. Tot slot hebben eisers bij brief van 18 december 2025 op verzoek van de rechtbank gereageerd op de reactie van het college van 2 december 2025. De rechtbank heeft het onderzoek op 2 februari 2026 gesloten en bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In dit geval is de aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend op 11 mei 2022. Dat betekent dat in dit geval niet de Omgevingswet maar de Wabo zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. 2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. 3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de beroepsgronden van eisers voor zover die zien op de wijze van terinzagelegging van het ontwerpbesluit en op de door hen gestelde privaatrechtelijke belemmering bij het bouwplan, niet kunnen leiden tot een gegrond beroep. Voor de motivering hiervan verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. Ten aanzien van de door eisers gestelde nadelige gevolgen van de nieuwbouwwoning voor de bezonning op hun perceel is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat hiervan geen sprake is. De rechtbank heeft daarom aanleiding gezien om het college door middel van een bestuurlijke lus op grond van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid te geven om dit gebrek te herstellen. 4. Bij de brief van 1 september 2025 heeft het college een bezonningstudie overgelegd waaruit blijkt dat beide achtergevels van het huis van ei