Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-03-18
ECLI:NL:RBNHO:2026:2725
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,244 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBNHO:2026:2725 text/xml public 2026-04-07T08:56:43 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-03-18 11097423 \ CV EXPL 24-2939 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2725 text/html public 2026-04-07T08:42:28 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:2725 Rechtbank Noord-Holland , 18-03-2026 / 11097423 \ CV EXPL 24-2939 Eindvonnis ambtshalve toetsing 'treintje rijden'. Kantonrechter komt terug op voorhands uitgesproken oordeel dat bepaalde schadevergoedingsbedingen oneerlijk zijn. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 11097423 \ CV EXPL 24-2939 Uitspraakdatum: 18 maart 2026 Eindvonnis van de kantonrechter in de zaak van: Westergracht Vastgoed B.V. te Haarlem de eisende partij gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel tegen [gedaagde] zonder bekende woon- of verblijfplaats de gedaagde partij niet verschenen De procedure 1.1. Bij tussenvonnis van 16 april 2025 is de eisende partij in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het vermoeden van de kantonrechter dat de artikelen 5.6, 5.7., 5.8, 8.1, 8.2 en 8.3 op zichzelf staand en in combinatie met elkaar oneerlijk zijn. De eisende partij heeft deze akte op 14 mei 2025 genomen. 2 De verdere beoordeling Schadevergoeding 2.1. De eisende partij heeft in haar akte uitgebreid toegelicht dat de mogelijkheid van cumulatie van bedingen uit de algemene voorwaarden er niet toe kan leiden dat zij de consument met een schadevergoeding zou kunnen confronteren die de daadwerkelijk geleden schade overstijgt. Ook heeft zij toegelicht dat de verschillende modaliteiten er toe dienen voor de consument inzichtelijk te maken in welke gevallen de eisende partij bepaalde kosten op de consument kan verhalen. Dit betekent niet dat de in genoemde artikelen vergoedingen cumulatief kunnen worden gevorderd, aldus de eisende partij. 2.2. De kantonrechter is van oordeel dat de eisende partij met de toelichting op haar algemene voorwaarden voldoende duidelijk heeft gemaakt dat het voornemen in het tussenvonnis om bedingen te vernietigen vanwege de mogelijkheid van cumulatie van schadevergoedingen niet terecht is. Incassobedingen 2.3. De kantonrechter blijft bij het oordeel dat de artikelen 5.8, 8.1 en 8.2. op zichzelf staand, en in combinatie met elkaar oneerlijk zijn voor zover deze betrekking hebben op buitengerechtelijke incassokosten. Op grond van elk van deze artikelen kan een onevenredig hoog en ongelimiteerd bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten aan de consument in rekening worden gebracht. Elk van de genoemde artikelen wijkt ten nadele van de consument af van het bepaalde in artikel 6:96 BW in samenhang met het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Bovendien volgt uit deze artikelen dat de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten meteen verschuldigd zijn, terwijl de wet voorschrift dat daarvoor eerst een zogenoemde 14-dagen brief moet worden verstuurd op het moment dat de consument in verzuim is. Dit betekent dat deze bedingen worden vernietigd voor zover het gaat om de buitengerechtelijke incassokosten. Dat de eisende partij de buitengerechtelijke incassokosten feitelijk overeenkomstig de wet heeft gevorderd is niet van belang. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan de bedongen afspraken houdt of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is namelijk voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van algemene voorwaarden niet relevant. Het beding moet immers worden beoordeeld naar het moment waarop de overeenkomst is aangegaan en beslissend is daarom niet of en hoe de handelaar het beding heeft toegepast, maar hoe het zou kunnen worden toegepast. Conclusie 2.4. De vordering zal worden toegewezen met uitzondering van de buitengerechtelijke incassokosten. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 28 mei 2023 omdat uit de stukken blijkt dat de gedaagde partij vanaf dat moment met het onbetaald laten van de vordering in verzuim was. 2.5. De gedaagde partij krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. 3 De beslissing De kantonrechter: 3.1. veroordeelt de gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de eisende partij te betalen het bedrag van € 411,95, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2023 tot aan de dag van de volledige betaling. 3.2. veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op: € 127,48 wegens dagvaardingskosten, € 128,00 wegens griffierecht en € 87,00 wegens salaris gemachtigde; 3.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter