Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-03-10
ECLI:NL:RBNHO:2026:2611
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/1873 T tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, en de raad van de gemeente Velsen (gemachtigde: mr. R.A.J. de Jong). Inleiding 1. Op 29 februari 2024 heeft de gemeenteraad een statement gepubliceerd op zijn website naar aanleiding van berichten die individuele raadsleden en de raad hebben ontvangen in reactie op een onderzoek naar mogelijkheden om een asielzoekerscentrum te vestigen in Santpoort-Zuid . 1.1. In dit statement wordt aangegeven dat sommige van deze reacties worden ervaren als intimiderend en bedreigend en worden de inwoners van Santpoort-Zuid en Velsen opgeroepen om het maatschappelijke debat op een respectvolle manier voort te zetten. 1.2. Naar aanleiding van dit statement heeft eiser op 2 juli 2024 een verzoek ingediend bij de raad op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser heeft verzocht om openbaarmaking van alle documenten (inclusief e-mails, brieven, WhatsApps, chatberichten, kattebelletjes, enzovoorts) die de in het statement bedoelde insinuaties, intimidaties en bedreigingen bevatten of die daartoe de aanleiding waren. Ook heeft eiser verzocht om alle documenten die tot de totstandkoming van het statement van de gemeenteraad hebben geleid. Voor zover deze informatie al openbaar is, verzoekt eiser de raad om aan te geven waar hij deze stukken kan vinden alsook wat het nummer is op de lijst van ingekomen raadsstukken. Tot slot heeft eiser de raad verzocht om de openbaarmaking van alle andere documenten rondom dit statement die te maken hebben met de totstandkoming, de publicatie ervan en het optreden namens de raad bij Nieuwsuur over dit onderwerp. 1.3. De raad heeft het Woo-verzoek op 1 oktober 2024 deels afgewezen. De raad stelt zich in dit besluit op het standpunt dat een deel van de verzochte informatie al openbaar is en een ander deel niet onder de reikwijdte van de Woo valt. De raad heeft wel een WhatsApp-gesprek tussen de griffier en een journalist van Nieuwsuur openbaar gemaakt met uitzondering van de naam van de journalist. 1.4. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 1.5. Eiser heeft op 1 april 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar. 1.6. In het bestreden besluit van 17 april 2025 op het bezwaar van eiser heeft de raad het primaire besluit gehandhaafd en daarbij een aanvullende motivering gegeven. 1.7. Eiser heeft schriftelijk gemotiveerd aangegeven het niet eens te zijn met het bestreden besluit. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) houdt het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ook een beroep tegen het bestreden besluit in. 1.8. De raad heeft een verweerschrift ingediend. 1.9. Eiser heeft nadere stukken ingediend. 1.10. De rechtbank heeft de zaak op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. De raad heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder was [naam] , [functie] , aanwezig. Beoordeling door de rechtbank Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit 2. Omdat de raad alsnog een besluit op het bezwaar van eiser heeft genomen, heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van dat besluit. Dat beroep is daarom niet-ontvankelijk. Het bestreden besluit 3. De raad stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het Woo-verzoek niet deels op grond van artikel 5.4a van de Woo had moeten worden afgewezen maar dat het verzoek in zijn geheel niet onder de reikwijdte van de Woo valt. De reikwijdte van de Woo beperkt zich volgens de raad tot informatie die verband houdt met de publieke taak van het bestuursorgaan. De raad wijst erop dat het statement van 29 februari 2024 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het statement is weliswaar ondertekend door alle raadsleden maar het betreft geen statement van de raad als bestuursorgaan. Daarvoor is immers o Hieruit blijkt volgens eiser dat de publicatie van het statement wel moet worden aangemerkt als een handeling van de gemeenteraad als bestuursorgaan. 5.2. Deze beroepsgrond slaagt. Uit de toelichting bij artikel 2.1 van de Woo volgt dat de zinsnede “naar zijn aard verband houdt met de publieke taak” breed moet worden uitgelegd. Het gaat hierbij niet alleen om de documenten die direct gerelateerd zijn aan het uitoefenen van publiek gezag of andere bestuurstaken, maar ook om documenten die gerelateerd zijn aan aangelegenheden die voor de uitoefening van die publieke taak randvoorwaardelijk zijn. Naar het oordeel van de rechtbank raakt een statement over de manier waarop raadsleden bejegend wensen te worden op zich al aan de publieke taak van de gemeenteraad. Daar komt bij dat het onderzoek naar mogelijke locaties voor een asielzoekerscentrum in de gemeente dat in opdracht van de raad wordt uitgevoerd, ook een uitoefening is van zijn publieke taak. Statements op de website van de gemeente die betrekking hebben op dit onderzoek en naar aanleiding daarvan zijn gepubliceerd, houden daarom ook verband met de publieke taak van de raad. Het standpunt van de raad dat het statement is gemaakt door de individuele raadsleden en niet overeenkomstig de regels van de Gemeentewet door de raad als bestuursorgaan, doet hier niet aan af. Niet de vorm maar de inhoud van de gevraagde informatie is immers bepalend voor de vraag of deze verband houdt met de publieke taak van een bestuursorgaan. Het Woo-verzoek van eiser ziet dus op informatie die naar haar aard verband houdt met de publieke taak van de raad. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de verzochte informatie berust onder de raad en, zo ja, of deze informatie op grond van de Woo openbaar gemaakt dient te worden. Berust de verzochte informatie bij de raad? 6. Eiser stelt zich op het standpunt dat, voor zover de verzochte informatie berust bij de griffie of de individuele raadsleden, deze optreden namens de gemeenteraad en dat deze informatie om die reden ook valt onder de reikwijdte van de Woo. 6.1. De rechtbank wijst er allereerst op dat berichten die aan de raad als geheel zijn gericht, al openbaar gemaakt zijn, zodat daarover geen geschil bestaat. Hetzelfde geldt voor het WhatsApp-gesprek tussen de griffier en een journalist van Nieuwsuur. Ter zitting heeft de gemeenteraad toegelicht dat de berichten die de individuele raadsleden ontvangen niet ook bij de griffie belanden. De berichten aan de individuele raadsleden berusten dus niet bij de gemeenteraad en kan hij alleen al om die reden niet openbaar maken. De rechtbank wijst er daarbij op dat een individueel raadslid geen bestuursorgaan is. Een raadslid is immers niet individueel met een taak of met openbaar gezag belast, maar fungeert als onderdeel van het bestuursorgaan gemeenteraad, waaraan collectief taken en bevoegdheden zijn opgedragen. Gelet op zijn onafhankelijke positie, zoals gegarandeerd door artikel 129, zesde lid, van de Grondwet en artikel 27 van de Gemeentewet, valt een raadslid ook niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad. Individuele raadsleden zijn daarom niet onderworpen aan (verplichtingen uit) de Woo. Dit betekent dat de informatie waarover zij individueel beschikken ook niet onder de reikwijdte van de Woo valt. 6.2. Dat geldt echter niet voor de stukken die dienden ter voorbereiding van de publicatie van het statement die onder de griffie van de gemeenteraad berusten. Omdat de griffie onder de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad werkt, vallen deze stukken wel onder de reikwijdte van de Woo. De raad heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de openbaarmaking van deze stukken geweigerd moet worden omdat het informatie betreft ten behoeve van de ondersteuning van individuele raadsleden in de zin van het eerste lid van artikel 5.4a van de Woo. De rechtbank volgt deze redenering niet. Met toepassing van artikel 8:29 van de Awb heeft de rechtbank kennisgenomen van deze stukken en vastges