Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-03-11
ECLI:NL:RBNHO:2026:2530
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
5,962 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:2530 text/xml public 2026-03-23T09:41:46 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-03-11 11768574 CV EXPL 25-4121 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2530 text/html public 2026-03-23T09:41:34 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:2530 Rechtbank Noord-Holland , 11-03-2026 / 11768574 CV EXPL 25-4121 Huurrecht. Ondanks ernstig incident met een nepwapen en brandschade aan een auto wordt ontbinding en ontruiming afgewezen. Conflict was eenmalig, niet met omwonenden en het handelen kan huurder in verminderde mate worden toegerekend. Belang huurder bij behoud woning weegt daarom zwaarder. Huurachterstand wordt toegewezen. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: 11768574 CV EXPL 25-4121 Vonnis van 11 maart 2026 in de zaak van STICHTING YMERE , te Amsterdam, eisende partij, hierna te noemen: Ymere, gemachtigde: mr. M. Stokvis tegen [gedaagde] , te [plaats], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], gemachtigde: mr. B. Blanckenburg. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - het bericht van 2 december 2025 met productie(s) van Ymere - de akte indienen producties van [gedaagde] - de mondelinge behandeling van 8 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. Het uitspreken daarvan is op verzoek van partijen nog enige tijd aangehouden. 2 De feiten 2.1. [gedaagde], geboren in 1962, huurt sinds 15 januari 2010 van (de rechtsvoorganger van) Ymere de woning aan het adres [adres 1] te [plaats] (verder: het gehuurde). Het gaat hier om een tussenwoning. 2.2. Ymere verhuurt in de straat enkele andere woningen. Er worden ook woningen verhuurd door Pré Wonen en een deel van de woningen in de straat is eigendom van de bewoners ervan. 2.3. In artikel 9 van de op de huurovereenkomst van toepassing verklaarde algemene voorwaarden staat dat de huurder de woning als goed huurder zal gebruiken, het hem verboden is om in of vanuit het gehuurde strafbare feiten te plegen die afbreuk doen of kunnen doen aan het gehuurde of de woonomgeving en dat de huurder aan omwonenden of andere derden geen overlast of hinder toebrengt. 2.4. Op 8 maart 2025 is [gedaagde], gekleed in camouflagekleding en met een kogelwerend vest aan, zwaaiend met een niet van echt te onderscheiden replica van een automatisch wapen vanuit het gehuurde de straat opgerend en heeft hij een daar geparkeerde auto in brand gestoken. Deze auto, eigendom van iemand met wie [gedaagde] ruzie had en die niet in de straat woonde, is geheel uitgebrand. Door die brand zijn ook in de buurt geparkeerde auto’s, een scootmobiel en de behuizing daarvan, beschadigd geraakt. 2.5. De politie is vanwege dit incident ter plaatse gekomen en heeft [gedaagde] gearresteerd, waarbij hij door een politiehond in zijn been is gebeten. [gedaagde] is in verzekerde bewaring gesteld. 2.6. De politie heeft ook het gehuurde onderzocht en daarin vier replica’s van vuurwapens en een replica van een handgranaat aangetroffen. Deze replica’s zijn volgens de politie verboden op grond van de Wet Wapens en Munitie en zijn in beslag genomen. 2.7. Na voormeld incident hebben enkele bewoners bij Ymere een klacht ingediend over [gedaagde], waarbij één bewoner heeft aangegeven dat [gedaagde] al langer zorgde voor overlast en dat haar kinderen bang voor hem waren. 2.8. Op 13 maart 2025 heeft op instigatie van de gemeente een bewonersbijeenkomst plaatsgevonden waarop ongeveer 25 bewoners aanwezig waren. Zij gaven aan angstig, bezorgd en boos te zijn. Volgens sommige bewoners zouden er al jaren problemen zijn met [gedaagde] in de straat. 2.9. Op 19 maart 2025 heeft de burgemeester de woning gesloten op grond van artikel 174a lid 1 onderdeel b en c van de Gemeentewet. De burgemeester heeft aangegeven dat door voormeld incident de openbare orde rondom het gehuurde dermate ernstig verstoord was dat de veiligheid van omwonenden ernstig is aangetast zodat spoedeisend optreden noodzakelijk werd geacht. 2.10. Bij brief van 4 april 2025 heeft de burgemeester zijn besluit tot sluiting van de woning nader toegelicht en daarbij heeft hij de belangen van [gedaagde] afgewogen tegen de het belang van de bescherming van de openbare orde en de veiligheid van omwonenden. 2.11. Bij e-mail van 25 april 2025 heeft de gemachtigde van Ymere de huurovereenkomst namens haar buitengerechtelijk ontbonden en hem gesommeerd het gehuurde uiterlijk 21 mei 2025 leeg en ontruimd op te leveren. Om te voorkomen dat [gedaagde] dakloos zou worden, heeft Ymere voorgesteld dat als [gedaagde] zich niet zou verzetten tegen de ontbinding van de huurovereenkomst, zij hem één keer een geschikte alternatieve woning te huur zou aanbieden. [gedaagde] heeft in de penitentiaire inrichting voormeld voorstel besproken met zijn gemachtigde maar niet geaccepteerd. 2.12. Bij vonnis in kort geding van 25 augustus 2025 is een vordering tot ontruiming van het gehuurde afgewezen omdat het volgens de voorzieningenrechter te ver ging om op dat moment in verband met één incident al een maatregel met een waarschijnlijk definitief karakter als ontruiming van de woning te treffen, terwijl niet uitgesloten kon worden dat paranoïde-psychotische belevingen daarbij een rol hebben gespeeld. 2.13. [gedaagde] is in de penitentiaire inrichting op verzoek van het openbaar ministerie onderzocht door een psychiater en door een psycholoog. In een rapport van 6 oktober 2025 heeft de psychiater geconcludeerd dat bij [gedaagde] sprake is van ADHD met een disharmonisch intelligentieprofiel. Hierbij staan verlies van overzicht en impulsief handelen centraal. Met behulp van woonbegeleiding kon [gedaagde] redelijk functioneren. Toen de intensieve begeleiding stopte, raakte [gedaagde] toenemend het overzicht kwijt, nam hij impulsieve besluiten, raakte hij emotioneel ontregeld en ervoer hij een gevoel van dreiging. Dit leidde tot de hevige angsttoestand rondom het incident van 8 maart 2025. De psychiater schat het acute risico op gewelddadige recidive laag in, maar dit risico zal oplopen tot matig bij onveranderde omstandigheden. Intensieve woonbegeleiding is noodzakelijk en dat kan vanuit een zelfstandige woning. Betrokkenheid van het FACT-team is ook wenselijk. 2.14. De psycholoog komt in een rapport van 6 oktober 2025 tot min of meer dezelfde conclusies als de psychiater met dien verstande dat het risico op herhaling van gewelddadig gedrag op matig wordt ingeschat. Ook volgens de psycholoog is [gedaagde] gebaat bij intensieve maatschappelijke ondersteuning en begeleiding van het FACT-team. Bij het kwijt raken van het gehuurde wordt geadviseerd om [gedaagde] in een beschermde woonvorm te plaatsen. 2.15. Op 7 november 2025 is de voorlopige hechtenis van [gedaagde] geschorst onder voorwaarden. Tot die voorwaarden behoort dat [gedaagde] geen strafbare feiten pleegt, zich zal melden bij de reclassering, zich zal laten behandelen door het FACT-team van de forensische poli van GGZ InGeest en zal meewerken aan ambulante woonbegeleiding. 2.16. Sinds de schorsing woont [gedaagde] weer in het gehuurde. 2.17. Op 12 november 2025 heeft iemand een lege fles tegen de gevel van het gehuurde (en die van nummer [nummer]) aangegooid. [gedaagde] heeft de glasscherven de volgende dag opgeruimd. 2.18. Bij brief van 19 november 2025 heeft de gemeente aan de gemachtigde van Ymere kenbaar gemaakt dat zij de bezorgdheid van de bewoners over terugkeer van [gedaagde] in het gehuurde deelt en dat zij de poging om de huurovereenkomst met [gedaagde] te ontbinden, ondersteunt. De gemeente heeft ook aangegeven dat dat zij samenwerkt met ketenpartners om er voor te zorgen dat [gedaagde] met de juiste begeleiding in een andere omgeving, vrij van de spanningen die voortvloeien uit zijn relatie met de buurt, zijn herstel- en behandeltraject kan voortzetten. 2.19.
Volledig
Bij e-mail van 26 november 2025 heeft de reclassering bevestigd dat [gedaagde] zich houdt aan zijn meldplicht, dat de ambulante begeleiding is aangevangen, dat hij is aangemeld bij het FACT-team dat naar verwachting in januari of februari 2026 kan starten met de behandeling van [gedaagde] en dat [gedaagde] zich heeft aangemeld voor woningruil. 3 Het geschil 3.1. Ymere vordert – samengevat – primair een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk is ontbonden en subsidiair ontbinding hiervan. Primair en subsidiair vordert Ymere veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming van het gehuurde, tot betaling van een bedrag van € 1.175,80 aan huurachterstand, een gebruiksvergoeding van € 612,28 voor iedere maand dat [gedaagde] het gehuurde niet heeft ontruimd en betaling van de proceskosten. 3.2. Ymere legt aan haar vordering ten grondslag dat zij de huurovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden op grond van de sluiting van het gehuurde door de burgemeester, waardoor [gedaagde] thans zonder recht of titel van het gehuurde gebruik maakt en hij dat moet ontruimen. Subsidiair voert Ymere aan dat [gedaagde] door het incident van 8 maart 2025 zodanig ernstig tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst dat ontbinding daarvan, mede in het licht van alle overige omstandigheden, gerechtvaardigd is. 3.3. [gedaagde] betwist de vorderingen. Hij voert aan dat Ymere in redelijkheid geen gebruik kan maken van haar bevoegdheid de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden, althans dat de tekortkoming in het licht van alle overige omstandigheden en gelet op alle gevolgen voor [gedaagde], de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Sluiting door de burgemeester 4.1. De primaire grondslag van de vordering is de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst in de zin van artikel 7:231 lid 2 BW. In dat artikel is onder meer bepaald dat de verhuurder de huurovereenkomst op de voet van artikel 6:267 BW buitengerechtelijk kan ontbinden op de grond dat door gedragingen in het gehuurde de openbare orde is verstoord en het gehuurde deswege op grond van artikel 174a Gemeentewet is gesloten. Voor een dergelijke buitengerechtelijke ontbinding is niet vereist dat de huurder een tekortkoming kan worden verweten. 4.2. Vast staat dat het gehuurde door de burgemeester voor de duur van vijf maanden is gesloten. Die sluiting is gegrond op artikel 174a Gemeentewet. Daarin staat dat de burgemeester de woning onder meer mag sluiten als door ernstig geweld in of direct nabij de woning of door het aldaar aantreffen van verboden wapens de openbare orde in of onmiddellijk rondom de woning ernstig wordt verstoord. Uit het besluit van de burgemeester blijkt dat hiervan sprake is geweest. Het voorgaande betekent dat Ymere in beginsel op goede gronden tot buitengerechtelijke ontbinding van de met [gedaagde] gesloten huurovereenkomst is overgegaan. Toetsingskader 4.3. Het verweer van [gedaagde] richt zich er op dat de buitengerechtelijke ontbinding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is gelet op de verdere omstandigheden van het geval. Artikel 7:231 lid 2 BW verplicht de verhuurder immers niet om over te gaan tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst: de verhuurder heeft de keuze om van deze bevoegdheid gebruik te maken. In het geval de verhuurder daarvoor kiest, moet wel worden beoordeeld of de verhuurder in de gegeven omstandigheden van zijn ontbindingsbevoegdheid gebruik mocht maken. Dit is de proportionaliteits- en evenredigheidstoets in het kader van het door artikel 8 EVRM beschermde woonrecht van [gedaagde]. Omstandigheden die daarbij een rol spelen zijn: de kans dat het besluit tot sluiting wordt herroepen of vernietigd, de duur van de sluiting, de ernst van de overtreding die ten grondslag ligt aan de sluiting, de mate van overlast voor omwonenden, het woonbelang van de huurder en van omwonenden, de huurgeschiedenis van huurder en de overige omstandigheden van het geval. Juistheid besluit burgemeester is uitgangspunt 4.4. Uitgangspunt is verder dat zolang in het bestuursrechtelijke traject niet anders is beslist, de kantonrechter uitgaat van de juistheid van het besluit van de burgemeester. [gedaagde] heeft weliswaar bezwaar gemaakt tegen dat bezwaar, maar daar is nog (steeds) niet op beslist. Een procedure tot het treffen van een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter waarin de rechtmatigheid van het besluit van de burgemeester aan de orde had kunnen komen, heeft [gedaagde] niet aanhangig gemaakt. Omdat hij tijdens de hele duur van de sluiting van de woning in voorlopige hechtenis zat, had hij bij die procedure geen spoedeisend belang. Over de kans dat het besluit wordt herroepen of vernietigd, kan de kantonrechter gelet op het voorgaande niets zeggen, anders dan dat het de vraag is of sluiting van de woning noodzakelijk was zolang [gedaagde] in voorlopige hechtenis zat. Verplichting goed huurderschap 4.5. Voor wat betreft de ernst van de overtreding, geldt dat een huurder op grond van artikel 7:213 BW verplicht is om zich ten aanzien van het gebruik van het gehuurde als goed huurder te gedragen. Die verplichting heeft niet alleen betrekking op de zorg voor het gehuurde zelf maar ook zorg voor de woonomgeving. Ook kan deze verplichting betrekking hebben op gedragingen van de huurder buiten het gehuurde, mits er voldoende verband bestaat met de huurovereenkomst. Deze verplichtingen zijn ook vastgelegd in artikel 9 van de algemene voorwaarden bij de huurovereenkomst. Woonverleden [gedaagde] 4.6. In dit geval is het volgende relevant. [gedaagde] woont sinds 2010 in het gehuurde. Dat hij vóór het incident van 8 maart 2025 (ernstige) overlast heeft veroorzaakt aan omwonenden, is niet komen vast te staan. Ymere heeft geen klachten van omwonenden over [gedaagde] overgelegd die dateren van vóór 8 maart 2025. Evenmin is gesteld of gebleken dat Ymere voordien tegen [gedaagde] is opgetreden in verband met overlast of daar aanleiding voor had. Dat een enkele bewoner na het incident aan Ymere kenbaar heeft gemaakt al langer last te hebben van [gedaagde], is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Die klachten waren eerder kennelijk niet zwaarwegend genoeg om bij Ymere neer te leggen, zijn weinig concreet en wijzen niet op structurele overlast vanuit het gehuurde. Replica’s van wapens in gehuurde 4.7. Vast staat dat in het gehuurde meerdere replica’s van wapens zijn aangetroffen die door de politie in beslag zijn genomen. Als in de strafzaak komt vast te staan dat het gaat om replica’s die op grond van de Wet Wapens en Munitie verboden zijn, heeft [gedaagde] in zijn woning een strafbaar feit gepleegd, hetgeen in strijd is met artikel 9 van de algemene voorwaarden bij de huurovereenkomst. Echter, niet elke in de woning verrichte strafbare gedraging maakt dat ontbinding van de huurovereenkomst proportioneel of gerechtvaardigd is. Daarvoor is wel noodzakelijk dat omwonenden en/of de verhuurder door die strafbare gedraging in hun belangen worden geschaad. Op dit moment staat niet vast dat de replica’s verboden zijn. Wel vast staat dat deze zich door de inbeslagname niet meer in de woning bevinden. Dat [gedaagde] vóór 8 maart 2025 gebruik heeft gemaakt van die replica’s op een manier die nadelig was voor omwonenden of voor Ymere, is gesteld noch gebleken. Op 8 maart 2025 heeft hij op straat met één van die replica’s staan zwaaien, hetgeen bedreigend is of kon zijn voor omwonenden. Daarom is, als het gaat om het in het gehuurde hebben van verboden wapens, alleen van belang wat er op 8 maart 2025 is gebeurd. Ernst incident 8 maart 2025 4.8. Gelet op het voorgaande, moet worden beoordeeld of dat ene incident op 8 maart 2025 voldoende is om de vorderingen van Ymere toe te wijzen. Niet ter discussie staat dat dit incident op zich zelf zeer ernstig was: met zijn gewelddadig handelen heeft [gedaagde] grote schade aangericht en een grote kans op lichamelijke verwondingen bij anderen in het leven geroepen.
Volledig
Dat dit handelen van [gedaagde] en het daarop volgende politieoptreden grote indruk op omwonenden heeft gemaakt en bij hen gevoelens van angst en boosheid heeft veroorzaakt, is begrijpelijk en invoelbaar. Dat geldt ook voor hun wens dat [gedaagde] niet in het gehuurde blijft wonen. [gedaagde] heeft bij zijn handelen zijn verplichting om zorg voor zijn woonomgeving te hebben, ernstig geschonden. Terecht heeft Ymere aangevoerd dat zij als woningcorporatie verplicht is om bij te dragen aan de leefbaarheid in de buurt en dat zij moet ingrijpen als de leefbaarheid door één van haar huurders wordt aangetast. Andere omstandigheden 4.9. Daar staat wel tegenover dat het handelen van [gedaagde] niet gericht was op de omwonenden of één van hen en evenmin op Ymere. De auto die [gedaagde] in brand heeft gestoken, was eigendom van een persoon die elders woont en met wie [gedaagde] een conflict had (of dacht te hebben). Er is naast de uitgebrande auto weliswaar schade in de straat ontstaan en het handelen van [gedaagde] heeft tot grote commotie in de buurt geleid, maar zijn actie was niet gericht tegen de omwonenden of hun eigendommen. In die zin had het incident ook elders plaats kunnen vinden. Kans op herhaling 4.10. Verder is van belang dat onderzoek inmiddels heeft uitgewezen dat het handelen [gedaagde] in verminderde mate kan worden aangerekend gelet op bij hem geconstateerde ADHD met disharmonisch intelligentieprofiel. Hij heeft daarom intensieve begeleiding nodig die, om redenen die niet aan hem te wijten zijn, was weggevallen. Het risico dat [gedaagde] opnieuw gewelddadig wordt, wordt als beperkt ingeschat. Dat blijkt ook wel uit het gegeven dat [gedaagde] vijftien jaar in het gehuurde heeft gewoond zonder dat sprake was van overlast of een incidenten als het onderhavige. Vast staat dat de noodzakelijke begeleiding inmiddels weer is opgestart en dat [gedaagde] daar goed aan meewerkt. Het incident van 12 maart 2025 waarbij een fles tegen de gevel van het gehuurde heeft gegooid, maakt niet dat de kans op recidive hoger moet worden ingeschat. Omdat de dader hiervan onbekend is, kan hieruit niet worden afgeleid dat [gedaagde] door allerlei personen met een al dan niet criminele achtergrond wordt bedreigd. [gedaagde] voelde zich voorheen weliswaar bedreigd, maar die dreiging leek alleen uit te gaan van de eigenaar van de uitgebrande auto en diens partner, met wie [gedaagde] geen contact meer mag hebben. Belang behoud woning van [gedaagde] 4.11. Dat [gedaagde] belang heeft bij het behoud van het gehuurde, is evident. Hij woont er al vijftien jaar en de woning is voorzien van enkele aanpassingen in het kader van de WMO. Gelet op zijn inkomsten is hij aangewezen op een sociale huurwoning. Dat hij in de huidige woningmarkt aan een andere woning kan komen, is niet waarschijnlijk, mede omdat hij vanwege de onderhavige kwestie van Ymere geen positieve verhuurdersverklaring zal krijgen. De gemeente heeft weliswaar aangegeven zich het lot van [gedaagde] aan te trekken, maar heeft ter zitting ook laten weten dat zij zelf geen woningen bezit, uitsluitend met behulp van ketenpartners de mogelijkheden van herhuisvesting kan onderzoeken en dat [gedaagde] vermoedelijk terugvalt op maatschappelijke opvang. Aangenomen kan worden dat de kansen op succesvolle begeleiding van [gedaagde] in dat laatste geval sterk verminderen en al helemaal als [gedaagde] op straat komt te staan. Het recidive gevaar wordt daarmee alleen maar groter. Terecht wijst Ymere er op dat zij, ter voorkoming van dakloosheid, [gedaagde] eerder heeft voorgesteld om een andere woning te accepteren. Dat [gedaagde] dat aanbod heeft geweigerd, is een omstandigheid die weliswaar in de belangenafweging een rol speelt, maar die in deze niet doorslaggevend is. Voorstelbaar is immers dat [gedaagde] toen hij nog in de penitentiaire inrichting zat, onvoldoende zicht had op zijn belangen en op wat het zou betekenen als hij na het incident van 8 maart 2025 weer zou terugkeren in de Zwaardstraat. Conclusie 4.12. Gelet op al het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de buitengerechtelijke ontbinding niet proportioneel (in het licht van artikel 8 EVRM) is en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW. De primair door Ymere aangevoerde grondslag faalt. Ook de subsidiaire grondslag kan niet slagen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan de tekortkoming van [gedaagde] gezien haar bijzondere aard deze ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigen. De gevorderde verklaring voor recht en ontbinding van de huurovereenkomst zullen daarom worden afgewezen, evenals de gevorderde ontruiming van het gehuurde. Ten overvloede 4.13. Het voorgaande neemt overigens niet weg dat verhuizing van [gedaagde] naar een andere woning, wel geïndiceerd lijkt. Door het incident van 8 maart 2025 is het vertrouwen van omwonenden dat [gedaagde] zich als een goed huurder zal gedragen, ernstig aangetast en het is maar zeer de vraag of dat op afzienbare termijn te herstellen is. [gedaagde] lijkt dat zelf ook te hebben begrepen: hij heeft zich aangemeld voor woningruil en ter zitting aangegeven dat hij bereid was een andere woning (waar dan ook in [plaats]) te accepteren. Hij is daarvoor echter afhankelijk van de medewerking van Ymere omdat hij, zoals hiervoor al is overwogen, voor een verhuizing naar een andere sociale huurwoning een positieve verhuurdersverklaring nodig heeft. Zou Ymere alsnog bereid zijn [gedaagde] een andere passende woning aan te bieden, dan ligt het wel in de rede dat [gedaagde] die accepteert. Huurachterstand 4.14. Ten slotte heeft Ymere nog betaling van de achterstallige huur gevorderd. Ten tijde van de dagvaarding bedroeg die achterstand € 1.175,80 (huur, althans een deel daarvan, over januari, april en mei 2025). Dit bedrag moet volgens Ymere nog worden verhoogd met € 612,28 per maand voor iedere maand (of deel daarvan) dat [gedaagde] na 21 mei 2025 het gehuurde in gebruik houdt. Ter zitting heeft Ymere gesteld dat de huurachterstand inmiddels was opgelopen tot € 1.791,40Donker voert aan dat alle huurtermijnen zijn voldaan en volgens hem heeft Ymere dit op de zitting in de kort geding procedure op 11 augustus 2025 bevestigd. 4.15. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn betoog dat hij de huur steeds heeft voldaan, te onderbouwen met betalingsbewijzen. Nu hij dat heeft nagelaten en alleen maar in algemene termen stelt dat hij de huur heeft betaald, moet het ervoor worden gehouden dat de door Ymere gestelde huurachterstand correct is. Die zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de daarover gevorderde wettelijke rente. Voor de gevorderde ontbinding en ontruiming heeft deze huurachterstand geen verdere consequenties omdat die niet aan die vorderingen ten grondslag is gelegd. Ten slotte 4.16. De conclusie is dat alleen de vordering tot betaling van de huurachterstand zal worden toegewezen en dat de overige vorderingen zullen worden afgewezen. In de uitkomst ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Ymere van € 1.791,40 aan huurachterstand te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vervaldag van de betreffende termijn tot aan datum van algehele betaling; 5.2. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.