Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-03-12
ECLI:NL:RBNHO:2026:2523
Civiel recht
Beschikking
7,889 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:2523 text/xml public 2026-05-15T12:40:54 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-03-12 C/15/367018 / HA RK 25-88 Uitspraak Beschikking NL Alkmaar Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2523 text/html public 2026-05-15T12:36:12 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:2523 Rechtbank Noord-Holland , 12-03-2026 / C/15/367018 / HA RK 25-88 Verzoekster verzoekt in deze procedure de rechtbank óf een voorlopig bericht van een deskundige te bevelen óf inzage te bevelen in de financiële stukken van de B.V. Verweerder is bestuurder geweest van de B.V. De B.V. is failliet verklaard. De rechtbank verklaart het verzoek niet-ontvankelijk omdat verzoekster ten onrechte deze procedure tegen verweerder is opgestart in plaats van tegen de bewaarder van de financiële stukken van de B.V. De rechtbank overweegt (ten overvloede) dat het verzoek van verzoekster ook op inhoudelijke gronden moet worden afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoekster geen belang bij haar verzoek omdat het onderzoek dat zij wil laten verrichten al is uitgevoerd door de curator in het faillissement van de B.V. RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer / rekestnummer: C/15/367018 / HA RK 25-88 Beschikking van 12 maart 2026 in de zaak van [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , advocaat: mr. G. Willemsen, tegen [verweerder] , te [woonplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerder] , advocaat: mr. B.J. Mekkelholt. De zaak in het kort [verzoeker] verzoekt in deze procedure de rechtbank óf een voorlopig bericht van een deskundige te bevelen óf inzage te bevelen in de financiële stukken van [de B.V.] [verweerder] is bestuurder geweest van [de B.V.] is failliet verklaard. De rechtbank verklaart het verzoek niet-ontvankelijk omdat [verzoeker] ten onrechte deze procedure tegen [verweerder] is opgestart in plaats van tegen de bewaarder van de financiële stukken van [de B.V.] De rechtbank overweegt (ten overvloede) dat het verzoek van [verzoeker] ook op inhoudelijke gronden moet worden afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoeker] geen belang bij haar verzoek omdat het onderzoek dat zij wil laten verrichten al is uitgevoerd door de curator in het faillissement van [de B.V.] 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift (met producties 1 tot en met 5), - het verweerschrift (met producties 1 tot en met 7), - de brief van 12 januari 2026 namens [verweerder] (met productie 8), - de mondelinge behandeling van 29 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 Feiten 2.1. [verweerder] is in 2004 een bouwbedrijf (een eenmanszaak) begonnen en heeft dat bouwbedrijf in 2011 omgezet in een besloten vennootschap met de naam [de B.V.] (hierna: [de B.V.] ). 2.2. In juni/juli 2019 is [de B.V.] een overeenkomst aangegaan met [verzoeker] en haar toenmalige partner tot verbouwing van de woning van [verzoeker] . 2.3. In augustus 2019 heeft [verweerder] [naam] Beheer B.V. (hierna: [naam] Beheer) opgericht. [verweerder] is enig aandeelhouder en bestuurder van [naam] Beheer. [naam] Beheer was 100 % aandeelhouder en bestuurder van [de B.V.] . 2.4. [verweerder] is in september 2019 ernstig ziek geworden en heeft enige tijd in het ziekenhuis gelegen. 2.5. Sinds eind 2019 heeft [de B.V.] geen nieuwe opdrachten meer aangenomen. In de loop van 2020 is de bedrijfsvoering van [de B.V.] feitelijk stil komen te liggen. Op [verzoeker] na heeft [de B.V.] met alle opdrachtgevers oplossingen gevonden voor de nog lopende opdrachten. 2.6. Tussen [verzoeker] enerzijds en [de B.V.] anderzijds is eind 2019, begin 2020 discussie ontstaan over de uitvoering van de werkzaamheden door [de B.V.] . 2.7. Bij vonnis van 7 augustus 2023 heeft de Raad voor Arbitrage in bouwgeschillen (hierna: Raad voor Arbitrage) – kort weergegeven –: voor recht verkaard dat [de B.V.] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en aansprakelijk is voor de schade van [verzoeker] , [de B.V.] veroordeeld om aan [verzoeker] te betalen € 47.501,21 vanwege ontbinding van de overeenkomst en de schade van [verzoeker] en € 13.184,- vanwege de proceskosten, [de B.V.] veroordeeld tot betaling van de door [verzoeker] geleden en te lijden schade nog nader op te maken bij staat. 2.8. [de B.V.] heeft niet aan het veroordelend vonnis van de Raad van Arbritrage voldaan. 2.9. Op 12 december 2023 is, op aanvraag van [verzoeker] , het faillissement van [de B.V.] uitgesproken. 2.10. [verweerder] is er door de curator op gewezen dat [de B.V.] nog een vordering in rekening-courant had op [naam] Beheer van € 17.136,77. [verweerder] heeft daarop de curator voorgesteld dat [naam] Beheer haar schuld aan [de B.V.] tegen finale kwijting zou afkopen voor een bedrag van € 15.000,- waarbij dit bedrag door [verweerder] en zijn echtgenote privé beschikbaar zou worden gesteld. De curator heeft dit voorstel, na toestemming van de rechter-commissaris in het faillissement van [de B.V.] , geaccepteerd. 2.11. Per e-mail van 2 februari 2024 heeft [verzoeker] bij de curator aandacht gevraagd voor enkele misstanden die er volgens [verzoeker] zouden bestaan in de boekhouding van [de B.V.] . De curator heeft deze e-mail doorgestuurd naar [verweerder] met het verzoek om daar inhoudelijk op te reageren. Dat heeft [verweerder] gedaan bij e-mail van 16 april 2024. 2.12. De curator heeft vervolgens op 6 mei 2025 een eindverslag opgemaakt. 2.13. [naam] Beheer is bij de Kamer van Koophandel geregistreerd als bewaarder van de boeken en bescheiden van [de B.V.] . 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoeker] verzoekt de rechtbank om een onderzoek door een (voorlopig) deskundige of inzage in bepaalde gegevens te bevelen. 3.2. [verzoeker] legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij inzage wil in de stukken van [de B.V.] omdat zij overweegt een gerechtelijke procedure te starten tegen [verweerder] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. Volgens [verzoeker] wilde [verweerder] het faillissement van [de B.V.] niet aanvragen omdat hij wilde voorkomen dat er een boekenonderzoek naar [de B.V.] zou plaatsvinden en een onderzoek zou plaatsvinden naar de bedragen die hij (indirect) aan [de B.V.] heeft onttrokken. [verweerder] wist, of had moeten weten, dat hij door betalingen aan andere schuldeisers, [verzoeker] niet meer (volledig) zou kunnen voldoen. [verzoeker] stelt ervan overtuigd te zijn dat [verweerder] de bedragen van [verzoeker] en het nagenoeg volledig onbetaald laten van de vordering van [verzoeker] heeft gebruikt om enerzijds alle andere schuldeisers van [de B.V.] te voldoen en anderzijds om voor zichzelf nog (indirect) bedragen aan [de B.V.] te kunnen onttrekken. [verzoeker] voelt zich “geslachtofferd” door [verweerder] . Volgens [verzoeker] heeft de curator zich in zijn onderzoek slechts gericht op de vennootschap en niet op [verzoeker] als individuele schuldeiser. Daarnaast heeft de de curator alleen onderzoek gedaan naar de jaarrekeningen en grootboekkaarten over de boekjaren 2021 en 2022 terwijl [verzoeker] concrete aanwijzingen heeft dat [verweerder] zichzelf en andere schuldeisers al eerder bevoordeeld heeft dan wel al eerder heeft gerommeld met de boeken en administratie van [de B.V.] . 3.3. [verweerder] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Hij stelt dat het verzoek van [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het niet is gericht tegen de bewaarder van de administratie van [de B.V.] . Daarnaast stelt [verweerder] dat het verzoek moet worden afgewezen omdat [verzoeker] onvoldoende belang heeft bij het verzoek, het verzoek in strijd is met de goede procesorde, er sprake is van misbruik van bevoegdheid en er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting. 4 De beoordeling 4.1. Op grond van artikel 196 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan de rechter op verzoek van een belanghebbende een voorlopige bewijsverrichting bevelen.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:2523 text/xml public 2026-05-15T12:40:54 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-03-12 C/15/367018 / HA RK 25-88 Uitspraak Beschikking NL Alkmaar Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2523 text/html public 2026-05-15T12:36:12 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:2523 Rechtbank Noord-Holland , 12-03-2026 / C/15/367018 / HA RK 25-88 Verzoekster verzoekt in deze procedure de rechtbank óf een voorlopig bericht van een deskundige te bevelen óf inzage te bevelen in de financiële stukken van de B.V. Verweerder is bestuurder geweest van de B.V. De B.V. is failliet verklaard. De rechtbank verklaart het verzoek niet-ontvankelijk omdat verzoekster ten onrechte deze procedure tegen verweerder is opgestart in plaats van tegen de bewaarder van de financiële stukken van de B.V. De rechtbank overweegt (ten overvloede) dat het verzoek van verzoekster ook op inhoudelijke gronden moet worden afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoekster geen belang bij haar verzoek omdat het onderzoek dat zij wil laten verrichten al is uitgevoerd door de curator in het faillissement van de B.V. RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer / rekestnummer: C/15/367018 / HA RK 25-88 Beschikking van 12 maart 2026 in de zaak van [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , advocaat: mr. G. Willemsen, tegen [verweerder] , te [woonplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerder] , advocaat: mr. B.J. Mekkelholt. De zaak in het kort [verzoeker] verzoekt in deze procedure de rechtbank óf een voorlopig bericht van een deskundige te bevelen óf inzage te bevelen in de financiële stukken van [de B.V.] [verweerder] is bestuurder geweest van [de B.V.] is failliet verklaard. De rechtbank verklaart het verzoek niet-ontvankelijk omdat [verzoeker] ten onrechte deze procedure tegen [verweerder] is opgestart in plaats van tegen de bewaarder van de financiële stukken van [de B.V.] De rechtbank overweegt (ten overvloede) dat het verzoek van [verzoeker] ook op inhoudelijke gronden moet worden afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoeker] geen belang bij haar verzoek omdat het onderzoek dat zij wil laten verrichten al is uitgevoerd door de curator in het faillissement van [de B.V.] 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift (met producties 1 tot en met 5), - het verweerschrift (met producties 1 tot en met 7), - de brief van 12 januari 2026 namens [verweerder] (met productie 8), - de mondelinge behandeling van 29 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 Feiten 2.1. [verweerder] is in 2004 een bouwbedrijf (een eenmanszaak) begonnen en heeft dat bouwbedrijf in 2011 omgezet in een besloten vennootschap met de naam [de B.V.] (hierna: [de B.V.] ). 2.2. In juni/juli 2019 is [de B.V.] een overeenkomst aangegaan met [verzoeker] en haar toenmalige partner tot verbouwing van de woning van [verzoeker] . 2.3. In augustus 2019 heeft [verweerder] [naam] Beheer B.V. (hierna: [naam] Beheer) opgericht. [verweerder] is enig aandeelhouder en bestuurder van [naam] Beheer. [naam] Beheer was 100 % aandeelhouder en bestuurder van [de B.V.] . 2.4. [verweerder] is in september 2019 ernstig ziek geworden en heeft enige tijd in het ziekenhuis gelegen. 2.5. Sinds eind 2019 heeft [de B.V.] geen nieuwe opdrachten meer aangenomen. In de loop van 2020 is de bedrijfsvoering van [de B.V.] feitelijk stil komen te liggen. Op [verzoeker] na heeft [de B.V.] met alle opdrachtgevers oplossingen gevonden voor de nog lopende opdrachten. 2.6. Tussen [verzoeker] enerzijds en [de B.V.] anderzijds is eind 2019, begin 2020 discussie ontstaan over de uitvoering van de werkzaamheden door [de B.V.] . 2.7. Bij vonnis van 7 augustus 2023 heeft de Raad voor Arbitrage in bouwgeschillen (hierna: Raad voor Arbitrage) – kort weergegeven –: voor recht verkaard dat [de B.V.] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en aansprakelijk is voor de schade van [verzoeker] , [de B.V.] veroordeeld om aan [verzoeker] te betalen € 47.501,21 vanwege ontbinding van de overeenkomst en de schade van [verzoeker] en € 13.184,- vanwege de proceskosten, [de B.V.] veroordeeld tot betaling van de door [verzoeker] geleden en te lijden schade nog nader op te maken bij staat. 2.8. [de B.V.] heeft niet aan het veroordelend vonnis van de Raad van Arbritrage voldaan. 2.9. Op 12 december 2023 is, op aanvraag van [verzoeker] , het faillissement van [de B.V.] uitgesproken. 2.10. [verweerder] is er door de curator op gewezen dat [de B.V.] nog een vordering in rekening-courant had op [naam] Beheer van € 17.136,77. [verweerder] heeft daarop de curator voorgesteld dat [naam] Beheer haar schuld aan [de B.V.] tegen finale kwijting zou afkopen voor een bedrag van € 15.000,- waarbij dit bedrag door [verweerder] en zijn echtgenote privé beschikbaar zou worden gesteld. De curator heeft dit voorstel, na toestemming van de rechter-commissaris in het faillissement van [de B.V.] , geaccepteerd. 2.11. Per e-mail van 2 februari 2024 heeft [verzoeker] bij de curator aandacht gevraagd voor enkele misstanden die er volgens [verzoeker] zouden bestaan in de boekhouding van [de B.V.] . De curator heeft deze e-mail doorgestuurd naar [verweerder] met het verzoek om daar inhoudelijk op te reageren. Dat heeft [verweerder] gedaan bij e-mail van 16 april 2024. 2.12. De curator heeft vervolgens op 6 mei 2025 een eindverslag opgemaakt. 2.13. [naam] Beheer is bij de Kamer van Koophandel geregistreerd als bewaarder van de boeken en bescheiden van [de B.V.] . 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoeker] verzoekt de rechtbank om een onderzoek door een (voorlopig) deskundige of inzage in bepaalde gegevens te bevelen. 3.2. [verzoeker] legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij inzage wil in de stukken van [de B.V.] omdat zij overweegt een gerechtelijke procedure te starten tegen [verweerder] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. Volgens [verzoeker] wilde [verweerder] het faillissement van [de B.V.] niet aanvragen omdat hij wilde voorkomen dat er een boekenonderzoek naar [de B.V.] zou plaatsvinden en een onderzoek zou plaatsvinden naar de bedragen die hij (indirect) aan [de B.V.] heeft onttrokken. [verweerder] wist, of had moeten weten, dat hij door betalingen aan andere schuldeisers, [verzoeker] niet meer (volledig) zou kunnen voldoen. [verzoeker] stelt ervan overtuigd te zijn dat [verweerder] de bedragen van [verzoeker] en het nagenoeg volledig onbetaald laten van de vordering van [verzoeker] heeft gebruikt om enerzijds alle andere schuldeisers van [de B.V.] te voldoen en anderzijds om voor zichzelf nog (indirect) bedragen aan [de B.V.] te kunnen onttrekken. [verzoeker] voelt zich “geslachtofferd” door [verweerder] . Volgens [verzoeker] heeft de curator zich in zijn onderzoek slechts gericht op de vennootschap en niet op [verzoeker] als individuele schuldeiser. Daarnaast heeft de de curator alleen onderzoek gedaan naar de jaarrekeningen en grootboekkaarten over de boekjaren 2021 en 2022 terwijl [verzoeker] concrete aanwijzingen heeft dat [verweerder] zichzelf en andere schuldeisers al eerder bevoordeeld heeft dan wel al eerder heeft gerommeld met de boeken en administratie van [de B.V.] . 3.3. [verweerder] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Hij stelt dat het verzoek van [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het niet is gericht tegen de bewaarder van de administratie van [de B.V.] . Daarnaast stelt [verweerder] dat het verzoek moet worden afgewezen omdat [verzoeker] onvoldoende belang heeft bij het verzoek, het verzoek in strijd is met de goede procesorde, er sprake is van misbruik van bevoegdheid en er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting. 4 De beoordeling 4.1. Op grond van artikel 196 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan de rechter op verzoek van een belanghebbende een voorlopige bewijsverrichting bevelen.
Volledig
Een dergelijke verzoek wordt in beginsel toegewezen tenzij sprake is van één van de in de wet genoemde afwijzingsgronden. Het meest verstrekkende verweer van [verweerder] is dat het verzoek van [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Niet-ontvankelijk 4.2. Doel van deze procedure is dat [verzoeker] inzage wenst te krijgen in de financiële gegevens van [de B.V.] en/of die gegevens door een (voorlopig) deskundige willen laten onderzoeken. Volgens [verweerder] moet [verzoeker] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek omdat zij haar verzoek had moeten richten tegen [naam] Beheer, als bewaarder van de boeken en bescheiden van [de B.V.] , en niet tegen [verweerder] . In reactie op dit verweer heeft [verzoeker] gewezen op artikel 118 Rv. [verzoeker] heeft ook gewezen op artikel 2:11 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en heeft gesteld dat zij uiteindelijk toch bij [verweerder] , als bestuurder van [naam] Beheer en (indirect) bestuurder van [de B.V.] , zal uitkomen. 4.3. De rechtbank oordeelt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] erkend dat [naam] Beheer bij de Kamer van Koophandel is ingeschreven als bewaarder van de boeken en bescheiden van [de B.V.] . Op grond van artikel 2:24 BW kan een bewaarder inzage geven in de aan hem toevertrouwde gegevens van een ontbonden vennootschap. De rechtbank stelt vast dat [verweerder] niet als bestuurder van [naam] Beheer, of in zijn hoedanigheid van voormalig bestuurder van [de B.V.] , in deze procedure is betrokken. De verwijzing van [verzoeker] naar de artikelen 118 Rv en 2:11 BW kunnen er niet toe leiden dat [naam] Beheer wél moet worden beschouwd als in deze procedure te zijn opgeroepen en verschenen, zoals [verzoeker] lijkt te stellen. Artikel 118 Rv ziet op de dagvaardingsprocedure en is in de onderhavige verzoekschriftprocedure niet van toepassing. Artikel 2:11 BW mist in deze procedure toepassing omdat in deze procedure een voorlopige bewijsverrichting wordt verzocht en het niet gaat over de aansprakelijkheid. Op grond van deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [verzoeker] haar verzoek ten onrechte heeft gericht aan [verweerder] . De rechtbank zal het verzoek van [verzoeker] daarom niet-ontvankelijk verklaren. Gebrek aan belang 4.4. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het verzoek van [verzoeker] ook zou zijn afgewezen als het wel inhoudelijk zou worden beoordeeld, om de volgende redenen. 4.5. De verwijten aan [verweerder] die [verzoeker] ten grondslag legt aan haar verzoek zijn namens [verzoeker] ook geuit in de e-mail (van drieënhalve A4) die op 2 februari 2024 aan de curator is gestuurd. Namens [verweerder] is daar in een e-mail (van vijf A4) van 26 april 2024 op gereageerd. Het eindverslag van het faillissement van de curator dateert van 6 mei 2024 en dus van na de hiervoor genoemde e-mailberichten. 4.6. Uit het eindverslag blijkt dat nader onderzoek is gedaan naar de oorzaken van het faillissement en naar de verwijten die [verzoeker] aan [verweerder] in de e-mail van 2 februari 2024 heeft gemaakt. Voor zover in deze procedure van belang is in het eindverslag het volgende opgenomen: ‘ De aanvrager van het faillissement heeft feiten en omstandigheden aangevoerd die nader onderzocht dienen te worden. ’ ‘ Het onderzoek naar de oorzaak of oorzaken van het faillissement is afgerond. De curator is tot de conclusie gekomen dat er diverse externe oorzaken zijn aan te wijzen voor het faillissement, waaronder brand in het bedrijfspand van gefailleerde en ziekte van haar bestuurder’ ‘ De curator heeft het onderzoek naar onbehoorlijk bestuur afgerond. Hoewel (…) de jaarrekeningen niet tijdig zijn gedeponeerd zijn er andere externe oorzaken aan te wijzen voor het faillissement. ’ ‘De curator heeft door de aanvrager gestelde feiten en omstandigheden omtrent de rechtmatigheid in onderzoek. Deze feiten en omstandigheden zijn aan de advocaat van bestuurder voorgelegd met verzoek om een reactie. ’ ‘ De curator heeft het onderzoek omtrent de rechtmatigheid afgerond. Er zijn geen onrechtmatigheden geconstateerd. ’ 4.7. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat het onderzoek van de curator voldoende is geweest. Volgens [verzoeker] is het onderzoek van een curator echter algemener omdat een curator namens de boedel optreedt. De rechtbank begrijpt dat [verzoeker] stelt dat een onderzoek op grond van artikel 6:162 BW op een andere manier en/of een meer gedetailleerd niveau zou plaatsvinden. Dit standpunt is door [verweerder] betwist. [verweerder] wijst erop dat een curator een bredere taak heeft en dat een curator ook kijkt naar selectieve betalingen of wanbetalingen. [verweerder] heeft daarbij onbetwist gesteld dat de curator alle stukken van [de B.V.] heeft gehad vanaf 2017. [verweerder] wijst erop dat de vermoedens van [verzoeker] door de conclusies van de curator in het eindverslag zijn weggenomen. Gelet op deze gemotiveerde betwisting van [verweerder] is het de rechtbank niet gebleken dat het onderzoek van de curator op een andere manier of op een meer gedetailleerd niveau had moeten plaatsvinden. Daar komt bij dat [verzoeker] , ten opzichte van de verwijten die zijn opgenomen in de e-mail van 2 februari 2024, geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft gesteld die maken dat het onderzoek van de curator opnieuw zou moeten plaatsvinden. 4.8. De stelling van [verzoeker] dat het onderzoek van de curator alleen betrekking heeft gehad op de boekjaren 2021 en 2022 volgt de rechtbank niet. Deze stelling wordt enerzijds betwist door [verweerder] . Anderzijds heeft [verzoeker] in de e-mail van 2 februari 2024 aan de curator uitgelegd waarom het handelen van [verweerder] als bestuurder van [de B.V.] in de jaren voorafgaand aan 2021 onderzocht moet worden. De curator heeft deze opmerkingen in zijn onderzoek meegenomen en is vervolgens tot de conclusie gekomen dat hij geen onregelmatigheden heeft geconstateerd. Daar komt bij de curator in het eindverslag niet heeft opgenomen dat zijn onderzoek alleen betrekking heeft gehad op de jaren 2021 en 2022. 4.9. Onder deze omstandigheden deelt de rechtbank het standpunt van [verweerder] dat het verzoek van [verzoeker] kan worden gezien als een zogenaamde ‘fishing expedition’. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] geen belang heeft bij haar verzoek en haar verzoek dient dan ook te worden afgewezen. Proceskosten 4.10. Gelet op de uitkomst van deze procedure wordt [verzoeker] veroordeeld tot betaling van de door [verweerder] gemaakte proceskosten (inclusief nakosten), zoals door [verweerder] verzocht. De proceskosten van [verweerder] worden begroot op: - griffierecht € 331,00 - salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × € 653,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.815,00 5 De beslissing De rechtbank 5.1. verklaart het verzoek van [verzoeker] niet-ontvankelijk, 5.2. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.815,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 5.3. verklaart deze beschikking, wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. B. de Metz en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026. MKG/ BM Artikel 118 Rv bepaalt dat derden, in een dagvaardingsprocedure, als partij in een geding kunnen worden opgeroepen met inachtneming van de daarvoor geldende termijnen. In artikel 2:11 BW is bepaald dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon ook hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder was.
Volledig
Een dergelijke verzoek wordt in beginsel toegewezen tenzij sprake is van één van de in de wet genoemde afwijzingsgronden. Het meest verstrekkende verweer van [verweerder] is dat het verzoek van [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Niet-ontvankelijk 4.2. Doel van deze procedure is dat [verzoeker] inzage wenst te krijgen in de financiële gegevens van [de B.V.] en/of die gegevens door een (voorlopig) deskundige willen laten onderzoeken. Volgens [verweerder] moet [verzoeker] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek omdat zij haar verzoek had moeten richten tegen [naam] Beheer, als bewaarder van de boeken en bescheiden van [de B.V.] , en niet tegen [verweerder] . In reactie op dit verweer heeft [verzoeker] gewezen op artikel 118 Rv. [verzoeker] heeft ook gewezen op artikel 2:11 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en heeft gesteld dat zij uiteindelijk toch bij [verweerder] , als bestuurder van [naam] Beheer en (indirect) bestuurder van [de B.V.] , zal uitkomen. 4.3. De rechtbank oordeelt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] erkend dat [naam] Beheer bij de Kamer van Koophandel is ingeschreven als bewaarder van de boeken en bescheiden van [de B.V.] . Op grond van artikel 2:24 BW kan een bewaarder inzage geven in de aan hem toevertrouwde gegevens van een ontbonden vennootschap. De rechtbank stelt vast dat [verweerder] niet als bestuurder van [naam] Beheer, of in zijn hoedanigheid van voormalig bestuurder van [de B.V.] , in deze procedure is betrokken. De verwijzing van [verzoeker] naar de artikelen 118 Rv en 2:11 BW kunnen er niet toe leiden dat [naam] Beheer wél moet worden beschouwd als in deze procedure te zijn opgeroepen en verschenen, zoals [verzoeker] lijkt te stellen. Artikel 118 Rv ziet op de dagvaardingsprocedure en is in de onderhavige verzoekschriftprocedure niet van toepassing. Artikel 2:11 BW mist in deze procedure toepassing omdat in deze procedure een voorlopige bewijsverrichting wordt verzocht en het niet gaat over de aansprakelijkheid. Op grond van deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [verzoeker] haar verzoek ten onrechte heeft gericht aan [verweerder] . De rechtbank zal het verzoek van [verzoeker] daarom niet-ontvankelijk verklaren. Gebrek aan belang 4.4. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het verzoek van [verzoeker] ook zou zijn afgewezen als het wel inhoudelijk zou worden beoordeeld, om de volgende redenen. 4.5. De verwijten aan [verweerder] die [verzoeker] ten grondslag legt aan haar verzoek zijn namens [verzoeker] ook geuit in de e-mail (van drieënhalve A4) die op 2 februari 2024 aan de curator is gestuurd. Namens [verweerder] is daar in een e-mail (van vijf A4) van 26 april 2024 op gereageerd. Het eindverslag van het faillissement van de curator dateert van 6 mei 2024 en dus van na de hiervoor genoemde e-mailberichten. 4.6. Uit het eindverslag blijkt dat nader onderzoek is gedaan naar de oorzaken van het faillissement en naar de verwijten die [verzoeker] aan [verweerder] in de e-mail van 2 februari 2024 heeft gemaakt. Voor zover in deze procedure van belang is in het eindverslag het volgende opgenomen: ‘ De aanvrager van het faillissement heeft feiten en omstandigheden aangevoerd die nader onderzocht dienen te worden. ’ ‘ Het onderzoek naar de oorzaak of oorzaken van het faillissement is afgerond. De curator is tot de conclusie gekomen dat er diverse externe oorzaken zijn aan te wijzen voor het faillissement, waaronder brand in het bedrijfspand van gefailleerde en ziekte van haar bestuurder’ ‘ De curator heeft het onderzoek naar onbehoorlijk bestuur afgerond. Hoewel (…) de jaarrekeningen niet tijdig zijn gedeponeerd zijn er andere externe oorzaken aan te wijzen voor het faillissement. ’ ‘De curator heeft door de aanvrager gestelde feiten en omstandigheden omtrent de rechtmatigheid in onderzoek. Deze feiten en omstandigheden zijn aan de advocaat van bestuurder voorgelegd met verzoek om een reactie. ’ ‘ De curator heeft het onderzoek omtrent de rechtmatigheid afgerond. Er zijn geen onrechtmatigheden geconstateerd. ’ 4.7. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat het onderzoek van de curator voldoende is geweest. Volgens [verzoeker] is het onderzoek van een curator echter algemener omdat een curator namens de boedel optreedt. De rechtbank begrijpt dat [verzoeker] stelt dat een onderzoek op grond van artikel 6:162 BW op een andere manier en/of een meer gedetailleerd niveau zou plaatsvinden. Dit standpunt is door [verweerder] betwist. [verweerder] wijst erop dat een curator een bredere taak heeft en dat een curator ook kijkt naar selectieve betalingen of wanbetalingen. [verweerder] heeft daarbij onbetwist gesteld dat de curator alle stukken van [de B.V.] heeft gehad vanaf 2017. [verweerder] wijst erop dat de vermoedens van [verzoeker] door de conclusies van de curator in het eindverslag zijn weggenomen. Gelet op deze gemotiveerde betwisting van [verweerder] is het de rechtbank niet gebleken dat het onderzoek van de curator op een andere manier of op een meer gedetailleerd niveau had moeten plaatsvinden. Daar komt bij dat [verzoeker] , ten opzichte van de verwijten die zijn opgenomen in de e-mail van 2 februari 2024, geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft gesteld die maken dat het onderzoek van de curator opnieuw zou moeten plaatsvinden. 4.8. De stelling van [verzoeker] dat het onderzoek van de curator alleen betrekking heeft gehad op de boekjaren 2021 en 2022 volgt de rechtbank niet. Deze stelling wordt enerzijds betwist door [verweerder] . Anderzijds heeft [verzoeker] in de e-mail van 2 februari 2024 aan de curator uitgelegd waarom het handelen van [verweerder] als bestuurder van [de B.V.] in de jaren voorafgaand aan 2021 onderzocht moet worden. De curator heeft deze opmerkingen in zijn onderzoek meegenomen en is vervolgens tot de conclusie gekomen dat hij geen onregelmatigheden heeft geconstateerd. Daar komt bij de curator in het eindverslag niet heeft opgenomen dat zijn onderzoek alleen betrekking heeft gehad op de jaren 2021 en 2022. 4.9. Onder deze omstandigheden deelt de rechtbank het standpunt van [verweerder] dat het verzoek van [verzoeker] kan worden gezien als een zogenaamde ‘fishing expedition’. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] geen belang heeft bij haar verzoek en haar verzoek dient dan ook te worden afgewezen. Proceskosten 4.10. Gelet op de uitkomst van deze procedure wordt [verzoeker] veroordeeld tot betaling van de door [verweerder] gemaakte proceskosten (inclusief nakosten), zoals door [verweerder] verzocht. De proceskosten van [verweerder] worden begroot op: - griffierecht € 331,00 - salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × € 653,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.815,00 5 De beslissing De rechtbank 5.1. verklaart het verzoek van [verzoeker] niet-ontvankelijk, 5.2. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.815,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 5.3. verklaart deze beschikking, wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. B. de Metz en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026. MKG/ BM Artikel 118 Rv bepaalt dat derden, in een dagvaardingsprocedure, als partij in een geding kunnen worden opgeroepen met inachtneming van de daarvoor geldende termijnen. In artikel 2:11 BW is bepaald dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon ook hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder was.