Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-02-19
ECLI:NL:RBNHO:2026:2472
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/2809 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit Alkmaar , eiser (gemachtigde: mr. M. Hoefs), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het Uwv (gemachtigde: S. Gootjes). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) wegens betalingsonmacht van zijn (ex-)werkgever. Eiser is het niet eens met de afwijzing en stelt dat er gedurende de periode van 1 april 2023 tot en met 1 maart 2024 sprake is geweest van een dienstverband. Verder stelt eiser dat reeds in augustus 2023 al sprake was van een betalingsonmacht. Ook is volgens eiser sprake van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. Bij besluit van 10 oktober 2024 (het primaire besluit I) heeft het Uwv de aanvraag van eiser voor een uitkering op grond van de WW niet in behandeling genomen omdat eiser niet de door het Uwv verzochte bewijsstukken heeft aangeleverd. 2.2. Bij besluit van 17 januari 2025 (het primaire besluit II) heeft het Uwv de aanvraag van eiser voor een WW-uitkering, nadat eiser alsnog bewijsstukken heeft overgelegd, afgewezen. 2.3. Bij besluit van 20 mei 2025 (het bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 2.4. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. V.Y. Jokhan en de gemachtigde van het Uwv. 2.6. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen om een aanvullend verweerschrift voorzien van een nadere motivering te overleggen. 2.7. Het Uwv heeft op 10 december 2025 een aanvullend verweerschrift (het bestreden besluit II) ingediend, waarbij zij de grondslag van de afwijzing heeft gewijzigd. Eiser heeft in zijn reactie daarop laten weten het niet eens te zijn met deze gewijzigde grondslag. 2.8. Partijen hebben in hun schrijven van 10 december 2025 en 18 december 2025 te kennen gegeven geen nadere zitting te wensen, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten. 2.9. Bij brief van 23 december 2025 heeft mr. M. Hoefs, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Totstandkoming van het besluit 3.1. Eiser was sinds 1 april 2023 werkzaam voor [(ex) werkgever] b.v. ((ex-)werkgever). Per 1 maart 2024, is het dienstverband van eiser opgezegd. Op 3 december 2024 is het faillissement van de (ex-)werkgever uitgesproken. 3.2. Eiser heeft op 11 april 2024 het Uwv verzocht om met toepassing van hoofdstuk IV van de WW de betalingsverplichtingen van zijn (ex-)werkgever. wegens betalingsonmacht over te nemen (faillissementsuitkering). 3.3. Naar aanleiding van deze aanvraag en de hierna volgende interne fraudemelding is het Uwv een onderzoek gestart. Het onderzoek heeft onder meer bestaan uit het raadplegen van Suwinet, Suwi bedrijvenregister, Polis+, K3CR, Sonar en het KvK handelsregister. Verder zijn de bankafschriften van de (ex-)werkgever opgevraagd en zijn de door eiser overgelegde bankafschriften, zijn arbeidsovereenkomst en de salarisspecificaties bestudeerd. Tevens heeft op 16 oktober 2024 een gesprek plaatsgevonden. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in het onderzoeksrapport van 11 december 2024. Hierin is geconcludeerd dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een privaatrechtelijke rechtsbetrekking. Niet is immers komen vast te staan hoe lang en gedurende welke periode eiser een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gehad. Eiser heeft ook geen objectieve en controleerbare gegevens aangeleverd die de aard van Om die reden merkt de rechtbank het aanvullend verweerschrift aan als een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van dit artikel wordt het beroep van eiser mede geacht te zijn gericht tegen het bestreden besluit II. Nu het bestreden besluit I is vervangen door het bestreden besluit II en niet is gebleken dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dat bestreden besluit I, zal de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaren. 6.2. De rechtbank zal hierna beoordelen of het bestreden besluit II stand kan houden. Daarvoor beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht de WW-aanvraag van eiser heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Beoordelingskader 7.1. In artikel 61 van de WW is bepaald, voor zover hier van belang, dat een werknemer recht heeft op uitkering op grond van hoofdstuk IV, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen heeft. 7.2. Ingevolge artikel 62, eerste lid, van de WW heeft de werknemer, wiens dienstbetrekking met de werkgever reeds was geëindigd voordat de werkgever kwam te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 61 van de WW, geen recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk, tenzij: a. een duidelijke samenhang bestaat tussen de omstandigheden die tot het eindigen van de dienstbetrekking leidden en de omstandigheden, die tot die toestand hebben geleid; of b. de werknemer een recht heeft op betaling van loon, vakantiegeld, vakantiebijslag of andere bedragen als bedoeld in artikel 61 WW, dat geen verband houdt met een toestand als bedoeld in artikel 61 WW en dat niet geldend kan worden gemaakt uitsluitend wegens die toestand. Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij van 1 april 2023 tot en met 1 maart 2024 als werknemer in dienst is geweest van zijn (ex-)werkgever? 8. Zodra is voldaan aan de eisen genoemd in artikel 7:610 BW, te weten betaling van loon, persoonlijke arbeidsverrichting en het bestaan van een gezagsverhouding is sprake van een dienstbetrekking. Tussen partijen is niet in geschil dat voor zover er door eiser werkzaamheden zijn verricht voor zijn (ex-)werkgever sprake is van een gezagsverhouding. Sinds het bestreden besluit II is ook niet meer in geschil dat eiser van 1 april 2023 tot en met de tweede week van september 2023 persoonlijk arbeid heeft verricht voor zijn (ex-)werkgever en voor die arbeid, zij het slechts ten dele, loon heeft ontvangen. Wat wel in geschil is of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij ook na de tweede week van september 2023 nog persoonlijke arbeid voor zijn (ex-)werkgever heeft verricht. Met het Uwv is de rechtbank van oordeel dat eiser dat niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij acht de rechtbank in de eerste plaats van belang dat uit het dossier blijkt dat eiser sinds het begin van zijn dienstverband alleen over de eerste drie maanden loonbetalingen van zijn (ex-)werkgever heeft ontvangen, te weten op 4 mei 2023 (€ 1.500,62), op 7 juni 2023 (€ 500,00) en op 8 juni 2023 (€ 300,00). Als eiser inderdaad tot en met 1 maart 2024 voor zijn (ex-)werkgever heeft gewerkt, zoals hij stelt, zou dat betekenen dat eiser lange tijd voor zijn (ex-)werkgever heeft gewerkt zonder dat hij daarvoor werd uitbetaald. Dat is mogelijk, maar niet erg waarschijnlijk. Voorts acht de rechtbank, evenals het Uwv, van belang dat op de door eiser overgelegde afschriften van zijn bankrekeningen alleen dagelijkse betalingen van treinkaartjes, die overeenkomen met de door eiser aangegeven werkplaats en werktijden, tot en met de tweede week van september 2023 zijn te zien en eiser geen andere verifieerbare stukken of getuigenverklaringen heeft overgelegd op basis waarvan kan worden vastgesteld dat hij ook nadien werkzaamheden heeft verricht. De verklaring van eiser dat hij vanaf de tweede