Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-01-28
ECLI:NL:RBNHO:2026:2431
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Zaanstad Zaaknummer : 11764113 \ WM VERZ 25-1067 CJIB-nummer : [nummer] Uitspraakdatum : 28 januari 2026 Uitspraak op een beroep tegen een boete op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) in de zaak van [betrokkene 1] De zaak in het kort In deze zaak oordeelt de kantonrechter dat aan betrokkene ten onrechte een boete is opgelegd voor het doorrijden bij een rood stoplicht. Betrokkene was aan het werk als transportbegeleider en bestuurde daartoe een zogeheten voorrangsvoertuig. In zo’n geval mag worden afgeweken van de wettelijke verkeersregels, waaronder het doorrijden bij rood licht. Betrokkene heeft dus geen verkeersovertreding begaan. De verkeersboete en het beroep Aan betrokkene is een boete opgelegd voor een verkeersovertreding, te weten doorgaan bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen de boete. Het beroep is behandeld op de zitting van 28 januari 2026. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. De betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan. De betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift en op de zitting de gronden daarvoor aangevoerd. Betrokkene stelt dat hij als transportbegeleider bestuurder is van een zogenoemd voorrangsvoertuig, en dat hij daarmee is vrijgesteld van verkeersregels, waaronder het rijden door rood licht. De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft op de zitting de kantonrechter verzocht de boete te matigen tot nihil. Naar het standpunt van de vertegenwoordiger staat de overtreding wel vast, maar is de overtreding begaan onder omstandigheden die een matiging rechtvaardigen. De beoordeling De kantonrechter oordeelt dat de boete onterecht is opgelegd, om de volgende reden. Uit de stukken volgt dat betrokkene ten tijde van de gedraging – het rijden door rood licht – bezig was met de uitvoering van werkzaamheden als transportbegeleider van zwaar transport en bestuurder was van een begeleidingsvoertuig dat daarvoor gele zwaailichten voerde. Betrokkene beschikt ook over een pas van Rijkswaterstaat waaruit blijkt dat hij bevoegd is om als transportbegeleider op te treden. In artikel 91 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) staat dat bestuurders van een voorrangsvoertuig mogen afwijken van de verkeersvoorschriften van het RVV 1990, voor zover de uitoefening van hun taak dit vereist. Eén van die voorschriften waarvan mag worden afgeweken is artikel 68 van het RVV 1990, waarin is voorgeschreven dat bestuurders moeten stoppen bij rood verkeerslicht. Volgens artikel 1 van het RVV 1990 is een voorrangsvoertuig een motorvoertuig dat de optische en geluidssignalen voert als bedoeld in artikel 29 van het RVV 1990. Uit artikel 29 en 30 van het RVV 1990 volgt dat naast motorvoertuigen in gebruik bij de politie, brandweer en medische hulpdiensten ook andere hulpverleningsdiensten door de minister kunnen worden aangewezen als voorrangsvoertuig. Voor die nader aan te geven werkzaamheden voeren laatstgenoemde voorrangsvoertuigen geen blauwe, maar gele of groene zwaai-, flits- of knipperlichten. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit de Regeling verkeersregelaars 2009 en bijlage 3 daarvan, in samenhang met artikel 58a van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW), dat het begeleidingsvoertuig dat betrokkene bestuurde, moet worden aangemerkt als een door de minister aangewezen voorrangsvoertuig. Verder overweegt de kantonrechter dat voldoende is gebleken dat betrokkene het rode verkeerslicht heeft genegeerd, omdat de uitoefening van zijn taak als transportbegeleider dit vereiste. Immers, betrokkene begeleidde een zwaar transport dat een kruispunt overstak voorzien van verkeerslichten. Betrokkene heeft daarbij het rode verkeerslicht genegeerd om achter he