Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-03-02
ECLI:NL:RBNHO:2026:2259
Strafrecht
Rekestprocedure
1,245 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBNHO:2026:2259 text/xml public 2026-03-05T12:24:46 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-03-02 96-119916-24 Uitspraak Rekestprocedure NL Alkmaar Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2259 text/html public 2026-03-05T12:22:29 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:2259 Rechtbank Noord-Holland , 02-03-2026 / 96-119916-24 Verzoek 530 Sv afgewezen – beleidssepot (‘ouderdom feit’) RECHTBANK NOORD-HOLLAND Strafrecht Zittingsplaats Haarlem parketnummer : 96-119916-24 raadkamernummer : 25-028892 datum : 2 maart 2026 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats], voor deze zaak woonplaats kiezend op het kantoor van mr. F.H. Batavier, advocaat te Utrecht (Muntkade 1, 3531 AK Utrecht), hierna te noemen: de verzoeker. Feiten In de strafzaak met het hiervoor vermelde parketnummer heeft de officier van justitie beslist de verzoeker niet verder te vervolgen met als reden ‘het feit waarvan u wordt verdacht nu te oud is’ en heeft dat bij brief van 20 oktober 2025 aan de verzoeker meegedeeld. De strafzaak is dus geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en artikel 9a (schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel) van het Wetboek van Strafrecht is niet toegepast. Procedure De rechtbank heeft het ondertekende verzoekschrift op 11 november 2025 ontvangen. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Verzoek Het verzoek strekt tot toekenning van een vergoeding van in totaal € 590,- excl. BTW en € 642,50 incl. BTW wegens: de kosten van een raadsman/raadsvrouw in de strafzaak tot een bedrag van € 250,- excl. BTW (vaste prijsafspraak); en de kosten van een raadsman voor het opstellen en indienen van dit verzoek tot een bedrag van € 340,-. De rechtbank heeft de raadsvrouw per email op 22 november 2025 geïnformeerd dat de rechtbank voornemens is het verzoek af te wijzen om redenen van billijkheid. De rechtbank heeft de raadsvrouw in de gelegenheid gesteld het ingediende verzoek te heroverwegen en verzocht ermee in te stemmen dat de rechtbank op het verzoek beslist buiten zitting conform dat voorlopige oordeel. Wegens uitblijven van een reactie heeft de rechtbank tussen 22 november 2025 en 16 februari 2026 meermaals een email gestuurd naar het advocatenkantoor en telefonisch contact gehad met het advocatenkantoor voor een reactie. Namens mr. F. Luinstra heeft het advocatenkantoor op 19 februari 2026 de rechtbank geïnformeerd akkoord te gaan met het buiten zitting om beslissen conform het voornemen van de rechtbank. Beoordeling De rechtbank is bevoegd en het verzoek is tijdig ingediend. Als de strafzaak van een verdachte is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a (schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel) van het Wetboek van Strafrecht, kan die verdachte in beginsel aanspraak maken op vergoeding van de kosten van zijn advocaat in verband met die zaak (artikel 530 Sv). In een dergelijk geval bestaat in beginsel ook recht op een bedrag als vergoeding voor immateriële schade als hij in verzekering is gesteld of in voorlopige hechtenis heeft gezeten (artikel 533 Sv). De rechter kent de vergoeding geheel of gedeeltelijk toe voor zover dat naar zijn oordeel billijk is, waarbij hij rekening houdt met alle omstandigheden (artikel 534 Sv). De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier blijkt dat de verzoeker wordt verweten dat hij de maximumsnelheid heeft overtreden op 11 juli 2023, buiten de bebouwde kom, met een snelheid van 45 tot 50 kilometer per uur. Bij staande houding heeft de verzoeker verklaard ‘Ik heb hier niets over te zeggen. U heeft helemaal gelijk’ . Onder de hiervoor omschreven omstandigheden en mede gelet op de hiervoor genoemde schriftelijke reactie per email van 19 februari 2026, is de rechtbank van oordeel dat de kosten van rechtskundige bijstand voor rekening van de verzoeker dienen te blijven. Hij heeft deze kosten aan zijn eigen gedrag te wijten. Dat vervolgens het Openbaar Ministerie heeft besloten tot een sepotbeslissing in verband met ‘ouderdom feit’, een zgn. beleidssepot, doet daar niet aan af. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen. Gelet op die beslissing bestaat ook geen aanleiding tot vergoeding van de kosten van het opstellen en indienen van het verzoekschrift. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek af. Deze beslissing is gegeven door mr. M.C.J. Lommen, rechter, in tegenwoordigheid van M. Dambrink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2026. Bij afwezigheid van de griffier is deze beslissing alleen door de rechter ondertekend. Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.