Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-01-28
ECLI:NL:RBNHO:2026:2226
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
11,515 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:2226 text/xml public 2026-04-30T15:50:59 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-01-28 HAA 25/1650 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Haarlem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026043014 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2226 text/html public 2026-04-30T10:09:50 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:2226 Rechtbank Noord-Holland , 28-01-2026 / HAA 25/1650 Erfbelasting. Belanghebbende heeft in 2001 ene aandeel in twee NSW-landgoederen geërfd. In 2004 zijn aanslagen in het recht van successie opgelegd, waarbij slechts een deel van het verschuldigde successierecht terstond invorderbaar was. De vraag ligt voor of terecht een aanslag ter invordering van erfbelasting is opgelegd vanwege de verkoop, dan wel onttrekking aan de NSW, van twee percelen van een landgoed. De rechtbank komt tot het oordeel dat de aanslag terecht is opgelegd. Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/1650 uitspraak van de meervoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: jhr. mr. [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 11 april 2022 een aanslag erfbelasting (aanslagnummer 2.22.192.00275) opgelegd naar een te betalen bedrag van € 11.503. Met dagtekening 20 april 2022 heeft verweerder bij beschikking de invorderingsrente vastgesteld op € 3.013. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een te betalen bedrag van € 1.010. De invorderingsrente is verminderd tot € 373. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2025 te Haarlem. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. [naam 1] , mr. [naam 2] en mr. [naam 3] . Overwegingen Feiten 1. Op [datum] is overleden mevrouw [erflaatster] (erflaatster). 2. Erflaatster liet onder meer haar aandeel in een tweetal landgoederen, landgoed [landgoed 1] en landgoed [landgoed 2] , na aan de begunstigden in haar nalatenschap. De landgoederen zijn beide gerangschikt in de zin van de Natuurschoonwet 1928 (NSW). 3. Het door erflaatster nagelaten aandeel in [landgoed 1] maakte 25% uit van het geheel van dat landgoed, het door erflaatster nagelaten aandeel in [landgoed 2] maakte 97% uit van het geheel van dat landgoed. 4. Aan de erfgenamen en legatarissen in de nalatenschap van erflaatster, waaronder eiser, een neef van erflaatster, zijn met dagtekening 16 maart 2004 aanslagen in het recht van successie opgelegd. Bij schrijven van 2 februari 2004 heeft verweerder een overzicht gegeven van de berekening van het verschuldigde successierecht. Daarbij is aangegeven welk deel van het verschuldigde successierecht volgens verweerder terstond invorderbaar was. Verweerder is er bij zijn berekening van uitgegaan dat van beide landgoederen 25% deel uitmaakte van de nalatenschap van erflaatster. Daarbij stelde verweerder met een beroep op fraus legis dat aan de aankoop door erflaatster van in totaal 72% van landgoed [landgoed 2] enkele dagen voor haar overlijden geen reële betekenis toekwam. 5. Eiser en de andere begunstigden hebben geprocedeerd over de vraag of het successierecht dat was verschuldigd ter zake van de verkrijging van landgoed [landgoed 2] voor 97/100 deel of voor 25/100 deel niet invorderbaar was op grond van artikel 7, eerste lid, van de NSW. 6. De rechtbank Haarlem heeft in de uitspraak van 18 oktober 2007 (AWB 06/10565 tot en met 06/10576) geoordeeld dat het recht van successie dat was verschuldigd ter zake van de verkrijging van landgoed [landgoed 2] voor 97/100 deel niet invorderbaar was. In die uitspraak heeft de rechtbank onder 3.1 vastgesteld dat de waarde van de verkrijgingen, noch het daarover verschuldigde recht van successie in geschil waren. In rechtsoverweging 4.6 heeft de rechtbank het bedrag van de terstond invorderbare belasting op de aanslag van eiser bepaald op € 20.633 (fl. 45.470). Het dictum van de uitspraak van de rechtbank luidt, voor zover van belang, als volgt: “De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vermindert de terstond invorderbare bedragen in de opgelegde aanslagen successierecht overeenkomstig het hiervoor onder 4.6 bepaalde; - (…)” 7. Het gerechtshof Amsterdam heeft op 19 december 2008 (P07/00919 tot en met P07/00930) de uitspraak van de rechtbank bevestigd. 8. Met dagtekening 24 maart 2009 heeft verweerder bij verminderingsbeschikking het bedrag van het verschuldigde successierecht vastgesteld op € 20.633 en een vermindering verleend van € 99.198. 9. In 2019 zijn twee percelen grond die onderdeel waren van landgoed [landgoed 1] , verkocht dan wel onttrokken aan de werking van de NSW. 10. Op 21 januari 2021 is door een inspecteur Specialist Natuurschoonwet aan een medewerker Schenk- en Erfbelasting een signaal gezonden van verkoop van een onroerende zaak vallende onder de NSW. 11. Het renseignement van 21 januari 2021 is op 24 februari 2022 via e-mail toegewezen aan een behandelaar. 12. Bij brief van 1 april 2022 heeft verweerder eiser meegedeeld dat een deel van de destijds buiten invordering gebleven erfbelasting alsnog zal worden ingevorderd wegens schending van de voorwaarden van de NSW. In deze brief deelt verweerder tevens mee dat, vanwege het feit dat er sprake is van een dreigende verjaring voor het opleggen van de aanslag, verweerder hierover niet eerst een mededeling heeft kunnen doen. 13. Met dagtekening 11 april 2022 is de aanslag invordering erfbelasting opgelegd. Met dagtekening 20 april 2022 is de beschikking invorderingsrente vastgesteld. 14. In de bezwaarfase is middels een gezamenlijke taxatie, uitgevoerd door een door verweerder en een door eiser aangewezen taxateur, overeenstemming bereikt over de aan de in te vorderen erfbelasting ten grondslag liggende waardes van de (gedeeltes van) de landgoederen. Geschil 16.In geschil is of de aanslag ter invordering van de erfbelasting terecht is opgelegd. 17. Eiser stelt zich op het standpunt dat er geen grond is voor invordering van de buiten invordering gestelde erfbelasting. Mocht er wel een grond voor invordering zijn, dan stelt eiser zich op het standpunt dat de aanslag erfbelasting dient te worden vernietigd dan wel verminderd naar nihil. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat er geen invorderingsrente verschuldigd is. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging dan wel vermindering tot nihil van de aanslag en de beschikking invorderingsrente. 18. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanslag en de beschikking invorderingsrente terecht en naar het juiste bedrag zijn opgelegd. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 19. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil Wettelijk kader 20. In artikel 7 van de NSW is een fiscale faciliteit geregeld voor (onder meer) de erfbelasting, indien tot de verkrijging krachtens erfrecht een onroerende zaak behoort die is aangemerkt als landgoed in de zin van die wet. De faciliteit bestaat hieruit dat de volgens de Successiewet 1956 (SW) verschuldigde belasting — al naar gelang het landgoed al dan niet is opengesteld — geheel of gedeeltelijk buiten invordering blijft. Ingevolge het vijfde lid van deze bepaling wordt in het aanslagbiljet behalve van het bedrag van de aanslag melding gemaakt van het bedrag van de terstond invorderbare belasting. De vaststelling van laatstbedoeld bedrag wordt voor de toepassing van de wettelijke bepalingen betreffende de schenk- en erfbelasting en de regeling inzake belastingrente beschouwd als de oplegging van de aanslag. Tot 1 januari 2010 was in het vierde lid van deze bepaling hetzelfde bepaald voor de toepassing van de wettelijke bepalingen betreffende het recht van successie. 21. Uit artikel 8 van de NSW volgt dat het landgoed gedurende een periode van 25 jaar volgend op het belastbare feit (i.c.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:2226 text/xml public 2026-04-30T15:50:59 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-01-28 HAA 25/1650 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Haarlem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026043014 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2226 text/html public 2026-04-30T10:09:50 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:2226 Rechtbank Noord-Holland , 28-01-2026 / HAA 25/1650 Erfbelasting. Belanghebbende heeft in 2001 ene aandeel in twee NSW-landgoederen geërfd. In 2004 zijn aanslagen in het recht van successie opgelegd, waarbij slechts een deel van het verschuldigde successierecht terstond invorderbaar was. De vraag ligt voor of terecht een aanslag ter invordering van erfbelasting is opgelegd vanwege de verkoop, dan wel onttrekking aan de NSW, van twee percelen van een landgoed. De rechtbank komt tot het oordeel dat de aanslag terecht is opgelegd. Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/1650 uitspraak van de meervoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: jhr. mr. [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 11 april 2022 een aanslag erfbelasting (aanslagnummer 2.22.192.00275) opgelegd naar een te betalen bedrag van € 11.503. Met dagtekening 20 april 2022 heeft verweerder bij beschikking de invorderingsrente vastgesteld op € 3.013. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een te betalen bedrag van € 1.010. De invorderingsrente is verminderd tot € 373. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2025 te Haarlem. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. [naam 1] , mr. [naam 2] en mr. [naam 3] . Overwegingen Feiten 1. Op [datum] is overleden mevrouw [erflaatster] (erflaatster). 2. Erflaatster liet onder meer haar aandeel in een tweetal landgoederen, landgoed [landgoed 1] en landgoed [landgoed 2] , na aan de begunstigden in haar nalatenschap. De landgoederen zijn beide gerangschikt in de zin van de Natuurschoonwet 1928 (NSW). 3. Het door erflaatster nagelaten aandeel in [landgoed 1] maakte 25% uit van het geheel van dat landgoed, het door erflaatster nagelaten aandeel in [landgoed 2] maakte 97% uit van het geheel van dat landgoed. 4. Aan de erfgenamen en legatarissen in de nalatenschap van erflaatster, waaronder eiser, een neef van erflaatster, zijn met dagtekening 16 maart 2004 aanslagen in het recht van successie opgelegd. Bij schrijven van 2 februari 2004 heeft verweerder een overzicht gegeven van de berekening van het verschuldigde successierecht. Daarbij is aangegeven welk deel van het verschuldigde successierecht volgens verweerder terstond invorderbaar was. Verweerder is er bij zijn berekening van uitgegaan dat van beide landgoederen 25% deel uitmaakte van de nalatenschap van erflaatster. Daarbij stelde verweerder met een beroep op fraus legis dat aan de aankoop door erflaatster van in totaal 72% van landgoed [landgoed 2] enkele dagen voor haar overlijden geen reële betekenis toekwam. 5. Eiser en de andere begunstigden hebben geprocedeerd over de vraag of het successierecht dat was verschuldigd ter zake van de verkrijging van landgoed [landgoed 2] voor 97/100 deel of voor 25/100 deel niet invorderbaar was op grond van artikel 7, eerste lid, van de NSW. 6. De rechtbank Haarlem heeft in de uitspraak van 18 oktober 2007 (AWB 06/10565 tot en met 06/10576) geoordeeld dat het recht van successie dat was verschuldigd ter zake van de verkrijging van landgoed [landgoed 2] voor 97/100 deel niet invorderbaar was. In die uitspraak heeft de rechtbank onder 3.1 vastgesteld dat de waarde van de verkrijgingen, noch het daarover verschuldigde recht van successie in geschil waren. In rechtsoverweging 4.6 heeft de rechtbank het bedrag van de terstond invorderbare belasting op de aanslag van eiser bepaald op € 20.633 (fl. 45.470). Het dictum van de uitspraak van de rechtbank luidt, voor zover van belang, als volgt: “De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vermindert de terstond invorderbare bedragen in de opgelegde aanslagen successierecht overeenkomstig het hiervoor onder 4.6 bepaalde; - (…)” 7. Het gerechtshof Amsterdam heeft op 19 december 2008 (P07/00919 tot en met P07/00930) de uitspraak van de rechtbank bevestigd. 8. Met dagtekening 24 maart 2009 heeft verweerder bij verminderingsbeschikking het bedrag van het verschuldigde successierecht vastgesteld op € 20.633 en een vermindering verleend van € 99.198. 9. In 2019 zijn twee percelen grond die onderdeel waren van landgoed [landgoed 1] , verkocht dan wel onttrokken aan de werking van de NSW. 10. Op 21 januari 2021 is door een inspecteur Specialist Natuurschoonwet aan een medewerker Schenk- en Erfbelasting een signaal gezonden van verkoop van een onroerende zaak vallende onder de NSW. 11. Het renseignement van 21 januari 2021 is op 24 februari 2022 via e-mail toegewezen aan een behandelaar. 12. Bij brief van 1 april 2022 heeft verweerder eiser meegedeeld dat een deel van de destijds buiten invordering gebleven erfbelasting alsnog zal worden ingevorderd wegens schending van de voorwaarden van de NSW. In deze brief deelt verweerder tevens mee dat, vanwege het feit dat er sprake is van een dreigende verjaring voor het opleggen van de aanslag, verweerder hierover niet eerst een mededeling heeft kunnen doen. 13. Met dagtekening 11 april 2022 is de aanslag invordering erfbelasting opgelegd. Met dagtekening 20 april 2022 is de beschikking invorderingsrente vastgesteld. 14. In de bezwaarfase is middels een gezamenlijke taxatie, uitgevoerd door een door verweerder en een door eiser aangewezen taxateur, overeenstemming bereikt over de aan de in te vorderen erfbelasting ten grondslag liggende waardes van de (gedeeltes van) de landgoederen. Geschil 16.In geschil is of de aanslag ter invordering van de erfbelasting terecht is opgelegd. 17. Eiser stelt zich op het standpunt dat er geen grond is voor invordering van de buiten invordering gestelde erfbelasting. Mocht er wel een grond voor invordering zijn, dan stelt eiser zich op het standpunt dat de aanslag erfbelasting dient te worden vernietigd dan wel verminderd naar nihil. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat er geen invorderingsrente verschuldigd is. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging dan wel vermindering tot nihil van de aanslag en de beschikking invorderingsrente. 18. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanslag en de beschikking invorderingsrente terecht en naar het juiste bedrag zijn opgelegd. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 19. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil Wettelijk kader 20. In artikel 7 van de NSW is een fiscale faciliteit geregeld voor (onder meer) de erfbelasting, indien tot de verkrijging krachtens erfrecht een onroerende zaak behoort die is aangemerkt als landgoed in de zin van die wet. De faciliteit bestaat hieruit dat de volgens de Successiewet 1956 (SW) verschuldigde belasting — al naar gelang het landgoed al dan niet is opengesteld — geheel of gedeeltelijk buiten invordering blijft. Ingevolge het vijfde lid van deze bepaling wordt in het aanslagbiljet behalve van het bedrag van de aanslag melding gemaakt van het bedrag van de terstond invorderbare belasting. De vaststelling van laatstbedoeld bedrag wordt voor de toepassing van de wettelijke bepalingen betreffende de schenk- en erfbelasting en de regeling inzake belastingrente beschouwd als de oplegging van de aanslag. Tot 1 januari 2010 was in het vierde lid van deze bepaling hetzelfde bepaald voor de toepassing van de wettelijke bepalingen betreffende het recht van successie. 21. Uit artikel 8 van de NSW volgt dat het landgoed gedurende een periode van 25 jaar volgend op het belastbare feit (i.c.
Volledig
een overlijden) als zodanig in stand moet worden gehouden (de instandhoudingseis). De buiten invordering gebleven belasting wordt alsnog geheel (of gedeeltelijk) ingevorderd, wanneer het landgoed (of een gedeelte daarvan) niet gedurende de periode van 25 jaar als landgoed in stand is gehouden. Ingevolge het vijfde lid van deze bepaling wordt het bedrag van de in te vorderen belasting met overeenkomstige toepassing van artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) bij aanslag vastgesteld. 22. Uit artikel 8a van de NSW volgt dat een gedeelte van de buiten invordering gebleven belasting alsnog wordt ingevorderd, indien de verkrijger het landgoed of een gedeelte daarvan binnen 25 jaar na het overlijden of de schenking overdraagt of daar een recht van vruchtgebruik of erfpacht op vestigt (de bezitseis). Ingevolge het achtste lid van deze bepaling wordt ook in dit geval het bedrag van de in te vorderen belasting met overeenkomstige toepassing van artikel 11 van de Awr bij aanslag vastgesteld. 23. Wordt gedurende de periode van 25 jaar voldaan aan de instandhoudingseis en de bezitseis, dan blijft invordering definitief achterwege. 24. In artikel 9 van de NSW is bepaald dat op de ingevolge de artikelen 7, 8 en 8a aan te geven waarden en op te leggen aanslagen de wettelijke bepalingen inzake de schenk- en erfbelasting en de bepalingen van de Awr zoveel mogelijk van toepassing zijn. 25. In artikel 11, derde lid, van de Awr is bepaald dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Grond voor invordering 26. Eiser stelt zich op het standpunt dat voor de bepaling van de totale hoogte van de erfbelasting, de terstond invorderbare bedragen aan erfbelasting en de onder voorwaarden buiten invordering gestelde erfbelasting, de verminderingsbeschikking van 24 maart 2009 het enige in stand gebleven besluit is. De uitspraak van de rechtbank van 18 oktober 2007 zoals die is bevestigd door het gerechtshof op 19 december 2008 brengt volgens eiser met zich mee dat de aanslag van 16 maart 2004 (gedeeltelijk) is vernietigd en dat verweerder een (nieuw) besluit diende te nemen, hetgeen is gebeurd bij de verminderingsbeschikking. In de verminderingsbeschikking is volgens eiser het totale bedrag aan verschuldigde erfbelasting vastgesteld op € 20.633. Dit brengt mee, aldus eiser, dat de grond voor verdere aanslagoplegging zoals gebeurd bij de aanslag van 11 april 2022, ontbreekt. 27. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitspraak van de rechtbank van 18 oktober 2007 er niet toe heeft geleid dat de aanslag van 16 maart 2004 (gedeeltelijk) is vernietigd, maar dat het bedrag van het terstond invorderbaar deel van de definitieve aanslag tot een lager bedrag is vastgesteld. Het verschil betreft de toepassing van de NSW-vrijstelling over het kort voor overlijden van erflaatster aangekochte deel in landgoed [landgoed 2] . Daarbij merkt verweerder op dat het bedrag van € 99.199 dat onder voorwaarden van in stand en in bezit houden buiten invordering is gesteld, niet meer opnieuw aan eiser kenbaar is gemaakt. Dit is echter geen vereiste van artikel 7, (thans) vijfde lid, van de NSW, aldus verweerder, maar een gevolg van het feit dat de rechtbank expliciet heeft overwogen dat de waarde van de verkrijgingen evenals het verschuldigde recht van successie als zodanig niet in geschil zijn. 27. De rechtbank overweegt als volgt. Het geschil dat heeft geleid tot de uitspraak van 18 oktober 2007 zag op de met dagtekening 16 maart 2004 opgelegde aanslagen in het recht van successie en ging over de hoogte van de terstond invorderbare belasting. In die uitspraak heeft de rechtbank de beroepen gegrond verklaard en de terstond invorderbare bedragen in de opgelegde aanslagen successierecht verminderd overeenkomstig het onder 4.6 van de uitspraak bepaalde (zie hiervoor onder 6). De rechtbank heeft de aanslagen van 16 maart 2004 niet vernietigd en verweerder niet opgedragen om een nieuw besluit te nemen. Bovendien heeft de rechtbank in de uitspraak van 18 oktober 2007 onder 3.1 vastgesteld dat de waarde van de verkrijgingen, noch het daarover verschuldigde recht van successie, als zodanig in geschil waren. Hierover kon derhalve geen misverstand verstaan. Het totaal van het verschuldigde recht van successie zoals vastgesteld in de brief van 2 februari 2004 is met de uitspraak van de rechtbank niet gewijzigd. Wat gewijzigd is door de uitspraak van de rechtbank, is het bedrag van de terstond invorderbare belasting. Daarmee is ook het bedrag van het successierecht dat onder de voorwaardelijke invorderingsvrijstelling valt, welk bedrag immers het bedrag is wat overblijft na aftrek van de terstond invorderbare belasting van het totaal verschuldigde recht van successie, gewijzigd. 29. Ook de stelling van eiser dat sprake is van schending van artikel 7, vierde lid (oud), van de NSW en artikel 4:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), slaagt gelet op het voorgaande niet. Thans is in geschil de met dagtekening 11 april 2022 aan eiser opgelegde aanslag erfbelasting en niet de met dagtekening 16 maart 2004 opgelegde aanslag in het recht van successie. Tussen partijen is niet in geschil dat het belastbare feit van artikel 8 respectievelijk 8a van de NSW zich heeft voorgedaan als gevolg van schending van de instandhoudingseis respectievelijk bezitseis. In overeenstemming met deze bepalingen heeft verweerder vervolgens binnen de aanslagtermijn van artikel 11 van de Awr de (alsnog) in te vorderen erfbelasting bij de aanslag vastgesteld. Vertrouwensbeginsel 30. Eiser stelt zich op het standpunt dat de in de verminderingsbeschikking genoemde bedragen aan totale successierechten en terstond invorderbare successierechten juist waren, en dat er geen latere invorderingsmaatregelen zouden volgen. 31. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel (en het rechtzekerheidsbeginsel) reeds omdat vereist is dat eiser naar aanleiding van een inlichting van verweerder een handeling heeft verricht of nagelaten, waarvan geen sprake is. Voorts betoogt verweerder dat eiser een beroep heeft gedaan op een voorwaardelijke vrijstelling, hetgeen meebrengt dat men zich committeert aan de voorwaarden en, bij het niet voldoen aan de voorwaarden, met de daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen. 32. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen valt niet in te zien dat en hoe met de verminderingsbeschikking van 24 maart 2009 het vertrouwen zou zijn gewekt dat er verder geen invordering zou plaatsvinden. Het bedrag van de totaal verschuldigde belasting, waaronder de voorwaardelijk buiten invordering gestelde belasting, stond immers ook na de verminderingsbeschikking vast op grond van de aanslag van 16 maart 2004. Onjuistheden waardering landgoederen en incorrecte berekening belasting 33. Volgens eiser is de waardering van de landgoederen ten behoeve van de aanslagoplegging onjuist geweest en is de belasting incorrect berekend. 34. Verweerder stelt dat er in de bezwaarfase een minnelijke taxatie heeft plaatsgevonden en dat bij uitspraak op bezwaar de aanslag is verminderd. De aanslag is bij uitspraak op bezwaar juist berekend. 34. De rechtbank oordeelt als volgt. Nu tussen partijen de bedragen van de nader in te vorderen erfbelasting zoals die in de uitspraak op bezwaar zijn vastgesteld, niet in geschil zijn, kan deze beroepsgrond niet leiden tot vermindering of vernietiging van de aanslag. Hetzelfde geldt voor de stelling van eiser dat verweerder geen gegevens heeft opgevraagd bij eiser voorafgaand aan de aanslagoplegging. Nu in bezwaar een minnelijke taxatie heeft plaatsgevonden en de in bezwaar vastgestelde bedragen niet tussen partijen in geschil zijn, heeft deze stelling geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid of de hoogte van de aanslag. Schending Unierechtelijk verdedigingsbeginsel 36. Volgens eiser heeft bij de aanslagoplegging schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel ex artikel 17 jo.
Volledig
een overlijden) als zodanig in stand moet worden gehouden (de instandhoudingseis). De buiten invordering gebleven belasting wordt alsnog geheel (of gedeeltelijk) ingevorderd, wanneer het landgoed (of een gedeelte daarvan) niet gedurende de periode van 25 jaar als landgoed in stand is gehouden. Ingevolge het vijfde lid van deze bepaling wordt het bedrag van de in te vorderen belasting met overeenkomstige toepassing van artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) bij aanslag vastgesteld. 22. Uit artikel 8a van de NSW volgt dat een gedeelte van de buiten invordering gebleven belasting alsnog wordt ingevorderd, indien de verkrijger het landgoed of een gedeelte daarvan binnen 25 jaar na het overlijden of de schenking overdraagt of daar een recht van vruchtgebruik of erfpacht op vestigt (de bezitseis). Ingevolge het achtste lid van deze bepaling wordt ook in dit geval het bedrag van de in te vorderen belasting met overeenkomstige toepassing van artikel 11 van de Awr bij aanslag vastgesteld. 23. Wordt gedurende de periode van 25 jaar voldaan aan de instandhoudingseis en de bezitseis, dan blijft invordering definitief achterwege. 24. In artikel 9 van de NSW is bepaald dat op de ingevolge de artikelen 7, 8 en 8a aan te geven waarden en op te leggen aanslagen de wettelijke bepalingen inzake de schenk- en erfbelasting en de bepalingen van de Awr zoveel mogelijk van toepassing zijn. 25. In artikel 11, derde lid, van de Awr is bepaald dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Grond voor invordering 26. Eiser stelt zich op het standpunt dat voor de bepaling van de totale hoogte van de erfbelasting, de terstond invorderbare bedragen aan erfbelasting en de onder voorwaarden buiten invordering gestelde erfbelasting, de verminderingsbeschikking van 24 maart 2009 het enige in stand gebleven besluit is. De uitspraak van de rechtbank van 18 oktober 2007 zoals die is bevestigd door het gerechtshof op 19 december 2008 brengt volgens eiser met zich mee dat de aanslag van 16 maart 2004 (gedeeltelijk) is vernietigd en dat verweerder een (nieuw) besluit diende te nemen, hetgeen is gebeurd bij de verminderingsbeschikking. In de verminderingsbeschikking is volgens eiser het totale bedrag aan verschuldigde erfbelasting vastgesteld op € 20.633. Dit brengt mee, aldus eiser, dat de grond voor verdere aanslagoplegging zoals gebeurd bij de aanslag van 11 april 2022, ontbreekt. 27. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitspraak van de rechtbank van 18 oktober 2007 er niet toe heeft geleid dat de aanslag van 16 maart 2004 (gedeeltelijk) is vernietigd, maar dat het bedrag van het terstond invorderbaar deel van de definitieve aanslag tot een lager bedrag is vastgesteld. Het verschil betreft de toepassing van de NSW-vrijstelling over het kort voor overlijden van erflaatster aangekochte deel in landgoed [landgoed 2] . Daarbij merkt verweerder op dat het bedrag van € 99.199 dat onder voorwaarden van in stand en in bezit houden buiten invordering is gesteld, niet meer opnieuw aan eiser kenbaar is gemaakt. Dit is echter geen vereiste van artikel 7, (thans) vijfde lid, van de NSW, aldus verweerder, maar een gevolg van het feit dat de rechtbank expliciet heeft overwogen dat de waarde van de verkrijgingen evenals het verschuldigde recht van successie als zodanig niet in geschil zijn. 27. De rechtbank overweegt als volgt. Het geschil dat heeft geleid tot de uitspraak van 18 oktober 2007 zag op de met dagtekening 16 maart 2004 opgelegde aanslagen in het recht van successie en ging over de hoogte van de terstond invorderbare belasting. In die uitspraak heeft de rechtbank de beroepen gegrond verklaard en de terstond invorderbare bedragen in de opgelegde aanslagen successierecht verminderd overeenkomstig het onder 4.6 van de uitspraak bepaalde (zie hiervoor onder 6). De rechtbank heeft de aanslagen van 16 maart 2004 niet vernietigd en verweerder niet opgedragen om een nieuw besluit te nemen. Bovendien heeft de rechtbank in de uitspraak van 18 oktober 2007 onder 3.1 vastgesteld dat de waarde van de verkrijgingen, noch het daarover verschuldigde recht van successie, als zodanig in geschil waren. Hierover kon derhalve geen misverstand verstaan. Het totaal van het verschuldigde recht van successie zoals vastgesteld in de brief van 2 februari 2004 is met de uitspraak van de rechtbank niet gewijzigd. Wat gewijzigd is door de uitspraak van de rechtbank, is het bedrag van de terstond invorderbare belasting. Daarmee is ook het bedrag van het successierecht dat onder de voorwaardelijke invorderingsvrijstelling valt, welk bedrag immers het bedrag is wat overblijft na aftrek van de terstond invorderbare belasting van het totaal verschuldigde recht van successie, gewijzigd. 29. Ook de stelling van eiser dat sprake is van schending van artikel 7, vierde lid (oud), van de NSW en artikel 4:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), slaagt gelet op het voorgaande niet. Thans is in geschil de met dagtekening 11 april 2022 aan eiser opgelegde aanslag erfbelasting en niet de met dagtekening 16 maart 2004 opgelegde aanslag in het recht van successie. Tussen partijen is niet in geschil dat het belastbare feit van artikel 8 respectievelijk 8a van de NSW zich heeft voorgedaan als gevolg van schending van de instandhoudingseis respectievelijk bezitseis. In overeenstemming met deze bepalingen heeft verweerder vervolgens binnen de aanslagtermijn van artikel 11 van de Awr de (alsnog) in te vorderen erfbelasting bij de aanslag vastgesteld. Vertrouwensbeginsel 30. Eiser stelt zich op het standpunt dat de in de verminderingsbeschikking genoemde bedragen aan totale successierechten en terstond invorderbare successierechten juist waren, en dat er geen latere invorderingsmaatregelen zouden volgen. 31. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel (en het rechtzekerheidsbeginsel) reeds omdat vereist is dat eiser naar aanleiding van een inlichting van verweerder een handeling heeft verricht of nagelaten, waarvan geen sprake is. Voorts betoogt verweerder dat eiser een beroep heeft gedaan op een voorwaardelijke vrijstelling, hetgeen meebrengt dat men zich committeert aan de voorwaarden en, bij het niet voldoen aan de voorwaarden, met de daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen. 32. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen valt niet in te zien dat en hoe met de verminderingsbeschikking van 24 maart 2009 het vertrouwen zou zijn gewekt dat er verder geen invordering zou plaatsvinden. Het bedrag van de totaal verschuldigde belasting, waaronder de voorwaardelijk buiten invordering gestelde belasting, stond immers ook na de verminderingsbeschikking vast op grond van de aanslag van 16 maart 2004. Onjuistheden waardering landgoederen en incorrecte berekening belasting 33. Volgens eiser is de waardering van de landgoederen ten behoeve van de aanslagoplegging onjuist geweest en is de belasting incorrect berekend. 34. Verweerder stelt dat er in de bezwaarfase een minnelijke taxatie heeft plaatsgevonden en dat bij uitspraak op bezwaar de aanslag is verminderd. De aanslag is bij uitspraak op bezwaar juist berekend. 34. De rechtbank oordeelt als volgt. Nu tussen partijen de bedragen van de nader in te vorderen erfbelasting zoals die in de uitspraak op bezwaar zijn vastgesteld, niet in geschil zijn, kan deze beroepsgrond niet leiden tot vermindering of vernietiging van de aanslag. Hetzelfde geldt voor de stelling van eiser dat verweerder geen gegevens heeft opgevraagd bij eiser voorafgaand aan de aanslagoplegging. Nu in bezwaar een minnelijke taxatie heeft plaatsgevonden en de in bezwaar vastgestelde bedragen niet tussen partijen in geschil zijn, heeft deze stelling geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid of de hoogte van de aanslag. Schending Unierechtelijk verdedigingsbeginsel 36. Volgens eiser heeft bij de aanslagoplegging schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel ex artikel 17 jo.
Volledig
artikel 41 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) plaatsgevonden. Er heeft geen overleg met eiser plaatsgevonden voordat de aanslag van 11 april 2022 is opgelegd. De schending van deze processuele waarborg moet tot vernietiging van de aanslag leiden, zo stelt eiser. Overleg zou immers hebben geleid tot het achterwege blijven van een aanslag dan wel tot een aanslag naar een aanzienlijk lager bedrag. 37. Volgens verweerder is de werking van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel beperkt tot besluiten die binnen het toepassingsgebied van het Unierecht vallen. De erfbelasting valt niet binnen het toepassingsgebied van het Unierecht en dit beginsel kan derhalve niet zijn geschonden. 38. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat geen sprake is van schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel nu de erfbelasting niet binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Schending artikelen 7:11 en 10:3 Awb 39. Nadat eiser bezwaar had gemaakt tegen de aanslag is een voornemen tot het doen van uitspraak op bezwaar ontvangen van dezelfde ambtenaar die de aanslag heeft opgelegd. De behandeling is vervolgens overgedragen aan een andere ambtenaar. Deze ambtenaar is evenwel volgens eiser eveneens betrokken geweest bij de aanslagoplegging, nu deze ambtenaar degene was die de melding van de vermeende schending van de bezitseis heeft ontvangen. 40. Verweerder stelt dat de uiteindelijke behandelaar van het bezwaar slechts aanspreekpunt is tussen de afdeling Natuurschoonwet en de afdeling Schenk- en Erfbelasting, en als zodanig de verdeling van signalen binnen de afdeling Schenk- en Erfbelasting verzorgt. Het feit dat hij de melding van de vermeende schending van de bezitseis heeft ontvangen, leidt er niet toe dat deze ambtenaar betrokken is geweest bij de aanslagoplegging. 41. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de toelichting van verweerder, aannemelijk is dat de bezwaarbehandelaar, die weliswaar de melding van de vermeende schending van de bezitseis heeft ontvangen, niet de ambtenaar is die de aanslag heeft opgelegd. Van schending van de artikelen 7:11 en 10:3 van de Awb is derhalve geen sprake. Schending zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel en beginsel van fairplay 42. Eiser stelt zich op het standpunt dat de aanslag en de uitspraak op bezwaar in strijd zijn met het formele zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Voorts is bij de oplegging van de aanslag in strijd gehandeld met het formele en materiële zorgvuldigheidsbeginsel en met het motiveringsbeginsel. Bovendien is door de rauwelijkse aanslagoplegging zonder daarover van tevoren te worden geïnformeerd, het beginsel van fair play geschonden, aldus eiser. Ter zitting heeft eiser nog toegelicht dat hij de behandeling en bejegening door verweerder als ‘kleingeestig’ en persoonlijk gemaakt heeft ervaren. 43. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting aangegeven dat het proces voorafgaand aan de aanslagoplegging alsmede in de bezwaarfase niet geheel vlekkeloos is verlopen en heeft daarvoor excuses aangeboden. Verweerder stelt zich evenwel op het standpunt dat de geconstateerde onzorgvuldigheden door de onderhavige rechtsgang worden en zijn hersteld. 44. De rechtbank geeft eiser na dat zich bij de aanslagoplegging en de behandeling van het bezwaar onvolkomenheden hebben voorgedaan. Zo heeft verweerder inderdaad pas zeer kort van tevoren aangekondigd de aanslag op te gaan leggen, was de oorspronkelijke aanslag veel te hoog en is het bezwaar in eerste instantie in behandeling genomen door de ambtenaar die ook de aanslag had opgelegd. Deze en andere onregelmatigheden zijn evenwel voor zover mogelijk, mede als gevolg van de in de bezwaarfase uitgevoerde minnelijke taxatie op basis waarvan de aanslag is verminderd, in de bezwaarfase hersteld. Bij de uitspraak op bezwaar is de aanslag correct en naar het juiste bedrag vastgesteld. Van schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Conclusie aanslag 45. Uit het voorgaande volgt dat de aan eiser opgelegde aanslag erfbelasting terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Invorderingsrente 46. Nu de aanslag in stand blijft is daarin geen reden voor vermindering van de invorderingsrente gelegen. Voor zover eiser betoogt dat bij de aanslag geen betalingstermijn en hoogte van de betalingsverplichting is vastgesteld waardoor er sprake is van strijd met artikel 4:86 van de Awb en zodoende er sprake is van een verschoonbaar verzuim ten aanzien van zijn betalingsverplichting, oordeelt de rechtbank als volgt. In de aanslag van 11 april 2022 die thans voorligt is zowel de hoogte van de verschuldigde belasting als de betalingstermijn vastgesteld. Dit betekent dat de invorderingsrente terecht in rekening is gebracht. Slotsom 47. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Verzoek om schadevergoeding artikel 8:73 Awb 48. De rechtbank wijst het op de voet van artikel 8:73 van de Awb door eiser gedane verzoek om vergoeding van door hem geleden immateriële schade af, nu deze bepaling slechts voorziet in een veroordeling tot vergoeding van geleden schade bij gegrondverklaring van het beroep. Proceskosten 49. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. J. Snitker, leden, in aanwezigheid van mr. T. van Opzeeland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer). U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Volledig
artikel 41 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) plaatsgevonden. Er heeft geen overleg met eiser plaatsgevonden voordat de aanslag van 11 april 2022 is opgelegd. De schending van deze processuele waarborg moet tot vernietiging van de aanslag leiden, zo stelt eiser. Overleg zou immers hebben geleid tot het achterwege blijven van een aanslag dan wel tot een aanslag naar een aanzienlijk lager bedrag. 37. Volgens verweerder is de werking van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel beperkt tot besluiten die binnen het toepassingsgebied van het Unierecht vallen. De erfbelasting valt niet binnen het toepassingsgebied van het Unierecht en dit beginsel kan derhalve niet zijn geschonden. 38. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat geen sprake is van schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel nu de erfbelasting niet binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Schending artikelen 7:11 en 10:3 Awb 39. Nadat eiser bezwaar had gemaakt tegen de aanslag is een voornemen tot het doen van uitspraak op bezwaar ontvangen van dezelfde ambtenaar die de aanslag heeft opgelegd. De behandeling is vervolgens overgedragen aan een andere ambtenaar. Deze ambtenaar is evenwel volgens eiser eveneens betrokken geweest bij de aanslagoplegging, nu deze ambtenaar degene was die de melding van de vermeende schending van de bezitseis heeft ontvangen. 40. Verweerder stelt dat de uiteindelijke behandelaar van het bezwaar slechts aanspreekpunt is tussen de afdeling Natuurschoonwet en de afdeling Schenk- en Erfbelasting, en als zodanig de verdeling van signalen binnen de afdeling Schenk- en Erfbelasting verzorgt. Het feit dat hij de melding van de vermeende schending van de bezitseis heeft ontvangen, leidt er niet toe dat deze ambtenaar betrokken is geweest bij de aanslagoplegging. 41. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de toelichting van verweerder, aannemelijk is dat de bezwaarbehandelaar, die weliswaar de melding van de vermeende schending van de bezitseis heeft ontvangen, niet de ambtenaar is die de aanslag heeft opgelegd. Van schending van de artikelen 7:11 en 10:3 van de Awb is derhalve geen sprake. Schending zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel en beginsel van fairplay 42. Eiser stelt zich op het standpunt dat de aanslag en de uitspraak op bezwaar in strijd zijn met het formele zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Voorts is bij de oplegging van de aanslag in strijd gehandeld met het formele en materiële zorgvuldigheidsbeginsel en met het motiveringsbeginsel. Bovendien is door de rauwelijkse aanslagoplegging zonder daarover van tevoren te worden geïnformeerd, het beginsel van fair play geschonden, aldus eiser. Ter zitting heeft eiser nog toegelicht dat hij de behandeling en bejegening door verweerder als ‘kleingeestig’ en persoonlijk gemaakt heeft ervaren. 43. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting aangegeven dat het proces voorafgaand aan de aanslagoplegging alsmede in de bezwaarfase niet geheel vlekkeloos is verlopen en heeft daarvoor excuses aangeboden. Verweerder stelt zich evenwel op het standpunt dat de geconstateerde onzorgvuldigheden door de onderhavige rechtsgang worden en zijn hersteld. 44. De rechtbank geeft eiser na dat zich bij de aanslagoplegging en de behandeling van het bezwaar onvolkomenheden hebben voorgedaan. Zo heeft verweerder inderdaad pas zeer kort van tevoren aangekondigd de aanslag op te gaan leggen, was de oorspronkelijke aanslag veel te hoog en is het bezwaar in eerste instantie in behandeling genomen door de ambtenaar die ook de aanslag had opgelegd. Deze en andere onregelmatigheden zijn evenwel voor zover mogelijk, mede als gevolg van de in de bezwaarfase uitgevoerde minnelijke taxatie op basis waarvan de aanslag is verminderd, in de bezwaarfase hersteld. Bij de uitspraak op bezwaar is de aanslag correct en naar het juiste bedrag vastgesteld. Van schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Conclusie aanslag 45. Uit het voorgaande volgt dat de aan eiser opgelegde aanslag erfbelasting terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Invorderingsrente 46. Nu de aanslag in stand blijft is daarin geen reden voor vermindering van de invorderingsrente gelegen. Voor zover eiser betoogt dat bij de aanslag geen betalingstermijn en hoogte van de betalingsverplichting is vastgesteld waardoor er sprake is van strijd met artikel 4:86 van de Awb en zodoende er sprake is van een verschoonbaar verzuim ten aanzien van zijn betalingsverplichting, oordeelt de rechtbank als volgt. In de aanslag van 11 april 2022 die thans voorligt is zowel de hoogte van de verschuldigde belasting als de betalingstermijn vastgesteld. Dit betekent dat de invorderingsrente terecht in rekening is gebracht. Slotsom 47. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Verzoek om schadevergoeding artikel 8:73 Awb 48. De rechtbank wijst het op de voet van artikel 8:73 van de Awb door eiser gedane verzoek om vergoeding van door hem geleden immateriële schade af, nu deze bepaling slechts voorziet in een veroordeling tot vergoeding van geleden schade bij gegrondverklaring van het beroep. Proceskosten 49. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. J. Snitker, leden, in aanwezigheid van mr. T. van Opzeeland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer). U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).