Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-02-26
ECLI:NL:RBNHO:2026:2097
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,056 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:2097 text/xml public 2026-04-03T10:15:39 2026-03-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-02-26 25/1946 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2097 text/html public 2026-04-03T10:14:24 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:2097 Rechtbank Noord-Holland , 26-02-2026 / 25/1946 Reclamebelasting; groene band op de gevel als reclame-uiting; Verordening verbindend; beroep ongegrond. Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/1946 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende en de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan belanghebbende een aanslag reclamebelasting opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2026 te Haarlem. Namens belanghebbende is verschenen drs. [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [naam 2] . Overwegingen Feiten 1. Belanghebbende exploiteert een [speciaalzaak] onder de naam [naam 3] op de [adres] (hierna: het pand). Onder de naam [naam 3] worden meerdere [speciaalzaak] geëxploiteerd in Nederland (hierna ook: de winkelketen). 2. Op de gevel van het pand is een lichtgroene band aangebracht. Op de luifel (het boeideel) bij de ingang van de winkel is eveneens een lichtgroene kleur aangebracht. Verder is het logo van de winkelketen aangebracht op diverse plaatsen op de gevel van het pand in de kleuren blauw, groen en wit. Boven de luifel (boeideel) bij de ingang staat de naam ‘ [naam 3] ’ in staande letters in de kleur groen. Voorts zijn op en rond het pand diverse reclameborden, vlaggen en spandoeken aangebracht waarop onder andere genoemd logo en de naam [naam 3] te zien zijn in de kleuren blauw, groen en wit. 3. Met dagtekening 31 december 2024 is een aanslag reclamebelasting ten bedrage van € 7.500 aan belanghebbende opgelegd voor het hebben van openbare aankondigingen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg, berekend naar een grondslag van tussen de 100 en 200 m² (170,80 m²). In bezwaar zijn de afmetingen aangepast naar 153,02 m². De grondslag is hetzelfde gebleven (tussen de 100 m² en 200 m²), zodat de aanslag in de uitspraak op bezwaar is gehandhaafd. Geschil en standpunten partijen 4.In geschil is of de aanslag reclamebelasting terecht en tot de juiste hoogte aan belanghebbende is opgelegd. Meer specifiek is in geschil de vraag of de oppervlakte van de groene band op de gevel en luifel van het pand terecht in aanmerking zijn genomen bij de berekening van de aanslag reclamebelasting.Ter zitting heeft belanghebbende aangegeven dat de berekening van de in de aanslag in aanmerking genomen oppervlakten op zichzelf bezien niet meer in geschil is. 5. Belanghebbende is het niet eens met aanwijzen van de groene band op de gevel en luifel van het pand als reclameobject. Het betreft enkel een effen groene baan, die niet in de kleuren van het logo van de onderneming is uitgevoerd. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag reclamebelasting. 6. Verweerder stelt dat de aanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 7. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil Juridisch kader 8. In artikel 227 van de Gemeentewet is bepaald dat ter zake van openbare aankondigingen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg, reclamebelasting kan worden geheven. 9. De gemeente [gemeente] heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt en heeft op 23 november 2023 de Verordening reclamebelasting [gemeente] 2024 (hierna: de Verordening) vastgesteld. Met ingang van 1 januari 2024 wordt er in de gemeente [gemeente] belasting geheven ter zake van openbare aankondigingen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg met een oppervlakte van meer dan 25 vierkante meter. In de Verordening is verder – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen: “Artikel 1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. aankondiging: een openbare aankondiging in letters, cijfers, tekens, symbolen, logo’s, vormen, kleuren of een reclamevoorwerp, of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg; b. bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, en welke naar omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen; c. gevel: het gedeelte van een gebouw dat, met uitzondering van het dak, van buitenaf zichtbaar is; d. openbare aankondiging: een aankondiging is openbaar indien het publiek vanaf de openbare weg de aankondiging visueel kan waarnemen; e. weg: weg als bedoeld in artikel 1m eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet. (…) Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. De reclamebelasting wordt geheven naar de oppervlakte van de openbare aankondiging. 2. Het tarief bedraagt per kalenderjaar waarin het belastbaar feit zich voordoet: Voor openbare aankondigingen die zichtbaar zijn van de openbare weg gelden de volgende tarieven voor de opgetelde oppervlakten: • tot 25 m2 – € 0 per m2; • tussen 25 m2 en 50 m2 - € 750 euro; • tussen 50 m2 en 100 m2 - € 2.500 euro; • tussen 100 m2 en 200 m2 - € 7.500 euro; • tussen 200 m2 en 400 m2 - € 15.000 euro; en • groter dan 400 m2 € - 30.000 euro. Artikel 6 Berekening van de oppervlakte van een openbare aankondiging 1. De oppervlakte van een openbare aankondiging wordt bepaald op het product van de grootste lengte vermenigvuldigd met de grootste breedte van de openbare aankondiging. 2. Indien de openbare aankondiging wordt gedaan op een zuil, bord, vlag, (span)doek, poster of soortgelijk aankondigingsvoorwerp, wordt de oppervlakte van de openbare aankondiging bepaald op de oppervlakte van het voorwerp, voor- en achterzijde tezamen, waarop de openbare aankondiging wordt gedaan. Indien het aankondigingsvoorwerp verschillende zijden heeft met openbare aankondigingen, wordt de oppervlakte van iedere zijde afzonderlijk berekend. 3. Indien het voorwerp niet rechthoekig is, wordt de oppervlakte van het voorwerp bepaald door de lengte of de hoogte en de breedte van de denkbeeldige rechthoek die het voorwerp omsluit. 4. Indien de openbare aankondiging bestaat in het aankondigingsvoorwerp zelf, wordt de oppervlakte van de openbare aankondiging bepaald op de oppervlakte van het voorwerp. Indien het voorwerp niet rechthoekig is, wordt de oppervlakte van het aankondigingsvoorwerp bepaald door de lengte of de hoogte en de breedte van de denkbeeldige rechthoek die het voorwerp omsluit. Indien het aankondigingsvoorwerp geen zijden heeft, wordt de in de vorige zin berekende oppervlakte vermenigvuldigd met 2. 5. Conform de systematiek van artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken worden voor de toepassing van dit artikel openbare aankondigingen die bij één gebouw of gedeelte daarvan behoren, aangemerkt als één openbare aankondiging. Indien meerdere gebouwen of gedeelten daarvan naast elkaar zijn gelegen en tezamen worden gebruikt door één belastingplichtige, worden de openbare aankondigingen die bij deze bouwwerken of gedeelten daarvan behoren voor de toepassing van dit artikel aangemerkt als één openbare aankondiging.” Openbare aankondiging 10. De rechtbank stelt vast dat op de gevel van het pand een lichtgroene band en op de luifel (het boeideel) bij de ingang eenzelfde lichtgroene kleur is aangebracht. Belanghebbende stelt dat deze kleur in het verleden deel uitmaakte van de huisstijl van de winkelketen [naam 3] en ook van de onderneming van belanghebbende.
Volledig
Deze kleur was in het verleden dan ook in het logo van belanghebbende verwerkt, maar is thans vervangen door een donkerdere groene kleur in het logo van belanghebbende. Uit de door verweerder overgelegde foto’s maakt de rechtbank op dat andere filialen van de winkelketen [naam 3] deze lichtgroene kleur nog steeds in hun logo hebben verwerkt. Ook is de kleurstelling op de gevels van de panden van de andere filialen van de winkelketen vergelijkbaar met de lichtgroene kleuren op het pand van belanghebbende. 11. De rechtbank overweegt dat de Verordening in artikel 1 een nadere omschrijving geeft van wat onder het begrip ‘openbare aankondiging’ moet worden verstaan, namelijk een openbare aankondiging in letters, cijfers, tekens, symbolen, logo’s, vormen, kleuren of een reclamevoorwerp, of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg (artikel 1 onder a). Een aankondiging is openbaar indien het publiek vanaf de openbare weg de aankondiging visueel kan waarnemen (artikel 1 onder d). Onder de term "openbare aankondigingen" dient te worden verstaan alle tot het publiek gerichte mededelingen welke erop zijn gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor hetgeen wordt aangekondigd (vgl. Gerechtshof Amsterdam, 9 januari 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:203 en HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AX2154). 12. De rechtbank is van oordeel dat de gewraakte lichtgroene kleur een reclame-uiting is van belanghebbende en dat hiermee de aanwezigheid van de winkel en [speciaalzaak] onder de aandacht van het publiek wordt gebracht. Het feit dat de lichtgroene kleur verschilt van de groene kleur op het huidige logo van de onderneming van belanghebbende en de groene kleurstellingen op de reclameborden, vlaggen en spandoeken op en rond het pand verschillen van deze lichtgroene kleur, maakt dit niet anders. Het feit dat de lichtgroene kleur niet meer in het logo van belanghebbende voorkomt en volgens belanghebbende niet meer past in de huisstijl van [speciaalzaak] , brengt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel. Andere filialen van [naam 3] hebben ook nog steeds dezelfde lichtgroene kleur op hun panden en in hun logo, zodat de lichtgroene kleur de associatie met [naam 3] oproept. De lichtgroene kleur is onderscheidend en daarmee typerend voor de filialen van de winkelketen, waaronder de winkel van belanghebbende, en herkenbaar voor het publiek. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de lichtgroengekleurde delen, in combinatie met de andere bedrijfsaanduidingen, een tot het publiek gerichte mededeling vormen, welke erop is gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor hetgeen wordt aangekondigd. De rechtbank concludeert dat aan belanghebbende terecht een aanslag reclamebelasting is opgelegd en dat de lichtgroene delen van het pand van belanghebbende daarbij terecht door verweerder tot de openbare aankondiging zijn gerekend. Bij deze uitkomst is niet in geschil dat verweerder bij het opleggen van de aanslag terecht is uitgegaan van het tarief behorend bij een oppervlakte tussen de 100 en de 200 vierkante meter. Het beroep faalt in zoverre. Verbindendheid van de Verordening 13. Belanghebbende heeft ter zitting naar voren gebracht dat ondernemers onevenredig worden getroffen door de invoering van de reclamebelasting in de gemeente [gemeente] en dat onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat veel bedrijven het moeilijk hebben in deze tijd. Voor zover belanghebbende meent dat de gemeente hiermee buiten haar wettelijke bevoegdheid is getreden, dat het tarief onevenredig hoog is en de Verordening geheel op gedeeltelijk onverbindend dient te worden verklaard, overweegt de rechtbank als volgt. 14. De reclamebelasting heeft een wettelijke basis in de Gemeentewet en is vastgelegd in de door de gemeenteraad goedgekeurde Verordening. Ingevolge het eerste lid van artikel 219 van de Gemeentewet kunnen de gemeenten de belastingen heffen genoemd in de artikelen 220-229 van de Gemeentewet. Ingevolge het bepaalde in artikel 227 van de Gemeentewet, kunnen gemeenten reclamebelasting heffen ter zake van aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg. Volgens het tweede lid van artikel 219 van de Gemeentewet, kunnen de gemeentebelastingen worden geheven naar in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen. Dat laatste is in casu niet het geval. De hoogte van het tarief wordt immers op grond van artikel 5, van de Verordening, bepaald op basis van de oppervlakte van de openbare aankondigingen en niet op basis van winst, inkomen of vermogen van de belastingplichtige. Er hoeft geen verband te bestaan tussen het voordeel dat wordt genoten van de reclame-uitingen en de omvang van de verschuldigde reclamebelasting. 15. De Gemeentewet bevat verder geen specifieke beperkingen voor de heffing van reclamebelasting ook niet met betrekking tot de hoogte van het tarief. De hoogte van het tarief van deze belasting staat op zichzelf dan ook niet aan de belastingrechter ter beoordeling. Dat is slechts anders voor zover de regeling daarover in een gemeentelijke verordening onverbindend is doordat zij in strijd komt met (i) een ieder verbindende bepaling van internationaal recht zoals bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet, (ii) een wet in formele zin, of (iii) een algemeen rechtsbeginsel of ander ongeschreven recht (zie HR 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1178 en HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1385). 16. De rechtbank acht de invoering van de reclamebelasting en de hoogte van het tarief niet in strijd met de onder 15 genoemde rechtsregels. Meer in het bijzonder kan niet worden gezegd dat de invoering van de reclamebelasting naar de genoemde tarieven heeft geleid tot een lastenverzwaring die strijdig is met het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel of dat onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van de door belanghebbende genoemde bedrijven, ook niet indien in aanmerking wordt genomen dat de belasting is ingevoerd om extra inkomsten te genereren voor de gemeente om budgettaire redenen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. 17. Volgens het op de website van de gemeente [gemeente] te vinden raadsvoorstel voor de Verordening reclamebelasting 2024, Raadsvoorstelnummer [#] , behandeld in de collegevergadering van 3 oktober 2023 (het raadsvoorstel is gehecht aan deze uitspraak), is bij de invoering van de reclamebelasting de volgende belangenafweging gemaakt: “Om inkomsten te genereren voeren wij de verordening reclamebelasting in. Met deze verordening dragen we bij aan vergroting van de financiële inkomsten, waarmee wij een gesteld doel uit het financieel beleid realiseren. Het systeem van belastingheffen staat toe om belasting te heffen op openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg. De inkomsten worden toegevoegd aan de algemene middelen. Wel is het dan van belang dat de belasting in de hele gemeente geldt. In de verordening is gekozen voor het belasten van openbare aankondigingen opgeteld per object van 25 m2 en groter. Het tarief is oplopend, dus hoe meer oppervlakte reclame er in totaal is, hoe meer belasting er wordt betaald. Doordat we de grens leggen bij een minimaal reclameoppervlakte van 25 m2 betalen ondernemers met een beperkte oppervlakte aan reclame geen reclamebelasting. Dit zijn veelal de kleinere midden- en kleinbedrijfondernemers in de kernen. Voorts heeft reclame impact op omgevingskwaliteit en hoe groter de uiting hoe meer impact. Voor de belastingheffing sluiten we aan bij de objectafbakening van de Wet waardering onroerende zaken (Woz), waarop de reclame-uitingen zijn bevestigd. We stellen een maximumtarief in. Om het tarief te bepalen en om de belastingplichtigen in beeld te brengen zijn alle grotere openbare aankondigingen geïnventariseerd. Het invoeren van reclamebelasting raakt een aantal ondernemingen met grote openbare aankondigingen direct, waaronder de aanbieders van advertentieruimte op reclamemasten. HIER STAAT EEN AFBEELDING 18.