Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-01-14
ECLI:NL:RBNHO:2026:183
RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: C/15/366275 / HA ZA 25-348 Vonnis van 14 januari 2026 in de zaak van [eiser 1] , te [plaats], eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser 2], advocaat: mr. R. Vane, tegen de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid WONINGBOUWVERENIGING [naam] , te [plaats], gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: de vereniging, advocaat: mr. R. Vos. De zaak in het kort Een lid van een woningbouwvereniging vecht bepaalde besluiten van de algemene ledenvergadering aan, zoals de opheffing van de kascommissie waarvan hij lid was en de goedkeuring van de jaarstukken van 2021, 2022 en 2023. Hij wil als lid van de kascommissie toegang tot de financiële stukken van de vereniging naar aanleiding van fraude door een oud-penningmeester van de vereniging. De vereniging is het daar niet mee eens en betwist de vorderingen. Zij eist als tegenvordering onder meer dat het lid een achterstand aan verhuurdersheffingen betaalt. De rechtbank geeft partijen deels gelijk. Het besluit tot opheffing van de kascommissie en tot goedkeuring van de jaarstukken van 2023 zijn naar het oordeel van de rechtbank nietig; en anderzijds moet het lid de verhuurdersheffingen betalen. De vereniging hoeft niet de door het lid gevorderde informatie aan hem te verstrekken, omdat hij geen lid meer is van de kascommissie. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 26 mei 2025 met elf producties - de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met 27 producties - de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser 2] - het tussenvonnis van 22 oktober 2025 - de akte tot aanvulling antwoord en uitbreiding eis in reconventie, en overlegging dertien aanvullende producties van de vereniging - de mondelinge behandeling van 24 november 2025, waarbij de vereniging spreekaantekeningen heeft overgelegd en [eiser 2] zijn vordering heeft verminderd en waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt. 1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. De vereniging is opgericht op 5 maart 1915 en is werkzaam in het belang van de volkshuisvesting in de gemeente [plaats]. Zij verhuurt daartoe woningen aan haar 68 leden. 2.2. [eiser 2] huurt sinds 1 april 1985 van de vereniging de woning gelegen aan [adres] (hierna: de woning) te [plaats]. 2.3. De vereniging heeft op 12 september 2002 haar statuten gewijzigd. In de statuten staat, voor zover relevant, het volgende: “ Artikel 8 (…) 2. Ieder lid is jaarlijks een bedrag verschuldigd, welk bedrag wordt vastgesteld door de algemene vergadering.(…) Artikel 16 (…) 4. Indien geen schriftelijke bijeenroeping van de algemene vergadering plaatsvond, kan de algemene vergadering niettemin rechtsgeldige besluiten nemen, mits ten minste een zodanig aantal stemgerechtigden ter vergadering aanwezig is als is gerechtigd tot het uitbrengen van de helft van het aantal stemmen dat in een voltallige vergadering kan worden uitgebracht en geen van hen, noch het bestuur, zich tegen besluitvorming verzet. (…) Het bepaalde in de eerste zin van dit lid is van overeenkomstige toepassing op besluitvorming door de algemene vergadering inzake onderwerpen die niet op de agenda werden vermeld. ” 2.4. De algemene ledenvergadering (hierna: ALV) heeft op 4 juni 2014 het volgende besloten: “ Voor 2015 vraagt het bestuur van de vergadering mandaat om de huurverhoging vast te stellen. In verband met de ingestelde verhuurderheffing van regeringswege wordt deze vastgesteld op niet hoger dan de inflatie + 1%. De vergadering gaat hiermee akkoord en de verhoging zal voor 1 mei 2015 aan de leden bekend worden gemaakt. ” 2.5. In 2017 heeft de toenmalige penningmeester van de vereniging een bedrag van € 596.230,00 van de vereniging naar zijn eigen bankrekening overgemaakt. Het gehele bedrag is voor de vereniging verloren gegaan. 2.6. De vereniging heeft op 13 maart 2018 aangifte te Hij schrijft dat de kascommissie door het bestuur niet in staat wordt gesteld haar taak uit te voeren omdat het bestuur in strijd met de statuten weigert de gevraagde inlichtingen te verstrekken. 2.18. De ALV van 4 oktober 2023 heeft besloten om de kascommissie op te heffen na goedkeuring van de jaarstukken van 2021 en 2022. Er waren bij de ALV 29 leden aanwezig met twee machtigingen, voor een totaal aantal stemmen van 31. [eiser 2] was niet aanwezig. In de notulen staat, voor zover relevant, het volgende: “ De jaarrekeningen van 2021 en 2022 zijn goedgekeurd (…) Stemming: Stoppen met de kascommissie voor nu: 1 blanco en de rest is voor. (3.7.1) met als aanvulling dat mocht het huidige interim-bestuur of een volgend bestuur weer een kascommissie willen vormen, dit altijd mogelijk blijft en door middel van stemming kan worden voorgelegd aan de ALV. ” De jaarrekening van 2021 is opgesteld door het administratiekantoor [bedrijf 1]. Het accountantskantoor [bedrijf 2] Accountants & Beslastingadviseurs heeft de jaarrekening van 2022 samengesteld. Bij beide jaarrekeningen staat dat deze op grond van een samenstellingsopdracht zijn opgemaakt en dat het bestuur verantwoordelijk is voor de juistheid van de informatie en dat het alle relevante informatie heeft aangeleverd. 2.19. Het bestuur heeft per e-mail van 5 oktober 2023 [eiser 2] en zijn zoon geïnformeerd dat op het bericht van [eiser 2] van 4 oktober 2023 geen reactie meer zal komen omdat bij vergaderbesluit van 4 oktober is besloten om zonder een kascommissie verder te gaan. 2.20. De vereniging heeft [eiser 2] en zijn echtgenote op 20 maart 2024 in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank omdat zij geen medewerking verleenden aan inspectie van geiser(s) en/of elektrische boiler en/of de elektrische installatie in de woning; ook waren enkele andere vorderingen aan de orde. Partijen zijn ter zitting tot een schikking gekomen. 2.21. De ALV heeft op de ledenvergadering van 16 april 2024 de jaarstukken van 2023 goedgekeurd. [eiser 2] was daarbij niet aanwezig. De notulen van deze ALV heeft hij op 29 mei 2024 ontvangen. 2.22. De vereniging heeft vervolgens [eiser 2] en zijn echtgenote wederom in kort geding gedagvaard vanwege niet dan wel onvoldoende medewerking door [eiser 2] aan de hiervoor genoemde inspectie. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis in kort geding van 30 juli 2024 [eiser 2] en zijn echtgenote veroordeeld tot medewerking aan de inspectie. 2.23. Tijdens de ALV van 15 oktober 2024 is met algemene stemmen besloten om de lidmaatschapsbijdrage van leden te verhogen. De nieuwe bijdrage verhuurdersheffing voor [eiser 2] bedraagt € 23,64. 2.24. De advocaat van [eiser 2] heeft op 26 februari 2025 een brief naar de vereniging gestuurd. Hierin heeft hij gesteld dat de besluiten tot opheffing van de kascommissie en tot goedkeuring van de jaarrekeningen over de boekjaren 2021, 2022 en 2023 nietig zijn. [eiser 2] heeft het bestuur gevraagd uiterlijk 15 maart 2025 te bevestigen dat zij onderkent dat deze besluiten nietig zijn en dat zij dit tijdens de aankomende ALV ook aan de leden zal mededelen. Verder heeft hij het bestuur gevraagd de kascommissie alsnog in staat te stellen haar taken uit te voeren. 2.25. Op de ALV van 25 juni 2025 is het besluit van de ALV van 4 oktober 2023 om de kascommissie te ontslaan, bevestigd. 2.26. De vereniging heeft op 11 juli 2025 aan [eiser 2] een e-mail gestuurd waarin zij schrijft dat [eiser 2] sinds augustus 2023 weigert om het volledige bedrag te betalen dat hij aan de vereniging verschuldigd is. Zijn totale betalingsachterstand bedraagt per die datum € 572,53. De vereniging stelt [eiser 2] voor de laatste maal in de gelegenheid om uiterlijk 26 juli 2025 het volledige achterstallige bedrag over te maken en schriftelijk te bevestigen dat [eiser 2] vanaf september 2025 het juiste maandbedrag van € 483,57 tijdig en volledig zal voldoen. [eiser 2] heeft die achterstand niet ingelopen. 3 Het geschil In conventie 3.1. [ei Hij heeft verder volgens de vereniging geen belang bij zijn vorderingen tot inzage in de stukken, omdat het voor [eiser 2] alleen maar gaat om de oud-penningmeester. De kascommissie heeft bovendien feitelijk opgehouden te bestaan. Het andere lid van de commissie heeft zich al eerder aan zijn taken onttrokken. De kascommissie had toegang tot de cijfers van 2021 en 2022. Zij had de ALV kunnen rapporteren over de getrouwheid van de cijfers, maar liet dit na. Daarnaast heeft zij geen gehoor gegeven aan de wens van de ALV om naar het accountantskantoor te stappen, samen met de penningmeester. Onjuist is ook de conclusie van [eiser 2] dat het opheffingsbesluit inzake de kascommissie van 4 oktober 2023 in strijd is met artikel 16 lid 4 van de statuten. Het was duidelijk waarop het onderwerp “kascommissie” sloeg, gelet op de langdurige discussie over de taakinvulling van de kascommissie. Hoewel de jaarrekening van 2021 niet is gecontroleerd door een accountant, geldt ook daarvoor dat het [eiser 2] alleen maar te doen is om de gang van zaken rond de oud-penningmeester te onderzoeken. Daar komt nog bij dat uit artikel 2:396 BW voortvloeit dat kleine rechtspersonen vrijgesteld zijn van verplicht onderzoek door een registeraccountant. De vereniging voldoet niet aan de criteria voor middelgrote rechtspersonen. 3.4. De rechtbank zal op de stellingen van partijen hierna, voor zover nodig, nader ingaan. In reconventie 3.5. De vereniging vordert – na vermeerdering van eis – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad [eiser 2] veroordeelt tot betaling aan de vereniging van € 572,53, vermeerderd met rente vanaf 30 juli 2025 tot aan de algehele betaling en beveelt bij de (girale) betaling aan de vereniging van de lidmaatschapsbijdrage die betaling als zodanig te omschrijven althans niet van een afwijkende omschrijving te voorzien, en die betaling te combineren met de betaling van de huur, met veroordeling van [eiser 2] in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.6. De vereniging legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. [eiser 2] is verplicht de verhuurdersheffing te betalen op grond van artikel 8 lid 2 van de (oude) statuten. Bij de ALV van 4 juni 2014 is besloten tot de betalingsverplichting per 1 juli 2015. Volgens de rechtspraak is het verhogen van bijdragen/heffingen van leden naast de huur mogelijk. De algemene ledenvergadering heeft over de relevante jaren waarin van de verhuurdersheffing voor de vereniging sprake was, over de bijdrage van de leden beslist. Van die besluiten is niet de nietigheid gevorderd noch gesteld. [eiser 2] heeft, als enige van alle leden de verhuurdersheffing onbetaald gelaten, in totaal vanaf augustus 2023 een bedrag van € 572,53. Het verweer van [eiser 2] over de gebreken aan de woning gaat niet op omdat [eiser 2] de verplichting tot betaling van de bijdrage niet heeft als huurder maar als lid van de vereniging. Daarnaast heeft de vereniging de huren altijd laag gehouden en binnen de daarvoor geldende verhogingspercentages verhoogd. [eiser 2] moet verder stoppen met de onjuiste betalingsomschrijvingen van de lidmaatschapsbijdrage en moet deze bijdrage samen met de huur betalen op grond van goed huurderschap (artikel 7:213 BW). Daarvoor is het opleggen van een dwangsom nodig. 3.7. [eiser 2] betwist de vordering. Hij acht zich niet verplicht enig aanvullend bedrag aan de vereniging te voldoen. Bovendien heeft het bestuur van de vereniging bij het bepalen van het bedrag dat haar leden verschuldigd zouden zijn in verband met de verhuurdersheffing bij herhaling fouten gemaakt. Zo heeft zij in het verleden gemeend die heffing als onderdeel van de huurprijs door te mogen belasten en dus onderhevig te maken aan een jaarlijkse huurindexering. 4 De beoordeling In conventie De besluiten van de ALV 4.1. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van de ALV van de vereniging van 4 oktober 2023 om de kascommissie op te heffen en het besluit van 16 april 2024 om de jaarstukken van De ALV heeft er geen probleem van gemaakt dat de kascommissie geen verslag van haar bevindingen heeft uitgebracht; zij was kennelijk voldoende voorgelicht om de jaarstukken goed te keuren, mede in aanmerking genomen de stukken die onder alle leden verspreid waren, waaronder de vso. De conclusie is dat de vorderingen van [eiser 2] inzake de jaarstukken van 2021 en 2022 niet toewijsbaar zijn. Het besluit tot goedkeuring van de jaarstukken van 2023 is nietig 4.6. Het tijdens de ALV van 16 april 2024 genomen besluit tot goedkeuring van de jaarstukken van 2023 is nietig, omdat dit wel is genomen in strijd met artikel 2:48 BW. Er is namelijk geen raad van commissarissen, geen accountantsverklaring als bedoeld in artikel 2:393 BW en evenmin was er een kascommissie – ondanks het feit dat het besluit tot opheffing van de kascommissie nietig zal worden verklaard. Een kascommissie moet immers jaarlijks – telkens opnieuw – worden benoemd door de ALV, en dat was in dat jaar niet opnieuw gebeurd. Het besluit tot goedkeuring van de jaarstukken 2023 door de ALV is genomen ondanks het ontbreken van de door de wet voorgeschreven voorafgaande handeling – het onderzoek van de stukken – door de kascommissie en is daarom gelet op artikel 2:14 BW nietig. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht toewijzen. De vordering tot het verstrekken van stukken en informatie is niet toewijsbaar 4.7. De rechtbank zal de vordering II van [eiser 2] afwijzen. [eiser 2] is niet opnieuw benoemd tot lid van de kascommissie. [eiser 2] is wel nog lid van de vereniging. In die hoedanigheid heeft hij echter geen recht op de stukken onder b genoemd. De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen compenseren 4.8. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zal de rechtbank de proceskosten tussen hen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. In reconventie 4.9. De vereniging wil dat [eiser 2] zijn achterstand aan bijdragen aan de verhuurdersheffing betaalt en dat de rechtbank hem beveelt om zijn huur, lidmaatschapsbijdrage en verhuurdersheffing in één keer te betalen met de juiste betalingsomschrijving, op straffe van een dwangsom. 4.10. De rechtbank zal de vordering van de vereniging tot betaling van de achterstand aan verhuurdersheffing toewijzen, omdat [eiser 2] als lid van de vereniging verplicht is deze te betalen. Op grond van de statuten zijn leden een financiële bijdrage aan de vereniging verschuldigd. De ALV stelt de hoogte daarvan vast. Tot het doorberekenen van de verhuurdersheffing als onderdeel van de verplichte bijdrage is voor het eerst bij de ALV van 4 juni 2014 besloten. Dit besluit en de daarop volgende besluiten over de verhuurdersheffing zijn niet aangevochten. 4.11. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag toewijzen zoals vermeld in de beslissing, omdat [eiser 2] deze niet heeft betwist. 4.12. De rechtbank gaat bij haar toewijzing ervan uit dat [eiser 2] zal letten op de omschrijving van de betalingen van de lidmaatschapsbijdrage en deze samen met de verschuldigde huur en verhuurdersheffing in één keer zal betalen. Op de mondelinge behandeling heeft de vereniging naar voren gebracht dat het haar veel werk kost om de betalingen van [eiser 2] bij te houden. [eiser 2] heeft tijdens de zitting de toezegging gedaan aan een mogelijke veroordeling tot betaling van de heffing te voldoen waardoor het opleggen van een dwangsom niet nodig is. Aan de betalingsomschrijving kunnen geen rechtens afdwingbare eisen worden gesteld; dat deel van de vordering zal worden afgewezen. [eiser 2] moet de proceskosten in reconventie betalen 4.13. [eiser 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De rechtbank begroot de proceskosten van de vereniging op: - salaris advocaat € 521,00 (2 punten × 0,5 × € 521,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal