Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-02-24
ECLI:NL:RBNHO:2026:1806
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,973 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:1806 text/xml public 2026-04-16T10:03:56 2026-02-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-02-24 15/161113-23 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Haarlem Strafrecht Rechtspraak.nl NJFS 2026/94 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:1806 text/html public 2026-02-24T14:13:05 2026-02-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:1806 Rechtbank Noord-Holland , 24-02-2026 / 15/161113-23 Schending van het ne bis in idem-beginsel. Het Openbaar Ministerie zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/161113-23 Uitspraakdatum: 24 februari 2026 Tegenspraak (artikel 279 Sv) Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 februari 2026 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres]. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.J. van Aert, en van hetgeen de raadsman van de verdachte, mr. P.J. Stronks, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 1 Tenlastelegging De verdachte wordt, verkort en zakelijk weergegeven, verweten dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het volgende feit: mensenhandel al dan niet in vereniging met betrekking tot [benadeelde] in de periode van 24 mei 2022 tot en met 5 juni 2022 te Schiphol en/of Nederland en/of Curaçao. De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit. 2 Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 2.1. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie 2.1.1. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, omdat de vervolging in strijd is met het ne bis in idem-beginsel (artikel 68 van het Wetboek van strafrecht (Sr)). De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte op 6 maart 2023 door deze rechtbank onherroepelijk is veroordeeld voor het medeplegen van de uitvoer van cocaïne naar IJsland, waarbij de koerier een minderjarige betrof. Nu wordt de verdachte mensenhandel verweten door uitbuiting van diezelfde minderjarige met betrekking tot diezelfde cocaïnesmokkel. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gedragingen die de verdachte in de huidige tenlastelegging worden verweten, gelijk zijn aan de gedragingen waarvoor de verdachte eerder is veroordeeld. Daarnaast zijn de strafmaxima voor het huidige tenlastegelegde feit nagenoeg gelijk aan die voor het medeplegen van het uitvoeren van verdovende middelen. 2.1.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte omdat geen sprake is van schending van het ne bis in idem-beginsel. De officier van justitie heeft aangevoerd dat bij de toetsing of sprake is van hetzelfde feit de juridische aard van de feiten, bestaande uit de te beschermen rechtsgoederen en de strafmaxima, en de gedragingen van de verdachte van belang zijn. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de te beschermen rechtsgoederen met betrekking tot de verschillende delictsomschrijvingen verschillen. Het beschermde rechtsgoed voor het medeplegen van de uitvoer van cocaïne is gericht op de bescherming van de volksgezondheid, terwijl het beschermde rechtsgoed voor het medeplegen van mensenhandel gericht is op de lichamelijke en geestelijke integriteit, alsmede de persoonlijke vrijheid van individuen. Daarnaast heeft de officier van justitie betoogd dat de strafmaxima voor de verschillende delictsomschrijvingen min of meer gelijk zijn. Tot slot heeft de officier van justitie aangevoerd dat de gedragingen van de verdachte in de context van de verschillende delictsomschrijvingen niet hetzelfde zijn. De gedragingen die de verdachte in het kader van het medeplegen van mensenhandel ten laste worden gelegd, betreffen het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en opnemen van personen in de periode voorafgaand aan de uitvoer van cocaïne naar IJsland. De gedragingen die de verdachte in het kader van het medeplegen van de uitvoer van cocaïne heeft verricht, zien op het daadwerkelijk uitvoeren van verdovende middelen. 2.1.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat de verdachte bij vonnis van deze rechtbank van 6 maart 2023 is veroordeeld voor het medeplegen van de uitvoer van cocaïne op 5 juni 2022, waarbij onder andere haar destijds 14-jarige nichtje handelde als koerier. Dit vonnis is op 3 juli 2023 onherroepelijk geworden. De verdachte staat nu terecht voor mensenhandel ten aanzien van diezelfde minderjarige in verband met ditzelfde drugstransport. De rechtbank stelt voorop dat het inzetten van een minderjarige ten behoeve van drugsinvoer door middel van een duwersbol in beginsel een situatie kan opleveren als bedoeld in artikel 273f Sr. Voordat de rechtbank aan beantwoording van deze vraag toekomt, moet de rechtbank echter eerst beantwoorden of sprake is van een schending van het ne bis in idem-beginsel, zoals dat is geregeld in artikel 68 Sr. Met betrekking tot die vraag overweegt de rechtbank het volgende. Het ne bis in idem-beginsel zoals geregeld in artikel 68 Sr houdt in dat iemand niet tweemaal kan worden vervolgd voor hetzelfde feit. Bij de beoordeling of sprake is van hetzelfde feit, moet de rechtbank de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten vergelijken. Hierbij moeten volgens de Hoge Raad enerzijds de juridische aard van de feiten en anderzijds de gedragingen van de verdachte als relevante vergelijkingsfactoren worden betrokken. Ten aanzien van de juridische aard van de feiten overweegt de Hoge Raad in het bijzonder dat hierbij de te beschermen rechtsgoederen van de verschillende delictsomschrijvingen en de strafmaxima van belang zijn. De beantwoording van de vraag of sprake is van hetzelfde feit wordt mede bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr. De rechtbank overweegt ten aanzien van de juridische aard van de feiten het volgende. De strafbaarstelling van mensenhandel is gericht op het tegengaan van uitbuiting en het waarborgen van de geestelijke en lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van het individu. De strafbaarstelling van de uitvoer van verdovende middelen heeft betrekking op het tegengaan van de internationale handel in drugs die een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid vormen. Hieruit volgt dat de rechtsgoederen die de onderscheiden delictsomschrijvingen beogen te beschermen substantieel van elkaar verschillen. De strafmaxima van de verschillende delictsomschrijvingen zijn, zoals zowel de officier van justitie als de raadsman van de verdachte hebben betoogd, wel vrijwel gelijk. De rechtbank stelt verder vast dat de in deze strafzaak verweten gedraging vrijwel gelijk is aan de gedraging waar de verdachte reeds voor is veroordeeld. Dit blijkt niet alleen uit het destijds subsidiair tenlastegelegde feit maar ook uit de bewijsmotivering van het vonnis van 6 maart 2023. Hierin staat uitvoerig beschreven dat het intensieve contact met de koeriers en het telkens geven van instructies met betrekking tot de uit te voeren drugssmokkel, waaronder ook begrepen het geven van instructies met betrekking tot het inbrengen van de duwersbol met cocaïne, het faciliteren van de vliegreis en de financiering daarvan, essentieel zijn voor de conclusie dat de verdachte als medepleger is aangemerkt.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:1806 text/xml public 2026-04-16T10:03:56 2026-02-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-02-24 15/161113-23 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Haarlem Strafrecht Rechtspraak.nl NJFS 2026/94 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:1806 text/html public 2026-02-24T14:13:05 2026-02-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:1806 Rechtbank Noord-Holland , 24-02-2026 / 15/161113-23 Schending van het ne bis in idem-beginsel. Het Openbaar Ministerie zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/161113-23 Uitspraakdatum: 24 februari 2026 Tegenspraak (artikel 279 Sv) Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 februari 2026 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres]. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.J. van Aert, en van hetgeen de raadsman van de verdachte, mr. P.J. Stronks, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 1 Tenlastelegging De verdachte wordt, verkort en zakelijk weergegeven, verweten dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het volgende feit: mensenhandel al dan niet in vereniging met betrekking tot [benadeelde] in de periode van 24 mei 2022 tot en met 5 juni 2022 te Schiphol en/of Nederland en/of Curaçao. De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit. 2 Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 2.1. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie 2.1.1. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, omdat de vervolging in strijd is met het ne bis in idem-beginsel (artikel 68 van het Wetboek van strafrecht (Sr)). De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte op 6 maart 2023 door deze rechtbank onherroepelijk is veroordeeld voor het medeplegen van de uitvoer van cocaïne naar IJsland, waarbij de koerier een minderjarige betrof. Nu wordt de verdachte mensenhandel verweten door uitbuiting van diezelfde minderjarige met betrekking tot diezelfde cocaïnesmokkel. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gedragingen die de verdachte in de huidige tenlastelegging worden verweten, gelijk zijn aan de gedragingen waarvoor de verdachte eerder is veroordeeld. Daarnaast zijn de strafmaxima voor het huidige tenlastegelegde feit nagenoeg gelijk aan die voor het medeplegen van het uitvoeren van verdovende middelen. 2.1.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte omdat geen sprake is van schending van het ne bis in idem-beginsel. De officier van justitie heeft aangevoerd dat bij de toetsing of sprake is van hetzelfde feit de juridische aard van de feiten, bestaande uit de te beschermen rechtsgoederen en de strafmaxima, en de gedragingen van de verdachte van belang zijn. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de te beschermen rechtsgoederen met betrekking tot de verschillende delictsomschrijvingen verschillen. Het beschermde rechtsgoed voor het medeplegen van de uitvoer van cocaïne is gericht op de bescherming van de volksgezondheid, terwijl het beschermde rechtsgoed voor het medeplegen van mensenhandel gericht is op de lichamelijke en geestelijke integriteit, alsmede de persoonlijke vrijheid van individuen. Daarnaast heeft de officier van justitie betoogd dat de strafmaxima voor de verschillende delictsomschrijvingen min of meer gelijk zijn. Tot slot heeft de officier van justitie aangevoerd dat de gedragingen van de verdachte in de context van de verschillende delictsomschrijvingen niet hetzelfde zijn. De gedragingen die de verdachte in het kader van het medeplegen van mensenhandel ten laste worden gelegd, betreffen het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en opnemen van personen in de periode voorafgaand aan de uitvoer van cocaïne naar IJsland. De gedragingen die de verdachte in het kader van het medeplegen van de uitvoer van cocaïne heeft verricht, zien op het daadwerkelijk uitvoeren van verdovende middelen. 2.1.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat de verdachte bij vonnis van deze rechtbank van 6 maart 2023 is veroordeeld voor het medeplegen van de uitvoer van cocaïne op 5 juni 2022, waarbij onder andere haar destijds 14-jarige nichtje handelde als koerier. Dit vonnis is op 3 juli 2023 onherroepelijk geworden. De verdachte staat nu terecht voor mensenhandel ten aanzien van diezelfde minderjarige in verband met ditzelfde drugstransport. De rechtbank stelt voorop dat het inzetten van een minderjarige ten behoeve van drugsinvoer door middel van een duwersbol in beginsel een situatie kan opleveren als bedoeld in artikel 273f Sr. Voordat de rechtbank aan beantwoording van deze vraag toekomt, moet de rechtbank echter eerst beantwoorden of sprake is van een schending van het ne bis in idem-beginsel, zoals dat is geregeld in artikel 68 Sr. Met betrekking tot die vraag overweegt de rechtbank het volgende. Het ne bis in idem-beginsel zoals geregeld in artikel 68 Sr houdt in dat iemand niet tweemaal kan worden vervolgd voor hetzelfde feit. Bij de beoordeling of sprake is van hetzelfde feit, moet de rechtbank de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten vergelijken. Hierbij moeten volgens de Hoge Raad enerzijds de juridische aard van de feiten en anderzijds de gedragingen van de verdachte als relevante vergelijkingsfactoren worden betrokken. Ten aanzien van de juridische aard van de feiten overweegt de Hoge Raad in het bijzonder dat hierbij de te beschermen rechtsgoederen van de verschillende delictsomschrijvingen en de strafmaxima van belang zijn. De beantwoording van de vraag of sprake is van hetzelfde feit wordt mede bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr. De rechtbank overweegt ten aanzien van de juridische aard van de feiten het volgende. De strafbaarstelling van mensenhandel is gericht op het tegengaan van uitbuiting en het waarborgen van de geestelijke en lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van het individu. De strafbaarstelling van de uitvoer van verdovende middelen heeft betrekking op het tegengaan van de internationale handel in drugs die een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid vormen. Hieruit volgt dat de rechtsgoederen die de onderscheiden delictsomschrijvingen beogen te beschermen substantieel van elkaar verschillen. De strafmaxima van de verschillende delictsomschrijvingen zijn, zoals zowel de officier van justitie als de raadsman van de verdachte hebben betoogd, wel vrijwel gelijk. De rechtbank stelt verder vast dat de in deze strafzaak verweten gedraging vrijwel gelijk is aan de gedraging waar de verdachte reeds voor is veroordeeld. Dit blijkt niet alleen uit het destijds subsidiair tenlastegelegde feit maar ook uit de bewijsmotivering van het vonnis van 6 maart 2023. Hierin staat uitvoerig beschreven dat het intensieve contact met de koeriers en het telkens geven van instructies met betrekking tot de uit te voeren drugssmokkel, waaronder ook begrepen het geven van instructies met betrekking tot het inbrengen van de duwersbol met cocaïne, het faciliteren van de vliegreis en de financiering daarvan, essentieel zijn voor de conclusie dat de verdachte als medepleger is aangemerkt.