Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-02-06
ECLI:NL:RBNHO:2026:1750
RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: C/15/373704 / KG ZA 26-21 Vonnis in kort geding van 6 februari 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], advocaat: mr. A.C.M. Verhoeven, tegen [gedaagde] , te [plaats], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], advocaat: mr. P. Keuchenius. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met 13 producties- de producties 1 t/m 19 van [gedaagde]- de mondelinge behandeling van 21 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [eiser]- de pleitnota van [gedaagde]. 2 De feiten 2.1. [eiser] is mondhygiëniste van beroep. [gedaagde] is tandarts. 2.2. Partijen zijn tot 2019 gehuwd geweest. 2.3. Partijen zijn op 1 januari 2010, ten tijde van hun huwelijk, een maatschap aangegaan voor de uitoefening van een praktijk voor tandheelkundige zorg onder de naam ‘[naam]’. 2.4. De maatschapsovereenkomst bevat, voor zover van belang, de volgende artikelen: in aanmerking nemende Dat partijen vanaf 1 januari 2010 gezamenlijk een [maatschap, rb] uitoefenen Dat partij A als tandarts werkzaamheden voor en namens de maatschap verricht Dat partij B als mondhygiënist werkzaamheden voor en namens de maatschap verricht (...) Artikel 2 De maatschap heeft ten doel het voor gezamenlijke rekening en risico uitoefenen van de praktijk. Artikel 3 1. De maatschap is aangegaan voor onbepaalde tijd en is aangevangen op 1 januari 2010 2. Ieder der partijen heeft het recht de maatschap op te zeggen tegen 1 januari van enig jaar, zulks met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste zes maanden. De opzegging dient te geschieden bij aangetekend schrijven of deurwaardersexploot. Artikel 4 1. Ieder der partijen heeft zijn volle arbeid, kennis en vlijt, alsmede de inkomsten van alle nevenactiviteiten ingebracht 2. Partij A is voor 50% en partij B voor 50% gerechtigd in het eigendom van de rechten, de activa de stille reserves en de passiva van de maatschap. Artikel 6 1a De winst of het verlies uit de praktijkuitoefening wordt door partijen verdeeld in onderling overleg met inachtneming van het geïnvesteerde kapitaal, het ondernemersrisico en de arbeidsinbreng in het boekjaar. lb Bij aanvang is de verhouding als bedoeld onder lid 1. letter a hiervoor gesteld op 60% voor partij A en 40% voor partij B. (…) Artikel 7 In onderling overleg kunnen de partijen voor ieder hunner vaststellen welke bedragen als voorschot op de winst uit de maatschap kunnen worden opgenomen. Artikel 8 De werkzaamheden aan het beheer en de uitvoering van de zaken der maatschap verbonden, worden door partijen in onderling overleg geregeld. Artikel 9 Behoudens het hierna bepaalde is ieder der partijen bevoegd om voor de maatschap te handelen en te tekenen, gelden voor haar te ontvangen en uit te geven, de maatschap aan derden en derden aan de maatschap te verbinden. De medewerking voor beide partijen wordt echter gevorderd voor: het aangaan van verbintenissen - waaronder het tekenen van handelspapier - boven een bedrag of waarde van tweeduizend euro, behoudens de tot de normale beroepsuitoefening behorende transacties; het huren en verhuren, alsmede het verkrijgen, vervreemden en bezwaren van onroerende goederen, het verlenen van zakelijke rechten, het voeren van processen, het berusten in rechtsvorderingen, het aangaan van dadingen, compromissen, akkoorden en borgtochten en het aangaan van alle handelingen die vallen buiten de grenzen door het doel der maatschap aangegeven; het aannemen en ontslaan van personen in dienst van de maatschap en het vaststellen hunner arbeidsvoorwaarden; (…) Artikel 13 In geval van opzegging door een partij, hebben beide partijen het recht de praktijk voort te zetten. 2.5. In een brief van 28 juni 2024 heeft [gedaagde] de maatschapsovereenkomst opgezegd en de intentie uitgesproken om de onderneming voort te zetten en nieuwe afspraken te maken over de samenwerking per 1 januari 2025. Part [gedaagde] heeft bij Infomedics een eigen AGB-code verkregen om zijn omzet apart te kunnen declareren en wenst de overeenkomst die de maatschap heeft met Infomedics per 1 januari 2026 op te zeggen. [eiser] heeft aangegeven geen mogelijkheid te hebben zelfstandig te kunnen declareren, omdat zij niet over een AGB-code beschikt. Op 22 en 23 december 2025 heeft de advocaat van [gedaagde] bevestigd dat [gedaagde] akkoord is met het on hold zetten van de opzegging van het contract met Infomedics totdat [eiser] een eigen AGB-code heeft, uiterlijk tot 31 januari 2026. 2.14. Op 19 december 2025 is namens [gedaagde] een allonge op de huurovereenkomst verstuurd aan de advocaat van [eiser] die ertoe strekt dat [gedaagde] de huur voortzet, met het verzoek aan [eiser] dit document te ondertekenen. Hierbij is ter toelichting geschreven: Voor mij is de vraag of dit voor haar voldoende is, omdat ik geen nadrukkelijke kwijting jegens [eiser] als huurder in dit stuk aantref. Aan de andere kant is de vraag of en hoe lang zij nog medehuurder wil blijven. Er moet ook overlegd worden over de verdeling van de gebruiksruimten en stoelen. Cliënt wil, zo begrijp ik hem, voorstellen om 4 van de 5 stoelen te gebruiken waarbij [eiser] dan 1 stoel gebruikt. De kostenverdeling kan dan in dezelfde verhouding plaatshebben. 2.15. De maatschap heeft meerdere personeelsleden, bestaande uit werknemers en zzp’ers. Twaalf personeelsleden hebben een addendum getekend op de lopende arbeidsovereenkomst/overeenkomst van opdracht, waarin staat dat de maatschap [naam] per 1 januari 2026 wordt beëindigd en dat het werkgever-/opdrachtgeverschap per 1 januari 2026 wordt gewijzigd naar de eenmanszaak [gedaagde] Entertainment met behoud van de arbeids- cq. opdrachtvoorwaarden . 2.16. Op 23 december 2025 heeft [gedaagde] een concept voorstel naar [eiser] verstuurd, getiteld ‘concept tijdelijke gebruiks- en samenwerkingsregeling na ontbinding van de maatschap’. 2.17. De maatschap heeft voor de administratie een contract bij [bedrijf]. [gedaagde] heeft zonder overleg met [eiser] het contract gewijzigd in die zin dat er vanaf 1 januari 2026 twee aparte administraties bestaan. Op 14 januari 2026 heeft [eiser] aan [bedrijf] verzocht deze eenzijdige wijziging ongedaan te maken. [bedrijf] is bereid de wijziging ongedaan te maken bij toestemming van beide partijen. 2.18. Op 8 januari 2026 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] gesommeerd op grond van artikel 194 Rv opgave te doen van alle rechtshandelingen door [gedaagde] verricht met betrekking tot de toe-eigening van de praktijk. Aan deze sommatie is geen gevolg gegeven. 2.19. [gedaagde] heeft van de bankrekening van de maatschap € 14.000,00 naar zichzelf overgemaakt. Hij heeft aan [eiser] via Whats-App geschreven dat deze betaling is gedaan conform de huidige inrichting. Via Whats-App zijn op 12 januari 2025 onder meer de volgende berichten gestuurd: [gedaagde]: “[eiser], Om duidelijkheid te creëren: ik ben bereid de huidige situatie nog maximaal één week tijdelijk te blijven faciliteren. Die termijn is bedoeld om de tijdelijke samenwerkingsovereenkomst te ondertekenen. Als er na die week geen akkoord is, zal verdere facilitering vanuit mijn praktijk (balie en assistentie) stoppen. Dit is geen discussiepunt, maar bedoeld om rust en duidelijkheid te geven voor iedereen. [gedaagde]” [eiser]: “[gedaagde], Voor de duidelijkheid: de maatschap is niet ontbonden en niet verrekend. Jij hebt geen bevoegdheid om eenzijdig gelden te onttrekken, rekeningen leeg te halen of voorwaarden te stellen aan voortzetting van de samenwerking. Het door jou onttrekken van €14.000 uit het maatschapsvermogen en het blokkeren van betalingen is onrechtmatig en veroorzaakt directe schade. Jouw bericht waarin je faciliteiten stopzet indien ik niet binnen een week een door jou gewenste overeenkomst teken, ervaar ik als druk, intimidatie en een ongeoorloofd dreigement. Dit is vastgelegd en door derden gelezen, Ik geef geen enkel akkoord op jouw voorgestelde “ter Dit is ook gebeurd per 1 januari 2026, waarbij ieder met zijn/haar eigen eenmanszaak voor eigen rekening en risico de eigen praktijk voortzet, aldus [gedaagde]. Hij is bereid over de komende periode afspraken te maken, maar nu de maatschap is opgezegd is er geen contractuele basis voor een feitelijke verlenging van de maatschapsverhouding. Daarbij is personeel vrij om te gaan en staan waar zij willen. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De vorderingen van [eiser] zien op herstel van de praktijkvoering voor gezamenlijke rekening van de tandartsenpraktijk van partijen. Gelet op de aard van deze vordering is sprake van spoedeisend belang. Tussen partijen staat dat ook niet ter discussie. 4.2. De voorzieningenrechter houdt het er in deze procedure voor dat de maatschap door [gedaagde] is opgezegd per 1 januari 2026. [gedaagde] heeft met de brief van juni 2024 opgezegd en heeft in deze procedure onweersproken gesteld dat partijen hebben afgesproken de opzegging per 1 januari 2026 te laten gelden. Dit standpunt wordt ook gesteund door de gevoerde correspondentie eind 2025 gericht op beëindiging en afwikkeling van de maatschap. Daaruit vloeit voort dat sprake is van een ontbonden gemeenschap, die dient te worden vereffend en verdeeld. Ook in deze fase van hun samenwerking staan de partijen tot elkaar in een door redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding (zie art 3:166 lid 3 BW). Uitleg van de overeenkomst 4.3. Partijen twisten over de wijze waarop gevolg moet worden gegeven aan de ontbinding van de maatschap per 1 januari 2026, welk twistpunt is gelegen in de uitleg van de overeenkomst en met name artikel 13. Artikel 13 luidt: in geval van opzegging door een partij, hebben beide partijen het recht de praktijk voort te zetten. 4.4. [eiser] legt artikel 13 zo uit dat ieder van partijen gerechtigd is de praktijk voort te zetten, met dien verstande dat tussen de maten overeenstemming moet zijn over wie de praktijk voortzet en onder welke voorwaarden, zoals bijvoorbeeld het uitkoopbedrag voor de andere maat (volgens [eiser] een bedrag tussen de € 900.000,- en € 1.200.000,-). De praktijk vertegenwoordigt een substantiële waarde en is in beginsel ondeelbaar. Totdat deze overeenstemming er is, wordt de praktijk voorgezet voor gezamenlijke rekening, aldus [eiser]. 4.5. [gedaagde] bepleit dat artikel 13 van de maatschapsovereenkomst met zich brengt dat elk van partijen de praktijk mag voortzetten, wat betekent dat - omdat het gaat om beroepsbeoefenaren - [gedaagde] zijn praktijk als tandarts kan en mag voortzetten en [eiser] haar praktijk als mondhygiënist. Het staat ieder van hen vrij zich met andere tandartsen en/of mondhygiënisten te associëren en hen in dienst te nemen, aldus [gedaagde]. Volgens [gedaagde] bestaat er geen verplichting om goodwill te vergoeden en [gedaagde] is bereid de inventaris 50/50 te verdelen of daar een bedrag voor te voldoen. Volgens [gedaagde] zijn er eigenlijk twee praktijken en kan ieder van hen die zelfstandig voortzetten, onder vergoeding van de helft van de inventaris. 4.6. De vraag hoe de desbetreffende bepaling moet worden uitgelegd, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepaling van de overeenkomst. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (Haviltex, zie HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158). 4.7. Met inachtneming van bovenstaand toetsingskader, en de bepaling bezien in de context van andere bepalingen in de maatschapsovereenkomst, volgt de voorzieningenrechter de door [eiser] voorgestane uitleg. In de maatschapsovereen Zolang de verdeling niet heeft plaatsgevonden, geschiedt de voortzetting van de onderneming voor rekening van de gezamenlijke vennoten. Aan de opmerking van [gedaagde] dat een dergelijke uitleg de opzeggingsbepaling zinloos zou maken gaat de voorzieningenrechter voorbij, omdat deze uitleg volgens vaste jurisprudentie volgt uit de redelijkheid en billijkheid die ook na opzegging de rechtsverhouding tussen partijen als voormalig maten beheerst. Beoordeling van de vorderingen 4.12. De vordering van [eiser] onder 1a is gericht op gezamenlijke voortzetting en zal grotendeels worden toegewezen, nu in deze procedure vast staat dat [gedaagde] de handelingen toegelicht onder 4.9 en 4.10 heeft verricht. Door geen van partijen is gesteld, en dat is ook niet gebleken, dat de onderlinge verhouding dermate slecht is dat gezamenlijke voortzetting onmogelijk is, totdat partijen overeenstemming hebben dan wel in een bodemprocedure is beslist over de verdeling en de vereffening. Wel zal de voorzieningenrechter een langere termijn dan 24 uur aan de verplichtingen verbinden, zal de gevorderde dwangsom worden beperkt, en zal de zinsnede ‘waaronder, doch niet beperkt tot’ worden afgewezen als zijnde te onbepaald en niet executeerbaar. 4.13. De vordering van [eiser] onder 1b zal worden afgewezen. Het eerste deel van de vordering ziet kortgezegd op opgave door [gedaagde] van alle partijen waaraan [gedaagde] heeft medegedeeld dat hij de praktijk voortzet en rectificatie van deze mededeling. Zonder concrete toelichting valt niet in te zien welk belang van [eiser] hiermee gediend wordt, bezien in het licht van de toe te wijzen vordering onder 1a. Ook is de vordering dermate algemeen geformuleerd dat dit kan leiden tot executiegeschillen. Dit laatste geldt eveneens voor het tweede deel van de vordering, waarbij in algemene zin wordt gevorderd door [gedaagde] doorgevoerde wijzigingen terug te draaien. De voorzieningenrechter houdt het ervoor dat de doorgevoerde wijzigingen die de directe praktijkvoering betreffen met de vordering onder 1a zijn ondervangen. 4.14. Vordering 2 strekt tot een verbod voor [gedaagde] om zonder de voorafgaande uitdrukkelijke toestemming van [eiser] te communiceren met contractspartijen, het personeel en de zzp’ers werkzaam in de praktijk en patiënten ter zake van de opzegging van de maatschap en hetgeen daarmee samenhangt. De voorzieningenrechter zal deze vordering afwijzen. Communiceren over ‘de opzegging van de maatschap en hetgeen daarmee samenhangt’ acht de voorzieningenrechter, zonder toelichting die ontbreekt, niet onrechtmatig en ook deze formulering is te ruim voor een effectieve tenuitvoerlegging. Overigens geldt ook op dit onderdeel dat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat met het gevorderde onder 1a de belangen van [eiser] op dit moment voldoende zijn veiliggesteld. 4.15. [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 125,50 - griffierecht € 341,00 - salaris advocaat € 1.177,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.832,50 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. beveelt [gedaagde] om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis het ertoe te leiden dat [eiser] toegang krijgt en gebruik kan maken van de faciliteiten van de praktijk, door: de contractuele relatie met Infomedics te herstellen, het betalingsverkeer via de gemeenschappelijke bankrekening van de maatschap te herstellen en het daaraan onttrokken bedrag van € 14.000,- terug te storten, de uitkering van de maandelijks gebruikelijke voorschotten op de winst te hervatten, onbeperkte toegang tot de praktijkruimte en alle daarbij behorende faciliteiten te verlenen, waaronder ondersteuning door het personeel, de praktijkmanager, de officemedewerker en baliemedewerker, de gemeenschappelijke administratie te herstellen, de praktijk op de voorheen gebruikelijke wijze gezam