Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-01-14
ECLI:NL:RBNHO:2026:1714
RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer hoofdzaak: C/15/344519 / HA ZA 23-547 Zaaknummer vrijwaringszaak 1: C/15/352520 / HA ZA 24-273 Zaaknummer vrijwaringszaak 2: C/15/352523 / HA ZA 24-275 Vonnis van 14 januari 2026 in de hoofdzaak van de rechtspersoon naar buitenlands recht RFA INTERNATIONAL LP , gevestigd te Calgary, Alberta (Canada), eisende partij, hierna te noemen: RFA, advocaten: mrs. M. Goorts, K. van Laar en J.H.L. ter Beek, tegen 1. de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V. , gevestigd te Apeldoorn, 2. de rechtspersoon naar buitenlands recht BALOISE BELGIUM N.V. , gevestigd te Antwerpen (België),3. de rechtspersoon naar buitenlands recht ERGO VERSICHERUNG AG , gevestigd te Düsseldorf (Duitsland),4. de rechtspersoon naar buitenlands recht MSIG INSURANCE EUROPE AG , gevestigd te Keulen (Duitsland),5. de rechtspersoon naar buitenlands recht AIG EUROPE S.A. , gevestigd te Luxemburg (Luxemburg),6. de rechtspersoon naar buitenlands recht GENERALI DEUTSCHLAND VERSICHERUNG AG , als rechtsopvolger onder algemene titel van Generali Versicherung AG, gevestigd te München (Duitsland),7. de rechtspersoon naar buitenlands recht GOTHAER ALLGEMEINE VERSICHERUNG AG , gevestigd te Keulen (Duitsland),8. de rechtspersoon naar buitenlands recht WÜRTTEMBERGISCHE VERSICHERUNG AG , gevestigd te Stuttgart (Duitsland), 9. de rechtspersoon naar buitenlands recht STARSTONE INSURANCE SE , gevestigd te Schaan (Liechtenstein), 10. de rechtspersoon naar buitenlands recht CANOPIUS MANAGING AGENTS LIMITED , hierna te noemen: Canopius, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),11. de rechtspersoon naar buitenlands recht CHUBB EUROPEAN GROUP SE , tevens handelend onder de naam CHUBB INSURANCE COMPANY OF EUROPE, gevestigd te Courbevoie (Frankrijk), kantoorhoudende te Rotterdam, gedaagden 1 t/m 9 en 11 hierna samen te noemen: de verzekeraars, gedaagde partijen, advocaten: mrs. J.P. Eckoldt en M.R. Koppenol,12. de rechtspersoon naar buitenlands recht H.W. WOOD LIMITED , gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk), hierna te noemen: Wood, gedaagde partij, advocaat: mr. A.Ch.H. Franken, 13. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ACRISURE NETHERLANDS B.V. (voorheen genaamd RAETSHEREN VAN ORDEN B.V.), gevestigd te Alkmaar, hierna te noemen: Acrisure, gedaagde partij, advocaten: mrs. D.D. Zorab-Castelijns en N.E. Hemstra, en in de vrijwaringszaak 1 van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ACRISURE NETHERLANDS B.V. (voorheen genaamd RAETSHEREN VAN ORDEN B.V.), gevestigd te Alkmaar, hierna te noemen: Acrisure, eisende partij, advocaten: mrs. D.D. Zorab-Castelijns en N.E. Hemstra, tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht H.W. WOOD LIMITED , gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk), hierna te noemen: Wood, gedaagde partij, advocaat: mr. A.Ch.H. Franken, en in de vrijwaringszaak 2 van de rechtspersoon naar buitenlands recht H.W. WOOD LIMITED , gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk), hierna te noemen: Wood, eisende partij, advocaat: mr. A.Ch.H. Franken, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ACRISURE NETHERLANDS B.V. (voorheen genaamd RAETSHEREN VAN ORDEN B.V.), gevestigd te Alkmaar, hierna te noemen: Acrisure, gedaagde partij, advocaten: mrs. D.D. Zorab-Castelijns en N.E. Hemstra. De zaken in het kort RFA is een leverancier van ferrochroom. Wood en Acrisure zijn verzekeringsmakelaars. Ter afdekking van het risico van schade en verlies van goederen heeft RFA via Wood een zogenoemde Marine Cargo Insurance afgesloten. Acrisure heeft deze verzekering van Wood overgenomen. Volgens RFA heeft zich bij een van haar opslaglocaties, die zij gebruikte voor de opslag van ferrochroom, schade voorgedaan. De hoofdzaak draait om de vraag of de verzekeraars deze schade onder de verzekering moeten dekken. Als deze verzekering geen dekking biedt, dan betekent dat volgens RFA dat Wood en Acrisure hun zorgplicht tegenover RFA hebben geschonden. In de hoofdzaak houdt RFA Wood AMG heeft deze vragen op 9 november 2015 per e-mail beantwoord. Naar aanleiding van de vragen over “Storage exposure” heeft AMG zonder enige verdere toelichting op 9 november 2015 het volgende aan [S.] gemaild: “Steinweg Rotterdam Parmentierplein 1 3088 GN Rotterdam PO Box 1068 3000 BB Rotterdam The Netherlands $ 252,031,018.74 Pacorini Metals Monacoweg 2 (harbour 9310) 4455 SZ Nieuwdorp The Netherlands $ 256,441,889.90” 2.6. Wood is vervolgens op zoek gegaan naar een leidende verzekeraar van een goederentransportverzekering voor RFA per 1 januari 2016. Mevrouw [P.] (hierna: [P.] ), in die tijd werkzaam bij Wood, heeft in dit verband verzekeraar XL Catlin benaderd. Op 18 november 2015 heeft [P.] aan XL Catlin een e-mail gestuurd met als bijlage een “Quotation” op naam van RFA. Deze “Quotation” bevat de voorgestelde tekst van een goederentransportverzekering, die door Wood was opgesteld. [P.] schrijft in haar begeleidende e-mail van 18 november 2015: “Zoals telefonisch afgesproken ontvang je hierbij van ons een nieuwe inquiry. Het is een aanvraag van RFA (…) Inmiddels hebben wij in de tussentijd van hen de benodigde informatie ontvangen om een offerte op te maken. Hierbij ontvang je van ons de twee offertes [opmerking van de rechtbank: een van deze offertes is de “Quotation” op naam van RFA] , waarvan één op naam van RFA (…) De limieten zijn als volgt: USD 40,000,000.- voor transport USD 50,000,000.- voor opslag Voor opslag gebruiken zij al jarenlang twee toonaangevende opslaglocaties en beide locaties zijn door LME goedgekeurd: - Steinweg Rotterdam, Parmentierplein 1 3088 GN Rotterdam The Netherlands - Pacorini Metals, Monacoweg 2 (harbour 9310) 4455 SZ Nieuwdorp The Netherlands Op beide locaties in de gemiddelde opslag ongeveer USD 250,000,000,-. (…) Daarom geeft RFA (…) aan dat zij hiervan maar 20% wil verzekeren, ofwel voor maximaal USD 50,000,000,- op beide locaties. (…) Schades: Nadat de polissen jaren geen schades hebben gehad, hebben zij het afgelopen jaar 2 schades gehad die zijn uitbetaald. De bovenste twee claims zijn ontstaan door een uitzonderlijke samenloop van klimatologische omstandigheden. (…) Ik hoop dat je dit voorstel kan steunen en hoeveel je (Lead) share mag zijn. (…)” 2.7. De meegestuurde “Quotation” bevat onder meer de volgende bepalingen: “ 11. GEOGRAPHICAL LIMITS: At and from any Port or Ports, Place or Places in the WORLD to any Port or Ports, Place or Places in the WORLD via any route subject to the Sanctions Limitation and exclusion clause contained herein. (…) 13 STORAGE Storage risks are included in this policy whether or not the storage is incidental to an associated transit also covered hereunder. Such storage may be anywhere in the world. Coverage shall be for All Risks as per HW2015MC Insurance Conditions Marine Cargo. Claims in respect of shortage and/or contamination for goods stored in bulk, subject to a deductible of 0,5%. The following storage locations have been approved by Insurers: The Netherlands Steinweg Rotterdam The Netherlands Pacorini Monacoweg 2, Nieuwdorp 2.8. Een dag later, op 19 november 2015, heeft XL Catlin per e-mail het volgende aan [P.] bericht: “(…) Opslag is uitsluitend gedekt in de 2 approved locations in Nederland begrijp ik (Behalve dan wanneer de opslag “in the ordinary course of transit” is uiteraard.) Hoor graag van je. (…)” 2.9. [P.] heeft hierop op 19 november 2015 per e-mail geantwoord met “Ok!”. 2.10. In de tussentijd had AMG ook met Aon contact over (de verlenging van) de goederentransportverzekering van RFA per 1 januari 2016. Op 16 november 2015 hebben AMG en Aon hierover met elkaar gemaild. Uiteindelijk heeft RFA haar goederentransportverzekering niet via Aon verlengd. 2.11. De contacten met XL Catlin hebben geleid tot een nieuwe goederentransport-verzekering (een zogenoemde Marine Cargo Insurance), die RFA eind december 2015 via Wood heeft gesloten. De polis is afgegeven door Wood in Amsterdam. XL Catlin is de leidende verzekeraar op de polis geworden en Eind juli 2019 is in overleg met Achmea, op dat moment de leidende verzekeraar op de polis, besloten om onderzoeksbureau Gray Page in te schakelen om onderzoek te doen naar de oorzaak en omvang van de schade. Gray Page heeft op 24 oktober 2019 een tussentijds rapport opgemaakt. Volgens dit rapport was in de GBL-opslaglocatie 1.948,79 megaton ferrochroom verdwenen met als mogelijke oorzaken: diefstal, verduistering of wanbeheer van de voorraden. 2.18. Achmea heeft in september 2019 dekking onder de polis afgewezen, omdat de GBL-opslaglocatie niet is genoemd in artikel 15 van de polis (de “Storage-bepaling”) en de schade volgens Achmea ook niet viel onder de “Transit Clause”. 2.19. RFA, Acrisure en Achmea hebben daarna nog overleg gevoerd en gecorrespondeerd over de schade en de dekking daarvan. 2.20. Op 27 januari 2021 heeft RFA Achmea gesommeerd over te gaan tot schadeuitkering. Daarbij heeft RFA Achmea laten weten, met een beroep op de in artikel 50 van de polis opgenomen “Law and jurisdiction-bepaling”, dat zij haar vordering naar Engels recht beoordeeld wil zien. 2.21. RFA heeft Acrisure en Wood op dezelfde dag (27 januari 2021) aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade op grond van een schending van de zorgplicht. Dit voor zover de schade van RFA niet onder de polis zou zijn gedekt. 2.22. Achmea bleef dekking onder de polis weigeren. Acrisure en Wood hebben iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen. 3 Het geschil in de hoofdzaak 3.1. RFA vordert, samengevat en na eiswijziging, dat de rechtbank ieder van de verzekeraars veroordeelt om zijn deel van de schade van RFA (van totaal € 5.392.700,30), aan RFA te betalen, te vermeerderen met rente. Als de rechtbank oordeelt dat de verzekeraars niet tot uitkering onder de polis hoeven over te gaan, dan vordert RFA dat de rechtbank voor recht verklaart dat Wood en/of Acrisure ten opzichte van RFA tekort zijn geschoten, althans onrechtmatig hebben gehandeld, en dat Wood en/of Acrisure zijn gehouden om aan RFA de schade te vergoeden die RFA daardoor heeft geleden. RFA vordert in dat geval ook dat de rechtbank Wood en/of Acrisure veroordeelt tot betaling van € 5.392.700,30, althans tot vergoeding van de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Ten slotte vordert RFA dat de rechtbank de verzekeraars (hoofdelijk), althans Wood en/of Acrisure in de proceskosten veroordeelt en dat de rechtbank dit vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad verklaart. 3.1.1. RFA baseert haar vorderingen tegen de verzekeraars (Achmea als leidende verzekeraar en de andere verzekeraars als volgverzekeraars) op nakoming van de verzekeringsovereenkomst, primair op artikel 15 van de polis die voor 2019 was afgegeven, en subsidiair op de “Transit Clause”. RFA stelt dat de goederentransportverzekering, waarop volgens RFA Engels recht van toepassing is, dekking biedt voor opslagrisico’s overal ter wereld. Het ferrochroom dat uit de GBL-opslaglocatie is verdwenen is volgens RFA daarmee gedekt. Dit geldt in de visie van RFA ook voor de schade die RFA heeft geleden doordat in de GBL-opslaglocatie ferrochroom van inferieure kwaliteit lag opgeslagen. RFA stelt dat haar verzekerde schade € 5.392.700,30 bedraagt. 3.1.2. RFA baseert haar vorderingen tegen Wood en Acrisure op wanprestatie en onrechtmatige daad. Daaraan legt RFA ten grondslag dat Wood en Acrisure hun zorgplicht tegenover RFA hebben geschonden, als blijkt dat haar schade niet onder de polis is gedekt. RFA maakt Wood en Acrisure in dit verband meerdere verwijten, die er in essentie op neerkomen dat Wood en Acrisure de dekkingsbehoefte van RFA niet of niet goed hebben vastgesteld. Volgens RFA had zij haar schade van € 5.392.700,30 wel uitgekeerd gekregen, als Wood en Acrisure hun zorgplicht niet hadden geschonden. De schade die RFA door de zorgplichtschendingen stelt te hebben geleden is gelijk aan de verzekeringsuitkering van € 5.392.700,30 die RFA is misgelopen. 3.2. De verzekeraars, Wood en Acrisure voeren Dit betekent dat de rechtbank op grond van artikel 25 Brussel I-bis en (als het gaat om Starstone Insurance SE op grond van) artikel 8 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevoegd is om de vorderingen van RFA te beoordelen. 4.4. Ook zijn RFA en de verzekeraars het met elkaar eens dat zij in artikel 50 van de polis een rechtskeuze hebben gemaakt. RFA vindt echter dat hier de keuze voor Engels recht geldt, omdat het in deze zaak gaat om haar “claim” die zij naar Engels recht beoordeeld wil zien. De verzekeraars daarentegen menen dat de keuze voor Nederlands recht geldt, omdat het bij de beoordeling van de vorderingen van RFA gaat om de principiële uitleg van een cruciale dekkingsclausule van de polis en de polis volgens artikel 50 van de polis is onderworpen aan Nederlands recht. 4.5. De rechtbank is van oordeel dat voor het bepalen van de reikwijdte van de dekkingsclausules RFA en de verzekeraars in artikel 50 van de polis hebben gekozen voor de toepasselijkheid van Nederlands recht. Dit betekent dat de rechtbank het beroep van RFA op de dekkingsclausules op grond van artikel 3 lid 1 in samenhang met artikel 7 lid 2 Rome I zal beoordelen aan de hand van Nederlands recht. De rechtbank legt dit uit. 4.6. RFA en de verzekeraars hebben in artikel 50 van de polis afgesproken dat op de polis Nederlands recht van toepassing is. De polis is de schriftelijke weergave van de verzekeringsovereenkomst en de daaruit voortvloeiende rechten en plichten van partijen. Het geschil tussen RFA en de verzekeraars draait om de vraag of risico’s die verband houden met opslaglocaties van RFA die niet in artikel 15 worden genoemd, onder artikel 15 zijn gedekt of (subsidiair) onder de reikwijdte van de “Transit Clause” vallen. Het gaat dus in de eerste plaats om de vaststelling van welke rechten en plichten in zijn algemeenheid uit de verzekeringsovereenkomst, meer specifiek uit de dekkingsclausules, voortvloeien. Daarmee gaat het geschil over de polis, waarop Nederlands recht van toepassing is. Pas als de reikwijdte van de dekkingsclausules is vastgesteld, kan de daarop gebaseerde “claim” op grond van artikel 50 van de polis naar Engels recht worden afgehandeld (“settled”). Dekking onder de polis? 4.7. Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag waar deze zaak om draait: dekt artikel 15 van de polis opslagrisico’s voor de GBL-opslaglocatie? 4.8. Voor het antwoord op deze vraag moet de rechtbank artikel 15 gaan uitleggen. De rechtbank moet dan niet alleen kijken naar de letterlijke tekst van artikel 15. Het gaat erom welke zin partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan artikel 15 mochten toekennen en wat zij wat dat betreft redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Kort gezegd: wat waren de (over en weer) kenbare bedoelingen van partijen? Daarbij moeten alle relevante omstandigheden van het geval worden betrokken. 4.9. De rechtbank roept in herinnering wat in artikel 15 van de polis, die voor 2019 is afgegeven, staat: “ 15. STORAGE: Storage risks are included in this policy whether or not the storage is incidental to an associated transit also covered hereunder. Such storage may be anywhere in the world. Coverage shall be for All Risks as per Insurance Conditions Cargo All Risks, War & Strikes T1501. Claims in respect of shortage and/or contamination for goods stored in bulk, subject to a deductible of 0,5%. The following storage locations have been approved by Insurers: The Netherlands Steinweg Rotterdam Parmentierplein 1 3088 GN Rotterdam The Netherlands Pacorini Metals Monacoweg 2 (harbour 9310) 4455 SZ Nieuwdorp 4.10. Ook al heeft RFA gelijk dat de tekst van artikel 15 zo kan worden gelezen dat opslagrisico’s van RFA overal ter wereld zijn gedekt, volgt de rechtbank deze uitleg van artikel 15 niet. De uitleg van RFA komt er namelijk op neer dat de verzekeraars zomaar, zonder nadere voorwaarden of te weten om welke opslaglocaties het gaat, risico’s van (langdurige) opslag overal ter wereld zouden dekken. De toepasselijkheid van het Nederlandse recht volgt in ieder geval (voor de vorderingen op grond van wanprestatie) uit artikel 19 lid 2 in samenhang met artikel 4 lid 1 sub b Rome I en (voor de vorderingen op grond van onrechtmatige daad) uit artikel 4 lid 3 dan wel artikel 12 Rome II. Heeft Wood haar zorgplicht geschonden? 4.16. RFA baseert haar vorderingen tegen Wood op de stelling dat Wood haar (doorlopende) zorgplicht heeft geschonden. Daaraan legt RFA ten grondslag dat Wood haar dekkingsbehoefte niet of niet goed heeft vastgesteld. Volgens RFA was het namelijk nooit haar bedoeling dat slechts de opslaglocaties Steinweg en Pacorini op grond van de “Storage-bepaling” zouden worden gedekt. RFA wilde al haar opslaglocaties wereldwijd gedekt hebben, zoals ook het geval was bij haar in 2015 geldende goederentransportverzekering die RFA via Aon had gesloten, aldus RFA. 4.17. De rechtbank oordeelt dat Wood haar zorgplicht tegenover RFA niet heeft geschonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. 4.18. De rechtbank stelt voorop dat niet is komen vast te staan dat de goederentransportverzekering die RFA in 2015 via Aon had lopen alle opslagrisico’s van RFA over de hele wereld dekte. Wood betwist namelijk dat deze goederentransportverzekering wereldwijde dekking gaf voor risico’s verbonden aan (langdurige) opslag. De door RFA gestelde wereldwijde dekking blijkt nergens uit, terwijl RFA de betreffende Aon-polis ook niet in het geding heeft gebracht. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van RFA dat zij dezelfde wereldwijde opslagdekking wenste als zij op grond van de Aon-polis had. 4.19. Wood heeft gelijk dat de wens van RFA om alle opslagrisico’s overal ter wereld te verzekeren ook nergens uit blijkt. Die wens heeft AMG namens RFA in ieder geval niet tegen Wood geuit toen [S.] AMG op 2 november 2015 expliciet vroeg naar de dekkingsbehoefte van RFA als het gaat om opslagrisico’s. Anders dan RFA heeft betoogd, heeft [S.] toen dus wel degelijk de dekkingsbehoefte van RFA wat betreft opslagrisico’s geïnventariseerd. In de e-mail van [S.] van 2 november 2015 ter zake, die de rechtbank in 2.4 van dit vonnis heeft weergegeven, vraagt [S.] immers: “Could you please advise/confirm the storage exposures? (names and address of the locations and quantity in storage in each location)”. Deze vraag was niet beperkt tot opslaglocaties met grote hoeveelheden, zoals RFA meent. Het was vervolgens aan RFA om Wood te laten weten welke opslaglocaties zij wilde verzekeren, waarbij RFA in aanmerking diende te nemen dat Wood niet beschikte over “any information history”, zoals [S.] AMG in de e-mail van 2 november 2015 had laten weten. Toen AMG [S.] op 9 november 2015 de gegevens doorgaf van de opslaglocatie Steinweg en die van de niet eerder door AMG of [S.] genoemde opslaglocatie Pacorini, mocht [S.] ervan uitgaan dat RFA slechts de opslagrisico’s voor deze twee opslaglocaties wilde verzekeren. Dat RFA eigenlijk anders wilde, is niet af te leiden uit de schadehistorie die AMG [S.] op 9 november 2015 stuurde. 4.20. Verder vindt de rechtbank van belang dat volgens de eigen stellingen van RFA AMG op 16 november 2015 aan Aon een “Stock Status Report” van RFA heeft toegestuurd. Dit “Stock Status Report” bevat gegevens van meerdere opslaglocaties van RFA, waaronder de GBL-opslaglocatie. Deze informatie zou AMG aan Aon hebben verstrekt in het kader van de met Aon gevoerde gesprekken over de verlenging van de goederentransport-verzekering van RFA per 1 januari 2016. Daaruit leidt de rechtbank af dat AMG, en dus RFA, wist dat zij de gegevens van een opslaglocatie aan haar verzekeringsmakelaar moest doorgegeven als zij wilde dat de daaraan verbonden (langdurige) opslagrisico’s zouden worden gedekt. De gegevens van de GBL-opslaglocatie heeft RFA aan Wood echter niet verstrekt, ook niet toen de polis met ingang van 1 januari 2018 werd verlengd. 4.21. In het licht van voormelde feiten en omstandigheden ziet de rechtbank niet dat Wood eni