Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-02-05
ECLI:NL:RBNHO:2026:1369
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 25/341 en 25/347 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2026 in de zaken tussen (in zaak 25/341) [eiser 1] , uit [plaats] , eiser 1 (gemachtigde: [gemachtigde] ), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, (gemachtigde: V. van Toledo). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] uit [plaats] (gemachtigde: mr. Z.P. Kruiver-Millenaar) en (in zaak 25/347) [derde-partij] , uit [plaats] , eisers 2 (gemachtigde: mr. Z.P. Kruiver-Millenaar), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, (gemachtigde: V. van Toledo). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [eiser 1] , uit [plaats] (gemachtigde: [gemachtigde] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de last onder dwangsom die aan eisers 2 is opgelegd. De last ziet op het verwijderen en het verwijderd houden van een aanbouw (het atelier), inclusief dakterras, schutting en buitentrap en een damwand die ten behoeve van de aanbouw direct achter de woning is gerealiseerd op de erfgrens met het perceel aan de [adres 1] . Zowel eiser 1 als eisers 2 zijn het niet eens met deze last. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank beide beroepen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de last onder dwangsom niet voldoende duidelijk is geformuleerd. Eisers krijgen dus gelijk en de beroepen zijn dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 24 oktober 2023 heeft eiser 1 een verzoek om handhaving ingediend bij het college ten aanzien van de aanbouw (het atelier) met dakterras, de schutting, de buitentrap en de damwand op het perceel van eisers 2 aan de [adres 2] in [plaats] . 2.1. Op 4 juni 2024 heeft het college aan eisers 2 een last onder dwangsom opgelegd (het primaire besluit). 2.2. Zowel eiser 1 als eisers 2 hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 2.3. Naar aanleiding van de bezwaren heeft het college op 8 augustus 2024 een hercontrole op de percelen van eisers laten plaatsvinden. 2.4. Met het bestreden besluit van 13 december 2024 op de bezwaren van eiser 1 en eisers 2 is het college bij het primaire besluit gebleven. 2.5. Eiser 1 en eisers 2 hebben ieder afzonderlijk beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.6. Het college heeft op 7 februari 2025 op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 2.7. Op 26 februari 2025 (HAA 25/382) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het bestreden besluit geschorst tot de uitspraak op de beroepen van eisers. De voorzieningenrechter heeft hieraan de voorwaarde verbonden dat eisers 2 geen gebruik maken van het terras voor zover gelegen boven het atelier. 2.8. De rechtbank heeft de beroepen op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser 1 en [naam] , alsmede de gemachtigde van eiser 1, de gemachtigde van het college, eisers 2 en de gemachtigde van eisers 2. Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht 3. De rechtbank stelt voorop dat de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) van toepassing is op het bestreden besluit. De Wabo is in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 vervallen maar omdat het handhavingsverzoek vóór 1 januari 2024 is ingediend, zijn op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet de regels uit de Wabo nog wel op het bestreden besluit van toepassing, mits onder het nieuwe recht nog steeds sprake is van een overtreding. Situatieschets 4. Eisers 2 wonen op de [adres 2] in [plaats] . Eiser 1 woont op het naastgelegen perceel op de [adres 1] . De woning van eisers 2 is in 2015 gebouwd. De woning is op een dijk gebouwd waarbij de tuin achter de woning lager ligt dan de woning zelf. Bij de vergunning voor de bouw van de woning is ook een aanbouw van 26 m2 aan de achterkant van de woning vergund. Verder zijn Zo kunnen zij er bijvoorbeeld ook voor kiezen om een deel van de overige bouwwerken op hun perceel te verwijderen waarmee de bebouwde oppervlakte wordt teruggebracht tot een vergunningvrije situatie. Ook is het eisers 2 niet duidelijk welke damwand precies wordt bedoeld in de last. Eiser 1 stelt zich ook op het standpunt dat de last niet voldoende duidelijk geformuleerd is. Eiser 1 wil dat eisers 2 in ieder geval het atelier met daarop het dakterras verwijderen en stelt dat het niet mogelijk mag zijn dat eisers 2 op een andere manier aan de last voldoen. 8.1. Deze beroepsgronden slagen voor zover wordt aangevoerd dat de last onder dwangsom in het bestreden besluit niet voldoende concreet en duidelijk is geformuleerd. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vereisen artikel 5:32a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het rechtszekerheidsbeginsel dat een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd wordt dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over hetgeen gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen. Naar het oordeel van de rechtbank is in het bestreden besluit, door slechts in zijn algemeenheid te verwijzen naar het advies van de adviescommissie, niet duidelijk genoeg uitgelegd op welke punten sprake is van een overtreding en wat eisers 2 moeten doen om de overtredingen te beëindigen. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt. 8.2. Het college laat na in het bestreden besluit de last te herformuleren met vermelding van de relevante bepalingen uit de Wabo. Het college laat verder na in het bestreden besluit de maatvoering te verbeteren en deze verbetering concreet in de last onder dwangsom te verwerken. Voorts laat het college in het bestreden besluit na de last onder de dwangsom zodanig te wijzigen dat eisers 2 de keuze wordt gelaten op welke wijze de bouwwerken kunnen worden teruggebracht tot de maximale vergunningvrije oppervlakte en ten aanzien van welke bouwwerken de keuzemogelijkheid geldt. Verder blijkt uit het advies van de adviescommissie dat in ieder geval een omgevingsvergunning is vereist voor de bouw van het dakterras en voor bouw van de damwand. Eiser 1 stelt dus terecht dat niet duidelijk is welke bouwwerken vergunningsplichtig zijn vanwege een overschrijding van de maximale vergunningvrije oppervlakte en voor welke bouwwerken hoe dan ook een omgevingsvergunning vereist is, waardoor ten aanzien van deze bouwwerken geen keuzemogelijkheid geldt. Onduidelijk is ook of het college het standpunt uit het primaire besluit wil handhaven dat het atelier niet op de grond gelegen is maar deels in het talud van de dijk ligt en daarom in strijd is met artikel 22.27, onder a, van het Omgevingsplan. In het advies van de adviescommissie is deze overtreding niet benoemd waardoor niet duidelijk is of deze conclusie gehandhaafd wordt en zo ja, op welke juridische grond, nu niet de Omgevingswet maar de Wabo van toepassing is. Gelet op al het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank de last onder dwangsom zoals in het bestreden besluit gehandhaafd om meerdere redenen onduidelijk en genomen in strijd met de rechtszekerheid en artikel 5:32a van de Awb. 8.3. Beide beroepen zijn, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen gegrond. In beginsel is er daarom geen aanleiding om de overige beroepsgronden nog inhoudelijk te behandelen. Het is immers eerst aan het college om inzichtelijk te maken op welke punten sprake is van een overtreding en aan te geven wat eisers 2 moeten of kunnen doen om de overtredingen te beëindigen. Pas daarna kan de rechtbank beoordelen of de overtredingen juist zijn geconstateerd, of de handhaving evenredig is en of de hoogte van de dwangsom juist is. Proceseconomie 9. Uit oogpunt van proceseconomie ziet de rechtbank wel aanleiding om een aantal van de overige aangevoerde beroepsgronden te bespreken. Ten eerste ten aanzien van de juridische kwalificatie van het atelier en het daarop gel