Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-02-09
ECLI:NL:RBNHO:2026:1299
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,856 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:1299 text/xml public 2026-04-14T10:18:37 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:1168 Rechtbank Noord-Holland 2026-02-09 HAA 24/1018 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026041302 V-N Vandaag 2026/719 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:1299 text/html public 2026-04-13T09:07:38 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:1299 Rechtbank Noord-Holland , 09-02-2026 / HAA 24/1018 Aan eiseres is een navorderingsaanslag opgelegd, omdat de participatie van eiseres in een filmfonds geen bron van inkomen is. Nu bij 41% van de participanten geen correctie heeft plaatsgevonden, is niet aan de vereiste meerderheid voldaan voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel (meerderheidsregel). Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 24/1018 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen dr. [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoorn, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2013 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.125 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.609. Daarnaast heeft verweerder € 1.401 aan belastingrente in rekening gebracht. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag gehandhaafd. Met dagtekening 25 januari 2024 heeft verweerder de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 ambtshalve verminderd, tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.450 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.609. De belastingrente is dienovereenkomstig verminderd tot een bedrag van € 1.030. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Ten aanzien van bijlage 24 heeft verweerder een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), alsook voor een niet bij het verweerschrift gevoegde lijst met participanten uit het [filmfonds] . De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft bij beslissing van 11 juni 2025 beslist dat de gevraagde beperkte kennisneming van bijlage 24 gerechtvaardigd is. Voor wat betreft de lijst is geheimhouding gerechtvaardigd voor zover het verzoek daartoe betrekking heeft op onleesbaar gemaakte persoonsgegevens van derden. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft eiseres de gelegenheid geboden om binnen twee weken na dagtekening van de beslissing mee te delen of zij erin toestemt dat de rechtbank uitspraak zou doen mede op grondslag van de ongeschoonde stukken. Eiseres heeft hierop op 16 juni 2025 gereageerd. Verweerder heeft overeenkomstig de beslissing van de geheimhoudingskamer bij brief van 19 juni 2025 een versie van de lijst overgelegd, waarin alleen de persoonsgegevens van derden onleesbaar zijn gemaakt. Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan verweerder. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2025 te Haarlem. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. [naam 2] en mr. [naam 3] . Overwegingen Feiten 1. Eiseres heeft in het jaar 2013 voor € 20.000 een participatie aangeschaft in het [filmfonds] (het filmfonds). Het filmfonds heeft tot doel het produceren van twee films, te weten [film 1] en [film 2] . 2. Eiseres heeft laatstelijk op 19 april 2014 de aangifte IB/PVV 2013 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.925 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.609. In de aangifte heeft zij € 20.000 als negatief resultaat in aanmerking genomen ten aanzien van haar participatie in het filmfonds. 3. Met dagtekening 19 november 2014 is, conform de ingediende aangifte, de definitieve aanslag IB/PVV aan eiseres opgelegd. 4. Bij brief van 15 augustus 2018 heeft verweerder het voornemen om af te wijken van de aangifte IB/PVV 2013 aangekondigd, waarbij het negatief resultaat van € 20.000 zal verminderen tot nihil. Volgens verweerder vormt eiseres haar participatie in het filmfonds geen bron van inkomen. 5. Met dagtekening 1 september 2018 is de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 conform de aankondiging opgelegd. 6. Op 16 september 2018 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag. In aanvulling op haar bezwaarschrift heeft zij op 19 september 2018 verzocht om de bezwaarprocedure aan te houden in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad over de kwalificatie van de participatie in het filmfonds. Verweerder heeft hier niet op gereageerd. 7. Op 28 januari 2022 heeft de Hoge Raad arrest gewezen, waaruit volgt dat de participatie in het filmfonds niet is aan te merken als een bron van inkomen (HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:95). 8. Op 7 februari 2023 heeft verweerder telefonisch contact gehad met eiseres en verzocht om intrekking van het bezwaar. Daarnaast heeft verweerder als tegemoetkoming een compromisvoorstel gedaan. Nadat eiseres en verweerder meermaals contact hierover hebben gehad, heeft eiseres op 20 februari 2023 laten weten af te zien van het compromisvoorstel en het bezwaar te handhaven. 9. Verweerder heeft op 22 juni 2023 een e-mail bericht aan eiseres gestuurd. Hierin is, voor zover van belang, het volgende in opgenomen: “afgelopen dinsdag hebben wij een uitvoerig gesprek gehad over uw bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag 2013. Daarbij hebben we afgesproken dat u navraag zou doen voor gegevens van andere participanten in het [filmfonds] , vanwege uw beroep op het gelijkheidsbeginsel.” 10. Op 8 september 2023 heeft eiseres hierop als volgt gereageerd: “Overeenkomstig uw verzoek hierbij de naam van een participant (die ik zojuist toegestuurd kreeg) van het [filmfonds] waarvan de aftrekpost in april 2014 definitief is goedgekeurd. Het is de heer [naam 4] , (…), die dus geen navorderingsaanslag heeft ontvangen.” 11. Op 26 september 2023 stuurt verweerder een e-mail bericht aan eiseres, waarin het volgende, voor zover van belang, is vermeld: “Uw beroep op het gelijkheidsbeginsel biedt naar mijn mening geen uitweg voor uw bezwaar. Recent heeft de Rechtbank Den Haag in een soortgelijke casus beslist (…) Er is dus geen sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Ook is geen sprake van begunstigend beleid.” 12. Bij uitspraak op bezwaar van 31 oktober 2023 is de navorderingsaanslagaanslag gehandhaafd onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:95). 13. Met dagtekening 25 januari 2024 heeft verweerder de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 ambtshalve verminderd met de winsten uit het filmfonds die zijn opgenomen in de aangifte IB/PVV 2014 tot en met 2020. Geschil 14. In geschil is het antwoord op de vraag of het verlies op de investering in het [filmfonds] als verlies uit onderneming ten laste van het inkomen kan worden gebracht. Tussen partijen is niet in geschil dat de participatie in het filmfonds geen bron van inkomen is en ook niet dat verweerder over een nieuw feit beschikte zodat kon worden nagevorderd. 15. Eiseres voert aan dat het verlies op de investering ten laste van haar inkomen mag worden gebracht, omdat zij over eerdere winsten op die investering inkomstenbelasting heeft betaald. Daarnaast doet eisers een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Ten slotte stelt eiseres dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van fair play heeft gehandeld. Eiseres voelt zich daardoor oneerlijk behandeld en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslag. 16. Verweerder stelt dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd en tot het juiste bedrag is vastgesteld. Er is geen sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:1299 text/xml public 2026-04-14T10:18:37 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:1168 Rechtbank Noord-Holland 2026-02-09 HAA 24/1018 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026041302 V-N Vandaag 2026/719 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:1299 text/html public 2026-04-13T09:07:38 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:1299 Rechtbank Noord-Holland , 09-02-2026 / HAA 24/1018 Aan eiseres is een navorderingsaanslag opgelegd, omdat de participatie van eiseres in een filmfonds geen bron van inkomen is. Nu bij 41% van de participanten geen correctie heeft plaatsgevonden, is niet aan de vereiste meerderheid voldaan voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel (meerderheidsregel). Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 24/1018 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen dr. [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoorn, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2013 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.125 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.609. Daarnaast heeft verweerder € 1.401 aan belastingrente in rekening gebracht. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag gehandhaafd. Met dagtekening 25 januari 2024 heeft verweerder de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 ambtshalve verminderd, tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.450 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.609. De belastingrente is dienovereenkomstig verminderd tot een bedrag van € 1.030. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Ten aanzien van bijlage 24 heeft verweerder een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), alsook voor een niet bij het verweerschrift gevoegde lijst met participanten uit het [filmfonds] . De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft bij beslissing van 11 juni 2025 beslist dat de gevraagde beperkte kennisneming van bijlage 24 gerechtvaardigd is. Voor wat betreft de lijst is geheimhouding gerechtvaardigd voor zover het verzoek daartoe betrekking heeft op onleesbaar gemaakte persoonsgegevens van derden. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft eiseres de gelegenheid geboden om binnen twee weken na dagtekening van de beslissing mee te delen of zij erin toestemt dat de rechtbank uitspraak zou doen mede op grondslag van de ongeschoonde stukken. Eiseres heeft hierop op 16 juni 2025 gereageerd. Verweerder heeft overeenkomstig de beslissing van de geheimhoudingskamer bij brief van 19 juni 2025 een versie van de lijst overgelegd, waarin alleen de persoonsgegevens van derden onleesbaar zijn gemaakt. Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan verweerder. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2025 te Haarlem. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. [naam 2] en mr. [naam 3] . Overwegingen Feiten 1. Eiseres heeft in het jaar 2013 voor € 20.000 een participatie aangeschaft in het [filmfonds] (het filmfonds). Het filmfonds heeft tot doel het produceren van twee films, te weten [film 1] en [film 2] . 2. Eiseres heeft laatstelijk op 19 april 2014 de aangifte IB/PVV 2013 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.925 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.609. In de aangifte heeft zij € 20.000 als negatief resultaat in aanmerking genomen ten aanzien van haar participatie in het filmfonds. 3. Met dagtekening 19 november 2014 is, conform de ingediende aangifte, de definitieve aanslag IB/PVV aan eiseres opgelegd. 4. Bij brief van 15 augustus 2018 heeft verweerder het voornemen om af te wijken van de aangifte IB/PVV 2013 aangekondigd, waarbij het negatief resultaat van € 20.000 zal verminderen tot nihil. Volgens verweerder vormt eiseres haar participatie in het filmfonds geen bron van inkomen. 5. Met dagtekening 1 september 2018 is de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 conform de aankondiging opgelegd. 6. Op 16 september 2018 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag. In aanvulling op haar bezwaarschrift heeft zij op 19 september 2018 verzocht om de bezwaarprocedure aan te houden in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad over de kwalificatie van de participatie in het filmfonds. Verweerder heeft hier niet op gereageerd. 7. Op 28 januari 2022 heeft de Hoge Raad arrest gewezen, waaruit volgt dat de participatie in het filmfonds niet is aan te merken als een bron van inkomen (HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:95). 8. Op 7 februari 2023 heeft verweerder telefonisch contact gehad met eiseres en verzocht om intrekking van het bezwaar. Daarnaast heeft verweerder als tegemoetkoming een compromisvoorstel gedaan. Nadat eiseres en verweerder meermaals contact hierover hebben gehad, heeft eiseres op 20 februari 2023 laten weten af te zien van het compromisvoorstel en het bezwaar te handhaven. 9. Verweerder heeft op 22 juni 2023 een e-mail bericht aan eiseres gestuurd. Hierin is, voor zover van belang, het volgende in opgenomen: “afgelopen dinsdag hebben wij een uitvoerig gesprek gehad over uw bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag 2013. Daarbij hebben we afgesproken dat u navraag zou doen voor gegevens van andere participanten in het [filmfonds] , vanwege uw beroep op het gelijkheidsbeginsel.” 10. Op 8 september 2023 heeft eiseres hierop als volgt gereageerd: “Overeenkomstig uw verzoek hierbij de naam van een participant (die ik zojuist toegestuurd kreeg) van het [filmfonds] waarvan de aftrekpost in april 2014 definitief is goedgekeurd. Het is de heer [naam 4] , (…), die dus geen navorderingsaanslag heeft ontvangen.” 11. Op 26 september 2023 stuurt verweerder een e-mail bericht aan eiseres, waarin het volgende, voor zover van belang, is vermeld: “Uw beroep op het gelijkheidsbeginsel biedt naar mijn mening geen uitweg voor uw bezwaar. Recent heeft de Rechtbank Den Haag in een soortgelijke casus beslist (…) Er is dus geen sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Ook is geen sprake van begunstigend beleid.” 12. Bij uitspraak op bezwaar van 31 oktober 2023 is de navorderingsaanslagaanslag gehandhaafd onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:95). 13. Met dagtekening 25 januari 2024 heeft verweerder de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 ambtshalve verminderd met de winsten uit het filmfonds die zijn opgenomen in de aangifte IB/PVV 2014 tot en met 2020. Geschil 14. In geschil is het antwoord op de vraag of het verlies op de investering in het [filmfonds] als verlies uit onderneming ten laste van het inkomen kan worden gebracht. Tussen partijen is niet in geschil dat de participatie in het filmfonds geen bron van inkomen is en ook niet dat verweerder over een nieuw feit beschikte zodat kon worden nagevorderd. 15. Eiseres voert aan dat het verlies op de investering ten laste van haar inkomen mag worden gebracht, omdat zij over eerdere winsten op die investering inkomstenbelasting heeft betaald. Daarnaast doet eisers een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Ten slotte stelt eiseres dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van fair play heeft gehandeld. Eiseres voelt zich daardoor oneerlijk behandeld en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslag. 16. Verweerder stelt dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd en tot het juiste bedrag is vastgesteld. Er is geen sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Volledig
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen die veroorzaakt wordt door begunstigend beleid of een begunstigend oogmerk van verweerder en er bovendien voor deze ongelijke behandeling geen objectieve en redelijke rechtvaardiging is (HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:429). Of sprake is van begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging is beslissend het oogmerk van verweerder toen hij de aanslag(en) regelde zoals hij heeft gedaan (HR 23 april 2004, ECLI:NL:2004:AL8260). Ook kan een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel worden gedaan, wanneer de meerderheidsregel is geschonden. De meerderheidsregel is geschonden, indien gelijke gevallen deel uitmaken van een groep en bij de meerderheid van die groep een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. De stelplicht en de bewijslast daarvoor ligt bij eiseres (HR 16 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2576). Met de door eiseres overgelegde bewijsstukken heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat in de meerderheid van de gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. Bij intern onderzoek is gebleken dat bij 85 van de 141 participanten is afgeweken van de aangifte of een navorderingsaanslag is opgelegd. Van een meerderheid is dan ook geen sprake. Verder heeft verweerder gesteld dat bij de door eiseres genoemde belastingplichtige de heer [naam 4] abusievelijk navordering achterwege is gebleven en niet welbewust is bevoordeeld. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Beoordeling van het geschil Meerderheidsregel 17. Eiseres stelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Van de in totaal 141 participanten die deelnamen aan het filmfonds zijn bij 47 participanten de opgevoerde aftrekpost direct bij het opleggen van de aanslag afgewezen. Volgens eiseres behoren deze 47 participanten niet tot de groep gelijke gevallen, maar bestaat deze slechts uit 94 participanten. In die gevallen is immers bij het opleggen van de aanslag de aftrekpost in eerste instantie toegewezen, waarbij bij 35 participanten alsnog via een navorderingsaanslag de aftrekpost is gecorrigeerd. Bij de overige 59 participanten heeft geen correctie plaatsgevonden. Volgens eiseres betekent dit dat in de meerderheid van gevallen (59 van de 94 = 63%) geen correctie heeft plaatsgevonden. 18. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze stelling van eiseres niet slagen. Dat bij een deel van de participanten het opgegeven negatieve resultaat is gecorrigeerd bij het opleggen van de aanslag en bij een ander deel van de participanten middels het opleggen van de navorderingsaanslag is een verschil in omstandigheden dat niet relevant is voor de vraag of sprake is van een gelijke gevallen. Ondanks dat bij een groot gedeelte van de participanten geen correctie heeft plaatsgevonden, namelijk bij 59 van de 141 participanten (41%), wordt niet aan de vereiste meerderheid voldaan om een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel te kunnen doen. 19. Voor zover eiseres stelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, omdat sprake is van begunstigend beleid kan die stelling evenmin slagen. Ter onderbouwing van haar vermoeden van een begunstigend beleid heeft eiseres één persoon genoemd waarbij de participatie in het filmfonds als negatief resultaat is aanmerking is genomen. Daaruit kan niet de conclusie worden getrokken dat verweerder het oogmerk had om bij het opleggen van de aanslag die belastingplichtige te begunstigen en ten nadele van eiseres daarvan af te wijken. Zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van fair play 20. Wat betreft het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van fair play heeft eiseres aangevoerd dat zij veelvuldig met verweerder heeft gecorrespondeerd, waarbij door medewerkers van de Belastingdienst is gewezen op de mogelijkheid van een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder verzocht om gegevens van een participant waarvan het negatieve resultaat uit de participatie van het filmfonds wel was toegelaten. Eiseres heeft deze gegevens aan verweerder verstrekt, maar dit werd uiteindelijk door verweerder terzijde geschoven. Deze handelswijze vindt eiseres onbegrijpelijk en onzorgvuldig. Ook het feit dat er in een groot aantal gelijke gevallen niet gecorrigeerd is en eiseres pas na lange tijd is geconfronteerd met een navorderingsaanslag is volgens haar in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van fair play. 21. De rechtbank begrijpt dat eiseres zich door deze gang van zaken op het verkeerde been gezet voelt. Dat eiseres door verweerder is gewezen op de mogelijkheid van een beroep op het gelijkheidsbeginsel, betekent echter niet dat de rechter dit beroep moet toewijzen. Het is een vreemde gang van zaken en enigszins onbevredigend dat verweerder in een nipte meerderheid van de gevallen is overgegaan tot een correctie, terwijl verweerder wel een lijst met alle participanten heeft kunnen opstellen waarop is aangegeven bij welke participanten wel en niet is gecorrigeerd. Dit geeft blijkt van enige mate van onzorgvuldig handelen, echter niet genoeg om het beroep gegrond te verklaren. Tot slot begrijpt de rechtbank dat eiseres niet meer op een navorderingsaanslag had gerekend. Verweerder heeft de aanslag evenwel binnen de wettelijke termijn van vijf jaren opgelegd. De slotsom is dat de navorderingsaanslag niet strandt wegens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of het beginsel van fair play. Belastingrente 22. De stelling van eiseres dat het oneerlijk is dat zij naast de belasting ook belastingrente moet betalen, kan niet slagen. De als gevolg van de navorderingsaanslag ontstane te betalen belasting en belastingrente vloeit voort uit de wet. Op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen mag de rechter niet de innerlijke waarde of billijkheid van wettelijke bepalingen beoordelen, behoudens voor zover de wettelijke regeling in strijd zou zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Dat dit laatste het geval is, is de rechtbank niet gebleken. De belastingrente is dan ook terecht en tot het juiste bedrag aan eiseres in rekening gebracht. 23. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Doesburg, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M. Mensink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026. De griffier is verhinderd te tekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer). U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Volledig
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen die veroorzaakt wordt door begunstigend beleid of een begunstigend oogmerk van verweerder en er bovendien voor deze ongelijke behandeling geen objectieve en redelijke rechtvaardiging is (HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:429). Of sprake is van begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging is beslissend het oogmerk van verweerder toen hij de aanslag(en) regelde zoals hij heeft gedaan (HR 23 april 2004, ECLI:NL:2004:AL8260). Ook kan een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel worden gedaan, wanneer de meerderheidsregel is geschonden. De meerderheidsregel is geschonden, indien gelijke gevallen deel uitmaken van een groep en bij de meerderheid van die groep een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. De stelplicht en de bewijslast daarvoor ligt bij eiseres (HR 16 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2576). Met de door eiseres overgelegde bewijsstukken heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat in de meerderheid van de gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. Bij intern onderzoek is gebleken dat bij 85 van de 141 participanten is afgeweken van de aangifte of een navorderingsaanslag is opgelegd. Van een meerderheid is dan ook geen sprake. Verder heeft verweerder gesteld dat bij de door eiseres genoemde belastingplichtige de heer [naam 4] abusievelijk navordering achterwege is gebleven en niet welbewust is bevoordeeld. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Beoordeling van het geschil Meerderheidsregel 17. Eiseres stelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Van de in totaal 141 participanten die deelnamen aan het filmfonds zijn bij 47 participanten de opgevoerde aftrekpost direct bij het opleggen van de aanslag afgewezen. Volgens eiseres behoren deze 47 participanten niet tot de groep gelijke gevallen, maar bestaat deze slechts uit 94 participanten. In die gevallen is immers bij het opleggen van de aanslag de aftrekpost in eerste instantie toegewezen, waarbij bij 35 participanten alsnog via een navorderingsaanslag de aftrekpost is gecorrigeerd. Bij de overige 59 participanten heeft geen correctie plaatsgevonden. Volgens eiseres betekent dit dat in de meerderheid van gevallen (59 van de 94 = 63%) geen correctie heeft plaatsgevonden. 18. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze stelling van eiseres niet slagen. Dat bij een deel van de participanten het opgegeven negatieve resultaat is gecorrigeerd bij het opleggen van de aanslag en bij een ander deel van de participanten middels het opleggen van de navorderingsaanslag is een verschil in omstandigheden dat niet relevant is voor de vraag of sprake is van een gelijke gevallen. Ondanks dat bij een groot gedeelte van de participanten geen correctie heeft plaatsgevonden, namelijk bij 59 van de 141 participanten (41%), wordt niet aan de vereiste meerderheid voldaan om een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel te kunnen doen. 19. Voor zover eiseres stelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, omdat sprake is van begunstigend beleid kan die stelling evenmin slagen. Ter onderbouwing van haar vermoeden van een begunstigend beleid heeft eiseres één persoon genoemd waarbij de participatie in het filmfonds als negatief resultaat is aanmerking is genomen. Daaruit kan niet de conclusie worden getrokken dat verweerder het oogmerk had om bij het opleggen van de aanslag die belastingplichtige te begunstigen en ten nadele van eiseres daarvan af te wijken. Zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van fair play 20. Wat betreft het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van fair play heeft eiseres aangevoerd dat zij veelvuldig met verweerder heeft gecorrespondeerd, waarbij door medewerkers van de Belastingdienst is gewezen op de mogelijkheid van een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder verzocht om gegevens van een participant waarvan het negatieve resultaat uit de participatie van het filmfonds wel was toegelaten. Eiseres heeft deze gegevens aan verweerder verstrekt, maar dit werd uiteindelijk door verweerder terzijde geschoven. Deze handelswijze vindt eiseres onbegrijpelijk en onzorgvuldig. Ook het feit dat er in een groot aantal gelijke gevallen niet gecorrigeerd is en eiseres pas na lange tijd is geconfronteerd met een navorderingsaanslag is volgens haar in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van fair play. 21. De rechtbank begrijpt dat eiseres zich door deze gang van zaken op het verkeerde been gezet voelt. Dat eiseres door verweerder is gewezen op de mogelijkheid van een beroep op het gelijkheidsbeginsel, betekent echter niet dat de rechter dit beroep moet toewijzen. Het is een vreemde gang van zaken en enigszins onbevredigend dat verweerder in een nipte meerderheid van de gevallen is overgegaan tot een correctie, terwijl verweerder wel een lijst met alle participanten heeft kunnen opstellen waarop is aangegeven bij welke participanten wel en niet is gecorrigeerd. Dit geeft blijkt van enige mate van onzorgvuldig handelen, echter niet genoeg om het beroep gegrond te verklaren. Tot slot begrijpt de rechtbank dat eiseres niet meer op een navorderingsaanslag had gerekend. Verweerder heeft de aanslag evenwel binnen de wettelijke termijn van vijf jaren opgelegd. De slotsom is dat de navorderingsaanslag niet strandt wegens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of het beginsel van fair play. Belastingrente 22. De stelling van eiseres dat het oneerlijk is dat zij naast de belasting ook belastingrente moet betalen, kan niet slagen. De als gevolg van de navorderingsaanslag ontstane te betalen belasting en belastingrente vloeit voort uit de wet. Op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen mag de rechter niet de innerlijke waarde of billijkheid van wettelijke bepalingen beoordelen, behoudens voor zover de wettelijke regeling in strijd zou zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Dat dit laatste het geval is, is de rechtbank niet gebleken. De belastingrente is dan ook terecht en tot het juiste bedrag aan eiseres in rekening gebracht. 23. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Doesburg, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M. Mensink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026. De griffier is verhinderd te tekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer). U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).