Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-09-02
ECLI:NL:RBNHO:2026:11956
Deze uitspraak gaat over twee besluiten waarbij de minister boetes heeft opgelegd aan eiseres wegens overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de Wet arbeid vreemdelingen. Volgens de minister heeft eiseres sinds 2019 vijf vreemdelingen in dienst gehad die feitelijk reguliere arbeid hebben verricht terwijl zij beschikten over een tewerkstellingsvergunning voor een stage. Dit is volgens de minister in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen. Verder is de minister van mening dat de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag is overtreden omdat de vreemdelingen, nu zij reguliere arbeid hebben verricht, recht hadden op minimumloon. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister ten aanzien van twee vreemdelingen en één Nederlandse oproepkracht voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de Wet arbeid vreemdelingen. Ten aanzien van de overige twee vreemdelingen is dit niet het geval. Hierbij is doorslaggevend dat ten aanzien van één van deze vreemdelingen bijna geen stukken voorhanden zijn waardoor niet duidelijk is wat voor werkzaamheden zij heeft verricht. Ten aanzien van de andere vreemdeling blijkt uit zijn verklaringen dat hij wezenlijk andere werkzaamheden heeft verricht en in het kader van zijn studie enig onderzoek heeft verricht, hetgeen voldoende is onderbouwd om het bestaan van een dienstbetrekking te weerspreken. Tot slot ziet de rechtbank aanleiding om de boetes te matigen omdat de redelijke termijn is overschreden. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 25/1535 en 25/1536 uitspraak van de meervoudige kamer van 2 september 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. B.P. Kuhn), en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister (gemachtigden: mr. N.M. Popa de Boer en mr. Y.D.R. Mandel). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over twee te onderscheiden besluiten waarbij de minister boetes heeft opgelegd aan eiseres wegens overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de Wet arbeid vreemdelingen. Volgens de minister heeft eiseres sinds 2019 vijf vreemdelingen in dienst gehad die feitelijk reguliere arbeid hebben verricht terwijl zij beschikten over een tewerkstellingsvergunning voor een stage. Dit is volgens de minister in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen. Verder is de minister van mening dat de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag is overtreden omdat de vreemdelingen, nu zij reguliere arbeid hebben verricht, recht hadden op minimumloon. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister ten aanzien van twee vreemdelingen en één Nederlandse oproepkracht voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de Wet arbeid vreemdelingen. Ten aanzien van de overige twee vreemdelingen is dit niet het geval. Hierbij is doorslaggevend dat ten aanzien van één van deze vreemdelingen bijna geen stukken voorhanden zijn waardoor niet duidelijk is wat voor werkzaamheden zij heeft verricht. Ten aanzien van de andere vreemdeling blijkt uit zijn verklaringen dat hij wezenlijk andere werkzaamheden heeft verricht en in het kader van zijn studie enig onderzoek heeft verricht, hetgeen voldoende is onderbouwd om het bestaan van een dienstbetrekking te weerspreken. Eiseres krijgt dus deels gelijk en de beroepen zijn daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 14 maart 2024 heeft de minister eiseres op de hoogte gesteld van de voornemens om aan haar twee boetes op te leggen voor het overtreden van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: de Wml) en de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav). 2.1. Eiseres heeft op 25 april 2024 met een zienswijze gereageerd op de voornemens. 2.2. Op 28 juni 2024 heeft de minister besloten om aan eiseres twee boetebeschikkingen op te leggen. In totaal € 11.625,- voor het overtreden van de Wml en in totaal € 12.000,- voor het overtreden van de Wav. 2.3. Eiseres heeft op 8 augustus 2024 bezwaar gemaakt tegen de boetebeschikkingen. 2.4. Met het bestreden besluit I van 31 januari 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres gegrond verklaard voor zover het de hoogte van de boete op grond van de Wml betreft. De boete is daarom verlaagd naar € 11.250,-. Voor het overige blijft die boetebeschikking ongewijzigd in stand. Met het bestreden besluit II van dezelfde datum heeft de minister het bezwaar tegen de boetebeschikking op grond van de Wav ongegrond verklaard. 2.5. Eiseres heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld. Het beroep onder zaaknummer 25/1536 betreft de boete in het kader van de Wml, het beroep onder zaaknummer 25/1535 de boete in het kader van de Wav. 2.6. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 2.7. De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [namen] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de minister. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Medio 2019 is door het Samenwerkingsverband Uitzendbureaus onderzoek uitgevoerd bij Stichting uitwisseling voor studiereizen op het platteland (SUSP). Uit dit onderzoek is gebleken dat hoger opgeleide buitenlandse studenten die via SUSP bij agrarische bedrijven in Nederland stage hebben gelopen, hoofdzakelijk reguliere (productie)werkzaamheden bij deze agrarische bedrijven hebben verricht. Verder is gebleken dat deze stagiairs geen of nagenoeg geen onderzoek hebben verricht in het kader van hun studie terwijl dit wel was opgegeven bij hun aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning. Een van deze agrarische bedrijven betreft eiseres. 3.1. Er is daarom nader onderzoek gedaan naar eiseres. Naar aanleiding van dit onderzoek is geconstateerd dat vijf vreemdelingen arbeid hebben verricht voor eiseres die hoofdzakelijk gericht was op het meedraaien met de primaire bedrijfsactiviteiten, zoals het planten, oogsten, wieden, en bossen van bloemen voor de verkoop. 3.2. Naar aanleiding van het onderzoek is een boeterapport opgesteld. Dit rapport is op 24 januari 2024 naar eiseres verzonden. Uit het boeterapport volgt dat de inspecteurs drie overtredingen van artikel 7, eerste lid, en twee overtredingen van artikel 7, derde lid, van de Wml hebben vastgesteld. Voorts is er een overtreding van artikel 7a, eerste lid, van de Wml geconstateerd. Ten aanzien van de Wav hebben volgens het boeterapport vier overtredingen plaatsgevonden. Het bestreden besluit I (Wml) 4. In bestreden besluit I stelt de minister zich – kort samengevat – op het standpunt dat geen sprake is van stage-overeenkomsten maar dienstbetrekkingen in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW). De reden hiervoor is dat de verrichte werkzaamheden niet overeenkwamen met de trainingsplannen en voornamelijk bestonden uit gangbare productiewerkzaamheden. Verder is niet gebleken dat de werkzaamheden waren afgestemd op de door de vreemdelingen gevolgde opleidingen. Voorts overweegt de minister dat de werkzaamheden niet primair gericht waren op het vergroten van de eigen kennis en vaardigheden van de stagairs maar op het verrichten van arbeid. Hiermee staat volgens de minister vast dat de vijf vreemdelingen tot eiseres in dienstbetrekking stonden en dat eiseres was aan te merken als hun werkgever. Dat de vreemdelingen hebben verklaard (veel) te hebben geleerd en dat zij een mooie tijd hebben gehad, staat hieraan niet in de weg. Op grond hiervan was eiseres als werkgever verplicht om aan de vijf vreemdelingen het wettelijk minimumloon te betalen. Niet staat ter discussie dat dit niet is gebeurd. Ook staat niet ter discussie dat eiseres ten aanzien van één vreemdeling in strijd met het eerste lid van artikel 7a van de Wml het loon niet giraal heeft betaald. Ten aanzien van de hoogte van de boete overweegt de minister dat geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij eiseres. Wel komt de minister tot de conclusie dat de totale onderbetaling met betrekking tot de (Nederlandse) oproepkracht een gering bedrag betreft en dat het gaat om een gering percentage. Tevens heeft eiseres het te weinig betaalde bedrag inmiddels nabetaald. De hiervoor genoemde omstandigheden geven volgens de minister aanleiding voor een matiging van 50% van het boetenormbedrag van € 1.000,-. Tevens rekening houdend met de matiging van 25% voor de lange periode tussen de start van het onderzoek en het insturen van het boeterapport, bedraagt de boete met betrekking tot deze oproepkracht na deze matiging € 375,16. De totale boete voor zes overtredingen van de Wml komt daarom neer op € 11.250. Het bestreden besluit II (Wav) 5. In het bestreden besluit II stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres ook het eerste lid van artikel 2 van de Wav heeft overtreden omdat de vreemdelingen niet beschikten over de juiste tewerkstellingsvergunningen. Volgens de minister is niet gebleken dat sprake was van stages op een HBO- of universitair niveau, hetgeen volgens de minister wel is vereist op grond van paragraaf 30 van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014 (hierna: de Regeling). Zodoende komt de arbeid die de vreemdelingen hebben verricht niet overeen met het doel waarvoor de tewerkstellingsvergunningen zijn verleend. Omdat ten aanzien van één vreemdeling de verjaringstermijn is overschreden, gaat de minister uit van vier overtredingen van de Wav. Ten aanzien van de hoogte van de boetes blijft de minister dan ook bij het primaire besluit. De minister heeft het boetenormbedrag van € 8.000,- gematigd met 50% omdat sprake is van normale verwijtbaarheid. Daarnaast ziet de minister aanleiding om de boete nog een keer met 25% te matigen wegens het tijdsverloop tussen de start van het onderzoek en het opleggen van de boete. De minister legt daarom een boete op van € 3.000,- per overtreding wat neer komt op een totaal van € 12.000,- voor het overtreden van de Wav. Is sprake van een overtreding van de Wml? 6. Eiseres betwist dat zij de Wml heeft overtreden. Eiseres erkent dat de vreemdelingen in het kader van hun stages ook primaire bedrijfsactiviteiten hebben uitgevoerd maar stelt dat dit nog niet maakt dat sprake was van reguliere arbeid in de zin van artikel 7:610 van het BW. Eiseres stelt dat zij altijd structurele begeleiding heeft geboden aan de vreemdelingen als stagiairs en dat hun werkzaamheden met name gericht waren op het verwerven van persoonlijke kennis en ervaring. Zodoende stond gedurende de stage het leeraspect voorop. Volgens eiseres blijkt dit ook uit de verslagen van de vreemdelingen in haar gastenboek. Ook wijst eiseres op de inhoud van het aanvraagformulier waaruit niet blijkt dat vereist is dat stagiairs onderzoek doen tijdens hun stage of dat de stage aansluit op het HBO- of universitair niveau van hun opleiding. Verder wijst eiseres erop dat alle vreemdelingen hebben verklaard dat ze veel hebben geleerd tijdens hun stage bij eiseres. Deze specifieke omstandigheden zijn volgens eiseres ten onrechte niet betrokken bij het onderzoek van de minister. 6.1. Uit artikel 7, eerste lid, van de Wml volgt dat een werknemer jegens een werkgever recht heeft op minimumloon voor de arbeid die hij in dienstbetrekking verricht. Voor de vraag of eiseres minimumloon verschuldigd was aan de vreemdelingen is dus in de eerste plaats van belang of de arbeid die zij voor eiseres hebben verricht moet worden aangemerkt als een dienstbetrekking dan wel als een stage. Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad moet deze vraag worden beantwoord met het oog op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen hadden, maar moet ook rekening worden gehouden met de manier waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en daaraan inhoud hebben gegeven. Daarnaast is een leerovereenkomst volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geen arbeidsovereenkomst indien de verrichte werkzaamheden primair zijn gericht op het vergroten van eigen kennis en/of het opdoen van werkervaring. Dit betekent dat om te spreken van een stage-overeenkomst van belang is dat het leeraspect voorop staat. 6.2. Omdat het gaat om een belastend besluit is het in de eerste plaats aan de minister om te onderbouwen dat het leeraspect niet voorop heeft gestaan. Het is dus de vraag of op grond van het boeterapport waarop de minister zich baseert, voldoende duidelijk is dat geen sprake is geweest van stages. Het boeterapport is gebaseerd op de verklaringen van betrokken partijen en de stagedossiers van de vreemdelingen. Deze stagedossiers bestaan onder andere uit de stageovereenkomsten, de trainingsplannen, de aanvragen van de tewerkstellingsvergunningen en de maandelijkse stageverslagen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister ten aanzien van twee vreemdelingen genoegzaam onderbouwd dat het leeraspect niet voorop stond. Dit betreft [naam 1] en [naam 2] . Uit de verklaringen van deze vreemdelingen is immers duidelijk dat zij over het algemeen hetzelfde werk deden en dezelfde uren maakten als de andere werknemers van eiseres. Verder blijkt uit de door hen ingevulde maandverslagen en evaluatieformulieren enkel dat ze zich bezig hebben gehouden met de primaire bedrijfsactiviteiten van eiseres zoals het snijden en bossen van bloemen. Deze verklaringen zijn door eiseres niet onderbouwd weerlegd. 6.3. Ten aanzien van de overige twee vreemdelingen, [naam 3] en [naam 4] , is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd dat de Wml is overtreden. Als uitgangspunt geldt immers dat op het bestuursorgaan de bewijslast rust van een overtreding. In geval van twijfel moet aan eiseres het voordeel van de twijfel worden gegund. Voor wat betreft [naam 4] heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat zij slechts zeer korte tijd in Nederland aanwezig is geweest omdat zij vanwege onvoorziene omstandigheden terug naar huis moest. Dit is niet betwist door de minister. Ten aanzien van deze vreemdeling zijn verder geen verklaringen afgenomen en ook een maandverslag of evaluatieformulier ontbreekt. Zodoende is niet duidelijk geworden welke werkzaamheden zij feitelijk heeft verricht en of dit moet worden aangemerkt als een stage of een dienstbetrekking. Ten aanzien van deze vreemdeling is de rechtbank dus van oordeel dat de minister onvoldoende onderbouwd heeft dat de Wml is overtreden. Ten aanzien van [naam 3] volgt uit zijn verklaringen dat hij wezenlijk ander werk deed dan de andere werknemers van eiseres en minder lang hoefde te werken. Bovendien heeft eiseres in de bezwaarfase het eindverslag van deze vreemdeling overgelegd, waar in het bestreden besluit ten onrechte niet op ingegaan is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dus onvoldoende gemotiveerd dat ondanks deze contra-indicaties sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. 6.4. Tot slot heeft de minister een overtreding van artikel 7 geconstateerd ten aanzien van een Nederlandse oproepkracht aangezien eiseres hem € 51,99 te weinig heeft uitbetaald. Dit heeft eiseres niet betwist. De rechtbank zal in rechtsoverweging 8 en verder ingaan op de vraag of de hoogte van deze boetes evenredig is. Is sprake van een overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen? 7. Eiseres voert in het kader van de overtredingen op grond van de Wav ook aan dat er geen overtredingen hebben plaatsgevonden. Volgens eiseres hebben alle vreemdelingen stage gelopen en daarmee invulling gegeven aan hun tewerkstellingsvergunning op grond van paragraaf 30 van de Regeling. Eiseres stelt dat uit het aanvraagformulier van deze tewerkstellingsvergunning of de beleidsregels van de UWV niet blijkt dat het vereist is dat onderzoek wordt verricht door de stagiairs. Eiseres wijst er ook op dat alle vreemdelingen hebben verklaard dat zij veel geleerd hebben tijdens hun stage en dat de stage voor hen meerwaarde heeft gehad bij het voltooien van hun studie. 7.1. Op grond van het eerste lid van artikel 2 van de Wav is het en werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. De vreemdelingen in dienst bij eiseres beschikten over een tewerkstellingsvergunning op grond van paragraaf 30 van de Regeling. Deze tewerkstellingsvergunning is bedoeld voor vreemdelingen die korter dan drie maanden arbeid verrichten als stagiair. Verder is vereist dat de stagiair een opleiding volgt aan een instelling voor hoger onderwijs (van HBO- of universitair niveau) in het buitenland of op het moment van aanvraag ten hoogste twee jaar beschikt over een diploma, afgegeven door een instelling voor hoger onderwijs. Tot slot mag de stage niet in de plaats komen van een reguliere baan. In verband met dit vereiste dient in de stageovereenkomst een beschrijving van het stageprogramma te worden opgenomen, waarin de educatieve doelstellingen en leercomponenten van de stage zijn opgenomen. 7.2. Eiseres heeft erkend dat zij niet van iedere vreemdeling weet of hij of zij wel of niet onderzoek heeft verricht ten behoeve van hun studie. Ten aanzien van [naam 1] en [naam 2] hebben heeft de rechtbank geoordeeld dat voldoende vast is komen te staan dat zij feitelijk reguliere arbeid hebben verricht. Reeds daarom heeft eiseres ten aanzien van deze twee vreemdelingen ook de Wav overtreden. Zij beschikten immers niet over de juiste tewerkstellingsvergunning nu hun vergunning op grond van paragraaf 30 van de Regeling niet bedoeld was voor het verrichten van reguliere arbeid. 7.3. Ten aanzien van [naam 3] en [naam 4] heeft de rechtbank geoordeeld dat niet met voldoende zekerheid is vastgesteld dat eiseres de Wml heeft overtreden. Dit betekent niet dat ook geen sprake is van een overtreding van de Wav. Het beoordelingskader van paragraaf 30 van de Regeling is immers niet hetzelfde als het beoordelingskader op grond van de Wml. Hier gaat het om de vraag of de arbeid die deze vreemdelingen hebben verricht voor eiseres in overeenstemming is met het doel van hun tewerkstellingsvergunning op grond van paragraaf 30. Net als met de boetebeschikking op grond van de Wml gaat het hier om een belastend besluit waarbij het in de eerste plaats aan de minister is om te onderbouwen dat dit niet het geval is geweest. Ook in dit geval is de rechtbank van oordeel dat de minister dit onvoldoende heeft gedaan. Zoals is overwogen in rechtsoverweging 6.3 van deze uitspraak heeft de minister ten aanzien van [naam 4] niet aangetoond dat zij ander werk heeft verricht dan vermeld staat in haar stageplan dan wel haar tewerkstellingsvergunning. Er is geen informatie voorhanden waaruit blijkt welke feitelijke werkzaamheden zij heeft verricht laat staan dat dit moet worden aangemerkt als reguliere arbeid. Het enkele feit dat eiseres de Wav heeft overtreden ten aanzien van andere vreemdelingen maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat alleen al daarmee ook aannemelijk is dat [naam 4] enkel reguliere arbeid heeft verricht. Bovendien neemt de rechtbank hierin mee dat niet in geschil is dat [naam 4] haar stage bij eiseres vroegtijdig heeft beëindigd waardoor de mogelijkheid dat zij haar stageprogramma niet (volledig) heeft gevolgd niet voor rekening van eiseres dient te komen. 7.4. Ten aanzien van [naam 3] geldt ook dat de rechtbank van oordeel is dat de minister niet voldoende heeft onderbouwd dat eiseres de Wav heeft overtreden. Zoals eerder benoemd blijkt uit de beschikbare stukken dat [naam 3] heeft verklaard dat hij ander werk heeft verricht dan de overige werknemers van eiseres, hetgeen eiseres heeft willen onderbouwen door het eindverslag van [naam 3] over te leggen. Op grond daarvan is de rechtbank al tot het oordeel gekomen dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. Dat betekent echter nog niet dat de arbeid die hij wel heeft verricht in overeenstemming is met het doel van zijn tewerkstellingsvergunning. Daarvoor is immers vereist dat hij een opleiding volgde (of heeft gevolgd) aan een instelling voor hoger onderwijs (van HBO- of universitair niveau) in het buitenland en in dat verband een stageprogramma volgde bij eiseres met daarin de educatieve doelstellingen en leercomponenten van de stage. Het is niet in geschil dat [naam 3] voldeed aan het eerste vereiste omdat hij ten tijde van zijn stage een opleiding volgde aan een buitenlandse universiteit. Er is verder geen informatie waaruit blijkt dat hij zijn stageprogramma niet heeft gevolgd en daar komt bij dat eiseres in de bezwaarfase het eindverslag van [naam 3] heeft overgelegd. Dit eindverslag is ook in het kader van de boetebeschikking op grond van de Wav ten onrechte niet (kennelijk) betrokken terwijl het in beginsel weldegelijk een contra-indicatie is van de conclusie van de minister dat hij enkel reguliere arbeid heeft verricht. 7.5. Zodoende komt de rechtbank tot de conclusie dat ten aanzien van [naam 3] en [naam 4] niet is vast komen te staan dat zij reguliere arbeid hebben verricht in strijd met hun tewerkstellingsvergunningen op grond van paragraaf 30 van de Regeling. Is de hoogte van de opgelegde boetes evenredig? 8. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat de cumulatie van de boetes in het kader van de Wml én de Wav voortvloeit uit dezelfde handelingen. Deze cumulatie moet volgens eiseres tot gevolg hebben dat de boetes worden gematigd. Ten aanzien van [naam 5] stelt eiseres dat de overtreding zeer gering is en geen sprake is van verwijtbaarheid waardoor van de oplegging van de boete moet worden afgezien. 8.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een cumulatie van boetes niet per definitie onevenredig is. In dit geval is geen sprake van een grote hoeveelheid boetes voor één feitelijke handeling die zijn gecumuleerd. In dit geval is slechts ten aanzien van twee vreemdelingen sprake van een cumulatie van boetes op grond van de Wml en Wav. Hierbij geldt dat het gaat om verschillende wetten met verschillende doelen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in deze omstandigheden geen aanleiding om de boetes te matigen wegens cumulatie. 8.2. De boete wegens het overtreden van de Wml ten aanzien van [naam 5] , is met het bestreden besluit I al gematigd. Eiseres stelt zich in het beroepschrift op het standpunt dat in dezelfde periode € 48,62 teveel is betaald aan [naam 5] waardoor feitelijk maar € 3,37 aan achterstallig loon overblijft. Volgens eiseres was de minister hiervan op de hoogte en is dit ten onrechte niet betrokken bij de boeteoplegging. Naar het oordeel van de rechtbank doet dit echter niet af aan het achterstallig loon van € 51,99, hetgeen op zichzelf een overtreding is. Dat er op een ander moment ook een keer teveel is uitbetaald maakt niet dat de overtreding niet heeft plaats gevonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister hierin dan ook geen aanleiding hoeven zien om de boete ten aanzien van [naam 5] verder te matigen. Is de redelijke termijn overschreden? 9. De rechtbank toetst in boetezaken ambtshalve of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Deze termijn wordt overschreden indien de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze, wordt de redelijke termijn in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar (een jaar voor de bestuurlijke fase en een jaar voor de rechterlijke fase) heeft geduurd. De termijn in punitieve zaken begint te lopen op het moment waarop een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een procedure inzake een punitieve sanctie in gang wordt gezet. In dit geval is dat het moment waarop de minister het voornemen heeft geuit om de boetes op te leggen, namelijk 14 maart 2024. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden ten tijde van de datum van deze uitspraak. Deze termijnoverschrijding is volledig aan de rechtbank toe te rekenen.