Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-01-15
ECLI:NL:RBNHO:2026:1193
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zaanstad Zaaknummer: 11653218 \ CV EXPL 25-1143 Vonnis van 15 januari 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , 2. [eiser 2] , beiden wonende in [plaats] , eisers in conventie, verweerders in (voorwaardelijke) reconventie, hierna samen te noemen: [eisers] , procederend in persoon, tegen 1 [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2] , beiden wonende in [plaats] , gedaagden in conventie, eisers in (voorwaardelijke) reconventie, hierna samen te noemen: [gedaagden] , gemachtigde: mr. G.J.M. Immens. De zaak in het kort Partijen zijn achterburen van elkaar. [gedaagden] hebben in 2022 de coniferen op de erfgrens vervangen door een schutting, maar die schutting staat deels in de tuin van [eisers] . De vordering van [eisers] tot verwijdering van de schutting wordt toegewezen, omdat niet is gebleken dat [eisers] hebben ingestemd met de plaats van de schutting en omdat de afwijking van de erfgrens niet zo klein is dat [eisers] met hun vordering misbruik van bevoegdheid maken. In reconventie worden [eisers] veroordeeld om mee te werken aan het plaatsen van een schutting op de erfgrens. Ook moeten zij een camera met lamp, die zij vlakbij de erfgrens hebben geplaatst en die inbreuk maakt op de privacy van [gedaagden] , verwijderen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties 1 tot en met 19; de conclusie van antwoord, tevens eis in (voorwaardelijke) reconventie met producties 1 tot en met 8; het tussenvonnis van 26 juni 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald; de door [gedaagden] in het geding gebrachte aanvullende productie [nummer 1] ; de mondelinge behandeling van 18 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eisers] zijn de eigenaren van de woning gelegen aan [adres 1] in [plaats] . De achtertuin van de woning van [eisers] grenst aan de achtertuin van de woning van [gedaagden] , gelegen aan [adres 2] in [plaats] . 2.2. Tussen de tuinen van [eisers] en [gedaagden] stond voorheen een coniferenhaag. In het voorjaar van 2022 hebben [gedaagden] voorgesteld die haag te vervangen door een schutting. [eisers] hebben daarmee ingestemd. 2.3. In het najaar van 2022 hebben [gedaagden] de coniferen op de grens met de tuin van [eisers] verwijderd. Ook hebben zij de palen voor de schutting geplaatst. [eisers] hebben toen aan [gedaagden] gemeld dat zij vermoedden dat de palen van de schutting niet in een rechte lijn stonden, maar schuin richting hun tuin waren geplaatst. Enkele dagen later hebben [gedaagden] de palen van de schutting aan hun zijde voorzien van planken. 2.4. Op enig moment zijn ook een aantal coniferen verwijderd op de grens tussen de tuin van [eisers] en de tuin van hun buren op [adres 3] . 2.5. In februari 2023 hebben [eisers] een erfgrensmeting laten uitvoeren door PB Maatvoering. Op 6 oktober 2023 heeft, ook in opdracht van [eisers] , een erfgrensmeting door het Kadaster plaatsgevonden. In het relaas van bevindingen is het volgende vermeld: 2.6. [eisers] hebben [gedaagden] meermaals verzocht de schutting te verplaatsen naar hun eigen tuin. [gedaagden] hebben aan dat verzoek niet voldaan. 2.7. In het najaar van 2024 hebben [eisers] op de achterkant van een schuur in hun achtertuin, op circa één meter afstand van de schutting, een camera geplaatst. De camera is voorzien van een lamp. [gedaagden] hebben de volgende foto overlegd, die is genomen vanuit de tuin van [gedaagden] : 2.8. [gedaagden] hebben [eisers] verzocht de camera te verwijderen of te verplaatsen. Aan dit verzoek hebben [eisers] niet voldaan. Wel hebben zij aan de bovenzijde van de schutting een afscherming bevestigd, gemaakt van plastic klimop. 3 Het geschil in conventie 3.1. [eisers] vorderen - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: [gedaagden] veroordeelt tot het verplaatsen van de door hen geplaatste schutting op de erfgrens tussen de percelen De kantonrechter volgt [gedaagden] niet in hun betoog dat de schutting op de erfgrens is geplaatst omdat de planken van de schutting zich boven de ijzeren buis van het Kadaster zouden bevinden. Zelfs als dat zo is, neemt dat namelijk niet weg dat de schuttingpalen in de tuin van [eisers] staan. Daarmee staat de inbreuk op het eigendomsrecht van [eisers] in principe vast. [eisers] hebben niet ingestemd met de plek van de schutting; de schutting is onrechtmatig 4.3. Als [eisers] toestemming hebben gegeven aan [gedaagden] om de schutting in hun tuin te plaatsen, kunnen zij geen verwijdering van de schutting vorderen. [gedaagden] hebben echter onvoldoende onderbouwd dat [eisers] die toestemming hebben gegeven. Die stelling van [gedaagden] is namelijk in strijd met het feit dat [eisers] voorafgaand aan het plaatsen van de schutting een draad hebben gespannen om de rechte lijn aan te geven die de schutting moest volgen, terwijl vast staat dat de schutting die rechte lijn niet volgt. Ook is die stelling van [gedaagden] in strijd met het gegeven dat [eisers] direct na het plaatsen van de schuttingpalen bij [gedaagden] bezwaar hebben gemaakt tegen de plek van de palen. [gedaagden] hebben op deze standpunten van [eisers] onvoldoende concreet gereageerd. Dit verweer van [gedaagden] slaagt dus niet. 4.4. Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat [gedaagden] onrechtmatig hebben gehandeld door de schutting in de tuin van [eisers] te plaatsen. [eisers] worden daardoor immers belemmerd in het gebruik van hun tuin. Anders dan [gedaagden] hebben aangevoerd is hiervoor niet doorslaggevend of [gedaagden] bewust de schutting in de tuin van [eisers] hebben geplaatst. Of [gedaagden] dat bewust hebben gedaan, kan dus in het midden blijven. [eisers] maken geen misbruik van bevoegdheid en de vordering is niet onaanvaardbaar 4.5. In principe kunnen [eisers] verwijdering van de onrechtmatige schutting vorderen, tenzij zij die bevoegdheid misbruiken. Van misbruik kan sprake zijn als er een zodanige onevenredigheid bestaat tussen enerzijds het belang van [eisers] bij het verwijderen van de schutting, en anderzijds het belang van [gedaagden] bij behouden van de schutting, dat [eisers] naar redelijkheid geen verwijdering van de schutting had mogen vorderen. 4.6. [gedaagden] hebben onvoldoende onderbouwd dat [eisers] misbruik van bevoegdheid maken. Het argument dat [gedaagden] daarvoor aandragen is dat de afstand tussen de schutting en de erfgrens zeer gering is. [gedaagden] berekenen die afstand op gemiddeld 2 centimeter, maar die berekening volgt de kantonrechter niet. Die berekening is gebaseerd op gemiddelde paal- en plankdiktes en niet op de feitelijke situatie. Uit de al genoemde foto in productie 8 bij de dagvaarding volgt voldoende duidelijk dat de werkelijke afwijking (circa) tien centimeter bedraagt. Daarmee is de afwijking niet dermate klein dat [eisers] geen enkel belang hebben bij het verwijderen van de schutting uit hun tuin. 4.7. Bovendien hebben [eisers] ter zitting aangevoerd dat zij de strook grond achter de schutting gebruiken om onderhoud aan hun schuur te kunnen plegen en voor opslag van bijvoorbeeld een ladder en verschillende andere voorwerpen/materialen. Die ruimte is door de schuin geplaatste schutting kleiner geworden. Het aanbod van [gedaagden] om na het einde van de levensduur van de huidige schutting een nieuwe schutting op de erfgrens te plaatsen (waarbij [gedaagden] geen beroep op verjaring zullen doen) komt onvoldoende tegemoet aan dit belang van [eisers] . Dat zou namelijk betekenen dat [eisers] de komende (mogelijk tientallen) jaren belemmerd blijven in het gebruik van hun tuin. 4.8. [gedaagden] hebben zich beroepen op de hoge kosten van het verwijderen van de schutting, maar zij hebben die kosten niet geconcretiseerd of onderbouwd. Ter zitting hebben [gedaagden] wel toegelicht dat de kosten van het verwijderen, en vervolgens opnieuw plaatsen van de schutting, inclusief het aanschaffen van deels nieuwe materialen, circa Er bestaat dus onduidelijkheid over wie de coniferen heeft afgezaagd. Bij die stand van zaken kan [gedaagden] niet worden veroordeeld om de schade te vergoeden. Dit deel van de vordering van [eisers] zal daarom worden afgewezen. In (voorwaardelijke) reconventie [eisers] moeten meewerken aan het plaatsen van een schutting op de erfgrens 4.17. Omdat [gedaagden] in conventie zullen worden veroordeeld de schutting te verwijderen, is de voorwaarde waaronder de voorwaardelijke reconventionele vordering is ingesteld, vervuld. 4.18. Op de erfgrens tussen de tuinen van [eisers] en [gedaagden] staat geen scheidsmuur. Op grond van artikel 5:49 BW kunnen [gedaagden] daarom vorderen dat [eisers] eraan meewerken dat die scheidsmuur wordt geplaatst. [eisers] hebben geen argumenten aangevoerd die tot een andere uitkomst leiden, zodat deze vordering zal worden toegewezen. Daarbij geldt als wettelijk uitgangspunt dat de schutting op de erfgrens wordt geplaatst op gelijke kosten. [gedaagden] hebben daarbij aangegeven dat een deel van de materialen van de huidige schutting hergebruikt kan worden. De kosten van die materialen zijn reeds betaald door [gedaagden] , op grond van de afspraken die partijen daarover in 2022 hebben gemaakt. De kosten die resteren na hergebruik van die materialen (die [gedaagden] hebben begroot circa € 1.000,- tot € 1.500,-), zullen partijen op basis van het wettelijke uitgangspunt ieder voor de helft moeten betalen. [gedaagden] hebben niet gevorderd dat [eisers] worden veroordeeld om die kosten te betalen, zodat zo’n veroordeling ook niet zal worden uitgesproken. [eisers] moeten de camera en de lamp van de huidige plek verwijderen 4.19. Bij de beantwoording van de vraag of de camera van [eisers] onrechtmatig is, geldt als uitgangspunt dat een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (de privacy) in beginsel een onrechtmatige daad oplevert. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan het onrechtmatige karakter wegnemen. Daarbij moeten tegen elkaar worden afgewogen de ernst van die inbreuk en de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend. Ook moet worden bezien of het gebruik van de camera voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. 4.20. De camera maakt naar het oordeel van de kantonrechter inbreuk op de privacy van [gedaagden] . Ter zitting hebben [eisers] weliswaar toegelicht dat de camera door de geplaatste afscherming van plastic klimop en het toepassen van een privacy balk, op dat moment geen opname maakte van de tuin van [gedaagden] , maar de camera maakt wel geluidsopnamen. De camera is dusdanig dicht op de erfgrens geplaatst (op circa één meter afstand) dat het aannemelijk is dat de camera ook geluiden en gesprekken opneemt die afkomstig zijn uit de tuin van [gedaagden] . De geplaatste afscherming (van plastic klimop) en de privacy balk biedt daartegen geen bescherming. 4.21. De camera is bovendien voorzien van een lamp. [gedaagden] hebben met het overleggen van de foto (zoals weergegeven in overweging 2.7 van dit vonnis) voldoende toegelicht dat die lamp in de tuin en de woning van [gedaagden] schijnt en dat zij daardoor aanzienlijke hinder ondervinden. Op de door [gedaagden] overgelegde foto is ook te zien dat andere aanwezige tuinverlichting veel minder fel is dan de lamp van de camera. Het argument van [eisers] dat de foto vanwege de camera-instellingen een vertekend beeld geeft, volgt de kantonrechter daarom niet. De door [eisers] geplaatste plastic klimop biedt tegen de hinder die [gedaagden] ondervinden door de lamp enige bescherming, maar met de door [gedaagden] overgelegde foto’s vast staat dat die afscherming niet altijd aanwezig is. 4.22. Van belang is verder dat [eisers] geen goede reden hebben gegeven voor de aanwezigheid van de camera met lamp op de huidige plek. Als het [eisers] er werkelijk om gaat het strookje grond te filmen tussen de schuur en de schutting, is er geen reden waarom de camera is geplaatst