Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-01-29
ECLI:NL:RBNHO:2026:1164
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats [geboorteplaats] Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/338412-23 (P) Uitspraakdatum: 29 januari 2026 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 januari 2026 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [woonadres]. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. van Loon en van wat de verdachte en haar raadsman, mr. R.J. Balkenende, advocaat te Zoetermeer, naar voren hebben gebracht. 1 Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1 zij op of omstreeks 9 december 2023 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Mercedes-Benz), daarmede rijdende over de weg, de Amsterdamseweg N202, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - met een niet toegestane hoge snelheid de met verkeerslichten geregelde kruising(en) op die Amsterdamseweg met de op- en/of afrit van de A22 te naderen en/of - een of meerdere voor haar bestemde rood licht uitstralende verkeerslicht(en) te negeren en/of - haar snelheid niet zodanig te regelen dat zij in staat was het door haar bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of - geen voorrang te verlenen aan en met hoge snelheid aan te rijden tegen een voor haar van rechts komende personenauto (merk Opel), waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel en/of letsel aan de aorta en het middenrif en/of orthopedisch letsel en/of gebitsletsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet; subsidiair zij op of omstreeks 9 december 2023 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Mercedes-Benz), daarmee rijdende op de weg, de Amsterdamseweg N202, - met een niet toegestane hoge snelheid heeft gereden en/of - een of meer voor haar bestemde rood licht uitstralende verkeerslichten heeft genegeerd en/of - geen voorrang heeft verleend aan een voor haar van de afrit van de A22 van rechts komende personenauto (merk Opel), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; 2 zij op of omstreeks 9 december 2023 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 2,11 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn. 2 Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3 Beoordeling van het bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot feit 1 is volgens de officier van justitie gebleken dat de verdachte twee keer (kort na elkaar) een rood stoplicht hee Daartoe is in artikel 175 WVW, de toepasselijke strafbepaling bij overtreding van artikel 6 WVW, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt. Artikel 5a, eerste lid WVW beschrijft – niet uitputtend – een reeks gedragingen die kunnen worden beschouwd als ernstig gevaarzettend. De rechtbank moet dus beoordelen of het gedrag van de verdachte dat heeft geleid tot het aan haar schuld te wijten ongeval ook voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5a, eerste lid, WVW. Is dat het geval, dan bestaat de schuld daarmee in roekeloosheid. In het kader van artikel 5a WVW moet de rechtbank beoordelen of de verdachte met het verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval (a) een of meer van de verkeersregels genoemd in artikel 5a WVW in ernstige mate heeft geschonden, (b) of zij dat opzettelijk heeft gedaan en (c) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar van anderen. a. Ernstige schending van belangrijke verkeersregels Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het ongeval, bij het naderen van de kruising van de Amsterdamseweg N202 met de op-/afritten van de A22, heeft gereden met een snelheid die lag tussen 103 kilometer en 112 kilometer per uur. Daarmee heeft de verdachte de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur aanzienlijk overschreden. Het overschrijden van de maximumsnelheid kan ingevolge artikel 5a, eerste lid, onder g WVW worden aangemerkt als gedrag waarbij verkeersregels in ernstige mate worden geschonden. Verder is de verdachte direct voor het ongeval twee kort na elkaar gesitueerde stoplichten gepasseerd. Uit de analyse van de gegevens van de verkeersregelinstallatie volgt dat het eerste stoplicht op het moment dat de verdachte met haar auto de stopstreep passeerde al minimaal 12,7 seconden rood licht uitstraalde. Het tweede stoplicht stond op het moment dat de verdachte de stopstreep passeerde al minimaal 7,9 seconden op rood. Ook door rood rijden kan ingevolge artikel 5a, eerste lid, onder i WVW worden aangemerkt als gedrag waarbij verkeersregels in ernstige mate worden geschonden. Tot slot had de verdachte ten tijde van het ongeval veel te veel gedronken. In haar bloed is namelijk een alcoholgehalte vastgesteld van 2,11 milligram per milliliter bloed, terwijl de in artikel 8, tweede lid WVW vermelde grenswaarde 0,5 milligram per milliliter bloed is. Dit wordt mede in aanmerking genomen bij de toepassing van artikel 5, eerste lid, WVW. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat sprake is van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. b. Opzettelijk Het opzet van de verdachte moet gericht zijn op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Bij het beantwoorden van de vraag of hiervan sprake was, moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet de rechtbank kunnen afleiden dat de gedragingen in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm een opzettelijke schending van de verkeersregels zijn geweest. De raadsman heeft betoogd dat, nu de verdachte vrijwel geen herinnering heeft aan wat zich kort voor het ongeval heeft afgespeeld, niet gezegd kan worden dat de verdachte opzet heeft gehad op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. De rechtbank verwerpt dit verweer. De verdachte heeft verklaard dat zij voordat zij ging rijden, tijdens haar werk in de horeca, een aantal glazen wijn heeft gedronken. Vervolgens is zij welbewust in haar auto gestapt en op weg gegaan. Dit kan niet anders worden gezien dan als een opzettelijke handeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte met de beslissing om met drank op te gaan rijden alle daaruit voortvloeiende gevolgen, waaronder het met hoge snelheid door rood licht rijden, Standpunt van de verdediging De verdediging heeft de rechtbank verzocht in het kader van de strafmaat rekening te houden met het tijdsverloop en met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, met name haar werk als ZZP’er. Daarnaast heeft de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte veel spijt heeft, dat zij zich heeft ingezet om in contact te komen met het slachtoffer en dat zij in het kader van een regeling met de verzekering een fors schadebedrag heeft betaald en 80 uur vrijwilligerswerk heeft verricht. De raadsman heeft de rechtbank verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gezien de verregaande gevolgen die dat zou hebben voor de verdachte op het gebied van werk, inkomen en huisvesting. Voor oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie geëist, ziet de raadsman geen aanleiding, omdat er geen gevaar voor herhaling is. Indien een taakstraf wordt opgelegd, dienen de uren die de verdachte als vrijwilligerswerk al heeft verricht in mindering te worden gebracht. Tot slot heeft de raadsman ervoor gepleit om de ontzegging van de rijbevoegdheid te beperken tot twaalf maanden, de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest. 6.3. Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Aard en ernst van de feiten De verdachte is na het drinken van meerdere glazen wijn in de auto gestapt en is gaan rijden. Bij een kruising is zij met veel te hoge snelheid door twee rode stoplichten gereden. Als gevolg van dit roekeloze rijgedrag is de verdachte op de kruising in botsing gekomen met een auto die groen licht had en net was opgetrokken. De bestuurder van deze auto heeft door het ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder hersenletsel en letsel aan de aorta en het middenrif. Het slachtoffer heeft langere tijd in het ziekenhuis moeten doorbrengen en de kans is niet denkbeeldig dat hij blijvend letsel aan het ongeval zal overhouden. De verdachte is volledig tekortgeschoten in de zorgplicht die op iedere verkeersdeelnemer rust ten opzichte van de medeweggebruikers. Persoon van de verdachte Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in de eerste plaats gelet op het strafblad van de verdachte van 9 december 2025. Hieruit blijkt dat aan de verdachte in 2021 en in 2022 een strafbeschikking is opgelegd wegens te hard rijden. De rechtbank heeft verder kennis genomen van het advies van Reclassering Nederland van 19 december 2025. De reclassering acht interventies of toezicht door de reclassering niet nodig en adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden. Op de zitting toonde de verdachte zich – naar de indruk van de rechtbank: oprecht – schuldbewust en berouwvol. Zij heeft de volle verantwoordelijkheid genomen voor het ongeluk, heeft veel spijt van haar gedrag en gaat gebukt onder haar schuldgevoel. Ook heeft de verdachte laten zien dat zij begaan is met het lot van het slachtoffer. Zij heeft meegewerkt aan het afwikkelen van de schade door het betalen van een aanzienlijk geldbedrag en het verrichten van vrijwilligerswerk. De rechtbank houdt met dit alles rekening ten gunste van de verdachte. Strafoplegging De ernst van de feiten rechtvaardigt in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de hiervoor geschetste opstelling van de verdachte en het onwenselijk lange tijdsverloop in deze zaak aanleiding om dat niet te doen. In plaats daarvan zal de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar opleggen met een proeftijd van twee jaar. Dit om de ernst van de bewezenverklaarde feiten tot uitdrukking te brengen en als waa