Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-08-20
ECLI:NL:RBNHO:2026:10933
Veroordeling tot deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden en een taakstraf omdat de verdachte seksuele handelingen bij zijn twee-jarige zoon heeft verricht en van deze handelingen beelden heeft verzonden aan een chatcontact. Daarnaast is er op de telefoon van de verdachte kinderporno aangetroffen. Gedeeltelijke toewijzing vordering bp. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/049928-25 (P) Uitspraakdatum: 20 augustus 2026 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 augustus 2026 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] in [geboorteplaats], ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres, [adres]. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.M. van der Most en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.E. de Boer, advocaat te Den Helder, naar voren hebben gebracht. 1 Tenlastelegging Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat: Feit 1 hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 01 juli 2024 tot en met 29 november 2024 te Alkmaar, althans in Nederland, met zijn, verdachtes, kind, althans een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [benadeelde] geboren op [geboortedatum 2] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het een en/of meermalen: - wrijven over en/of betasten van de penis en/of de balzak van die [benadeelde]; Feit 2 hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juli 2024 tot en met 29 november 2024 te Alkmaar, althans in Nederland, een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij zijn, verdachtes, kind, althans een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [benadeelde] (geboren op [geboortedatum 2]) was betrokken of schijnbaar was betrokken heeft vervaardigd en/of heeft verspreid en/of in bezit heeft gehad te weten: een video en/of een foto waarop te zien is dat: het geslachtsdeel en/of de balzak van die [benadeelde] wordt/worden aangeraakt (bestand: bcb7915d-c10d-4bc4-8f96-ced50aa02c4f.mp4 op pagina 7/8 van het proces-verbaal) en/of die [benadeelde] poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij: - die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en/of - door het camerastandpunt en/of de pose en/of het inzoomen nadrukkelijk het geslachtsdeel van die [benadeelde] in beeld wordt gebracht (bestand: 38974fb4-b853-4eb4-b2a5-7c728e2f1a54.jpg op pagina 8 van het proces-verbaal); Feit 3 hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juli 2024 tot en met 19 februari 2025 te Alkmaar, althans in Nederland, een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken heeft verworven en/of in bezit heeft gehad en/of zich daartoe de toegang heeft verschaft te weten: foto's en/of video's en/of een gegevensdrager, te weten: een telefoon (merk: Samsung en/of IBN-code: A.01.01), bevattende foto's en/of video's, waarop te zien is dat: die persoon vaginaal wordt gepenetreerd met een penis en/of het eigen lichaam vaginaal wordt gepenetreerd met een vinger, door die persoon (foto/screenshot 2 en/of foto/screenshot 3 op pagina 87 van het proces-verbaal) en/of die persoon de eigen borstenmet de hand(en) aanraakt (foto/screenshot 4 op pagina 87 van het proces-verbaal) en/of die persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij - die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en/of in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn leeftijd past en/of - door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose nadrukkelijk het geslachtsdeel in beeld wordt gebracht (foto 1 op pagina 87 van het proces-verbaal). 2 Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3 Beoordeling van het bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat de ten laste gelegde periode van de feiten 1 en 2 beperkt dient te worden tot 29 november 2024. 3.2. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor alle ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de feiten 1 en 2 heeft zij aangevoerd dat geen sprake is van (beeldmateriaal van) seksuele handelingen die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm dan wel dat de verdachte daar opzet op had. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Vrijspraak feit 3 Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 3 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Na een melding over vermoedens van kinderpornografie van het Amerikaanse National Center for Missing and Exploited Children (NCMEC) is door de politie onderzoek ingesteld naar de verdachte. In dat kader vindt op 19 februari 2025 een doorzoeking van de woning van de verdachte plaats, waarbij de telefoon van verdachte in beslag wordt genomen. Op deze telefoon stonden 12 foto’s en 6 video’s, die kinderpornografisch van aard zijn. Uit het proces-verbaal met betrekking tot de aangetroffen kinderpornografische foto’s en video’s volgt dat de foto’s zogenaamde cachebestanden of thumbnails zijn, zodat enkel met specifieke kennis of speciale software de bestanden geopend konden worden. Drie van de zes video’s, te weten 2A, 3A en 4A, zouden wel direct benaderbaar zijn voor de gebruiker. Van de andere drie video’s staat in het proces-verbaal niks specifieks vermeld. Volgens de politie is het van al het aangetroffen kinderpornografisch materiaal aannemelijk, vanwege de locatie van de bestanden op de gegevensdrager, de manier waarop de bestanden daar gekomen zijn en de rol van de verdachte daarbij, dat de verdachte die in het bezit heeft gehad, heeft verworven of zich de toegang daartoe heeft verschaft. De rechtbank overweegt dat het onduidelijk is hoe de politie tot die conclusie is gekomen. Dat wordt in het proces-verbaal (of enig ander stuk behorend tot het dossier) niet onderbouwd. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen wat de locatie van het kinderpornografische materiaal op de telefoon was en op welke wijze en wanneer deze bestanden op de telefoon terecht zijn gekomen. Verder is het de rechtbank niet gebleken dat de verdachte over meer dan gemiddelde digitale kennis en vaardigheden beschikt om de bestanden te openen. Er is geen software aangetroffen waarmee thumbnails en cachebestanden kunnen worden geopend op de telefoon of andere devices van de verdachte. De rechtbank kan niet vaststellen dat de verdachte een actieve handeling als bedoeld in artikel 252 Sr heeft verricht, en dat de foto’s en video’s voor de verdachte nog toegankelijk waren (of zijn geweest). De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte gericht was op het verwerven van kinderpornografisch materiaal, het in bezit hebben daarvan en/of het zich daartoe toegang verschaffen, zodat de verdachte van het onder feit 3 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. 3.3.2 Redengevende feiten en omstandigheden feiten 1 en 2 De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage I bij dit vonnis zijn vervat. 3.3.3 Bewijsmotivering feit 1 en 2 Uit het dossier volgt dat de verdachte (als [chatnaam 1]) chatcontact had met [chatnaam 2]. Zij raakte met elkaar in gesprek en [chatnaam 2] heeft de verdachte gevraagd om beeldmateriaal van zijn zoon. Uit de reactie van de verdachte op deze vraag van [chatnaam 2] maakt de rechtbank op dat de verdachte zelf de aanname deed dat [chatnaam 2] om kinderpornografische afbeeldingen van zijn zoon vroeg. De verdachte reageerde bereid te zijn om beeldmateriaal van het verschonen van de luier van zijn zoon te sturen, maar niet met het gezicht van zijn zoon in beeld. Vervolgens heeft de verdachte [chatnaam 2] gevraagd wat hij nog meer moet doen. [chatnaam 2] antwoordde daar onder meer op dat ze wil zien hoe de luier van zijn zoon verschoond wordt, hem zacht en hard wil zien en misschien plassend. Enkele minuten later heeft de verdachte de verdachte een foto en een video van zijn zoon naar [chatnaam 2]. Op de video is te zien dat tijdens het verschonen de hand van de verdachte het been van zijn zoon opzij duwt en gewreven wordt over de penis en de ballen van de jongen. Op de foto is de penis van zijn zoon te zien. Even later wordt in de chat door [chatnaam 2] de vraag gesteld of hij wel eens zijn zoon had afgetrokken waarop de verdachte ontkennend antwoordde, maar wel beweerde de 9-jarige buurjongen gepijpt te hebben en de buurjongen hem. Uiteindelijk ontstaat tussen de verdachte en [chatnaam 2] onenigheid, omdat [chatnaam 2] om meer beeldmateriaal van de zoon van de verdachte vroeg, maar dat de verdachte dat pas wilde sturen als [chatnaam 2] beeldmateriaal van zichzelf stuurde. Dat gebeurde niet. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de inhoud en context van de chatgesprekken, de de plaatsen waar de verdachte zijn zoon heeft aangeraakt, de wijze waarop hij hem heeft aangeraakt en uit het feit dat hij er beeldmateriaal van heeft gemaakt, dat die aanrakingen seksueel van aard waren. De verklaring van de verdachte, dat hij met het maken en versturen van het beeldmateriaal van zijn zoon [chatnaam 2] wilde ontmaskeren, stelt de rechtbank terzijde. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. Verder heeft de verdachte de foto en video na het versturen aan [chatnaam 2] van zijn telefoon verwijderd, hetgeen er ook op wijst dat de verdachte wist dat hij kinderpornografisch materiaal van zijn zoon had gemaakt en verstuurd. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat Feit 1 hij op 29 november 2024 te Alkmaar, , met zijn, verdachtes, kind, althans een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [benadeelde] geboren op [geboortedatum 2] seksuele handelingen heeft verricht, te weten het: - wrijven over de penis en de balzak van die [benadeelde]; Feit 2 hij op 29 november 2024 te Alkmaar, althans in Nederland, visuele weergaven van seksuele aard en met onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij zijn, verdachtes, kind, althans een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [benadeelde] (geboren op [geboortedatum 2]) was betrokken heeft vervaardigd en heeft verspreid en in bezit heeft gehad te weten: een video en een foto waarop te zien is dat: het geslachtsdeel en de balzak van die [benadeelde] worden aangeraakt en die [benadeelde] in een pose is afgebeeld, waarbij: - die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en/of - door het camerastandpunt en/of de pose en/of het inzoomen nadrukkelijk het geslachtsdeel van die [benadeelde] in beeld wordt gebracht. Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten Het bewezenverklaarde levert op: De eendaadse samenloop van de misdrijven: Feit 1 aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren, begaan jegens een kind van diegene en Feit 2 een visuele weergave van seksuele aard en met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt is betrokken, verspreiden, vervaardigen en in bezit hebben, begaan jegens een kind van diegene. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar. 5 Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar. 6 Motivering van de sanctie 6.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, waarvan 364 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Hieraan moeten de door de reclassering geadviseerde voorwaarden worden verbonden, met uitzondering van het contact- en locatieverbod. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een taakstraf zal worden opgelegd voor de duur van 240 uren, te vervangen door maximaal 120 dagen hechtenis. 6.2. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de bijzondere omstandigheden waaronder de feiten hebben plaatsgevonden, de proceshouding van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden. Zij verzoekt te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag in combinatie met een forse voorwaardelijke gevangenisstraf waaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden, met uitzondering van het contact- en het locatieverbod. Daarnaast verzoekt de verdediging een (maximaal mogelijke) taakstraf op te leggen. 6.3. Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ernst van de feiten De verdachte heeft op 29 november 2024 seksuele handelingen bij zijn minderjarige zoon verricht. Hiermee heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van zijn zoon op grove wijze aangetast. Dergelijk misbruik kan voor het slachtoffer ernstige gevolgen hebben, waar hij nog lange tijd, zo niet blijvend, last van kan hebben. De verdachte heeft daarnaast beelden gemaakt van de seksuele handelingen die hij pleegde bij zijn zoon en die beelden vervolgens op het internet gebruikt en verspreid in een chatgesprek met een ander. Het spreekt voor zich dat ook dit schadelijk is voor het slachtoffer de , aangezien het door hem gemaakte beeldmateriaal lange tijd, zo niet altijd, zal blijven rondgaan op het internet. Persoonlijke omstandigheden Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van de verdachte van 17 juni 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 10 juli 2026. De reclassering heeft geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan verbonden de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering; een ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname; een contactverbod (tenzij toestemming reclassering); een locatieverbod (zonder elektronisch toezicht); het aflossen van schulden; de beheersing van middelengebruik; het vermijden van digitale omgevingen waar de verdachte in aanraking komt met seksueel kindermisbruik. Op te leggen straf Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Normaliter wordt in dit soort zaken een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur opgelegd. De rechtbank is echter van oordeel dat een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf in deze zaak niet passend is. De verdachte is first offender en het is niet gebleken dat de verdachte na het plegen van de feiten opnieuw de fout in is gegaan. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met het feit dat hij het kwalijke van zijn handelen inziet en spijt heeft betuigd. Alles afwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen opleggen, waarvan 364 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank bepaalt dat aan het voorwaardelijk deel van de opgelegde straf de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van het locatieverbod, worden verbonden. De rechtbank acht een locatieverbod niet noodzakelijk, aangezien de rechtbank een contactverbod met het slachtoffer zal opleggen en het niet gebleken is dat de verdachte in de periode na de pleegdatum het slachtoffer (of zijn moeder) (ongewenst) direct of indirect heeft benaderd. Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd acht de rechtbank een proeftijd van 2 jaren voldoende. De voorwaardelijke gevangenisstraf is mede bedoeld om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit en dient als stok achter de deur voor het naleven van de bijzondere voorwaarden. De rechtbank legt daarnaast aan de verdachte een taakstraf op van 240 uren, te vervangen door maximaal 120 dagen hechtenis. 7 Beslag Onder de verdachte is een mobiele telefoon in beslag genomen en niet teruggegeven. 7.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen telefoon dient te worden verbeurd verklaard, omdat op de telefoon kinderpornografisch materiaal is aangetroffen. 7.2. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft gesteld dat de mobiele telefoon moet worden teruggegeven aan de verdachte. 7.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven telefoon aan het verkeer moet worden onttrokken. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 2 bewezen verklaarde feit met behulp van die telefoon is begaan en, gelet op de op die telefoon aangetroffen kinderpornografische afbeeldingen, is de telefoon van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. 8 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [benadeelde] heeft via zijn wettelijk vertegenwoordiger [wettelijk vertegenwoordiger] een vordering tot schadevergoeding van € 6.500,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. 8.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de gevorderde schade met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 8.2. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering te matigen. 8.3. Oordeel van de rechtbank Op grond van artikel 6:106, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Hiervan is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b van het BW bedoelde aantasting in persoon op andere wijze sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept, de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zo voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat er een aantasting in de persoon heeft plaatsgevonden (HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). Naar het oordeel van de rechtbank vormen de bewezen verklaarde strafbare feiten een dusdanig ernstige inbreuk op een fundamenteel recht, namelijk het zelfbeschikkingsrecht en de lichamelijke integriteit, dat dit op zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze dient te worden beschouwd. Een nadere onderbouwing van de gestelde psychische schade is in dit geval dan ook niet nodig. Op grond van de vaststaande feiten en omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, en de aanbevelingen in de Rotterdamse schaal begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar maatstaven van billijkheid op € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van voldoening. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding. De verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt (tot op heden begroot op nihil) en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. BEM-clausule De rechtbank zal bepalen dat de schadevergoeding die ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] moet worden betaald, zal worden gestort op een bankrekening die ten behoeve van deze minderjarige wordt geopend met een BEM-clausule. Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarigen. Door de BEM-clausule kunnen de minderjarige en hun wettelijke vertegenwoordigers alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op deze rekening van de minderjarige beschikken, totdat zij de leeftijd van achttien jaar oud hebben bereikt. schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen. 9 Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: artikel 9,14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 36d, 36f, 55, 249, 252van het Wetboek van Strafrecht. 10 Beslissing De rechtbank: Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 3 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij. Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren. Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen . Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 364 (driehonderdvierenzestig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 jaren. Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Stelt als bijzondere voorwaarden dat: 1. Meldplicht bij reclassering De verdachte zich zal melden bij Reclassering Fivoor op het adres Stationsplein 21 te Heerhugowaard. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. 2. Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname De verdachte zich zal laten behandelen door de Waag, de Brijder, GGZ-NHN, Terwille of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De behadeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, seksueel grensoverschrijdend gedrag en schuldenproblematiek. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 (zeven) weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. 3. Contactverbod (tenzij toestemming reclassering) De verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met [benadeelde], geboren op [geboortedatum 2], tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact bijvoorbeeld vanwege de begeleide omgang met zijn zoon of in overleg met de betrokken hulpverleningsinstanties, waarbij het belang van zijn zoon leidend is; 4. Aflossing schulden De verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden. 5. Beheersing middelengebruik De verdachte werkt gedurende de proeftijd mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en/of lijst II (softdrugs) en/of middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd. 6. Vermijden digitale omgevingen seksueel kindermisbruik De verdachte gedurende de gehele proeftijd: digitale omgevingen zal vermijden waarin hij in aanraking kan komen met afbeeldingen van seksuele handelingen met minderjarigen; digitale omgevingen zal vermijden waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd; 3. geen gebruik zal maken van virtuele machines, versleutelprogramma’s (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken); 4. inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder 1. en 2. zal vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd. Het toezicht op de naleving van de onderdelen 1. tot en met 3. beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en/of waarmee internet kan worden benaderd en die de verdachte in gebruik heeft. De verdachte werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die de verdachte in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de verdachte de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet. De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen. De controles mogen gedurende de gehele proeftijd maximaal zes keer worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de verdachte. Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen. Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 240 (tweehonderdveertig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis. Beslag Onttrekt aan het verkeer 1 STK GSM (Omschrijving: NHRBD25001_845575, Zwart, merk: Samsung). Benadeelde partij Wijst deels toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde] geleden schade tot een bedrag van € 1.000,- , als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] te openen rekening met een BEM-clausule. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Doesburg, voorzitter, mr. C.S. Schoorl en mr. D.J. Straathof, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier G.A.M. Delis, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 augustus 2026. Bijlage I De bewijsmiddelen (----------------------)