Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-01-09
ECLI:NL:RBNHO:2026:109
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,983 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:109 text/xml public 2026-03-24T10:05:04 2026-01-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-01-09 AWB 24/7509 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Belastingblad 2026/139 met annotatie van A.P. Monsma http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:109 text/html public 2026-01-22T09:49:30 2026-01-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:109 Rechtbank Noord-Holland , 09-01-2026 / AWB 24/7509 Verweerder maakt de verzending van de uitspraak op bezwaar aannemelijk; geen dwangsom verbeurd; de aanslag waterschapsbelasting is bevoegd, terecht en naar de juiste hoogte opgelegd. Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 24/5936 en HAA 24/7509 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2026 in de zaken tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, en de ambtenaar belast met de heffing en invordering van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier , verweerder. Procesverloop HAA 24/5936 Eiser heeft verweerder op 5 oktober 2023 in gebreke gesteld inzake een door hem op 16 juni 2023 ingediend bezwaarschrift. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2023 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft verweerder op 17 november 2023 in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van dwangsombesluit. Verweerder heeft bij besluit van 24 november 2023 het verzoek van eiser om een dwangsom afgewezen. Eiser heeft daartegen op 5 januari 2024 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft op 24 januari 2024 het bezwaar van eiser tegen het afwijzen van de dwangsom ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. HAA 24/7509 Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2024 een aanslag waterschapsbelasting opgelegd van in totaal € 447,71, bestaande uit een watersysteemheffing, gebouwd – eigenaar; een watersysteemheffing – gebruiker en een zuiveringsheffing woonruimte (hierna: de aanslag). Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 oktober 2024 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Beide zaken Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2025. Eiser is zonder bericht van verhindering niet verschenen. De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting onderzocht of eiser behoorlijk is uitgenodigd voor de zitting. De uitnodiging voor de zitting, met vermelding van plaats en tijdstip, is op 24 juni 2025 in Mijn Rechtspraak geplaatst. Van de plaatsing van de uitnodiging in Mijn Rechtspraak is eveneens op 24 juni 2025 een notificatie verzonden naar het door eiser voor dit doel opgegeven e-mailadres. Nu uit het voorgaande volgt dat eiser tijdig en op de voorgeschreven wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen, heeft de rechtbank aan het niet verschijnen van eiser geen gevolgen verbonden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] . Overwegingen Feiten 1. De aanslag waterschapsbelasting heeft betrekking op de onroerende zaak plaatselijk bekend als [adres] te [plaats] (hierna: de onroerende zaak). De aanslag betreft een watersysteemheffing (gebouwd, eigenaar), een watersysteemheffing (gebruiker) en een zuiveringsheffing. Bij het begin van het in geschil zijnde belastingjaar was eiser eigenaar van de onroerende zaak. Geschil 2. In geschil is of verweerder een dwangsom heeft verbeurd (HAA 24/5936) en of de aanslag bevoegd, terecht en naar de juiste hoogte is opgelegd (HAA 24/5790). 3. Eiser beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend. Daartoe heeft hij de volgende gronden aangevoerd: HAA 24/5936 - De beslissing op bezwaar is eerst op 25 oktober 2023 en daarmee te laat ontvangen, zodat verweerder een dwangsom heeft verbeurd. HAA 24/7509 Het aanslagbiljet bevat ten onrechte geen naam en handtekening. Er is niet gebleken dat de ondertekenaar van de beslissing op bezwaar, [naam 2] , gemandateerd is om bevoegd de beslissing te mogen nemen. Er is sprake van strijd met artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat de beslissing op bezwaar in mandaat is genomen. Er is niet aangetoond dat het adres van eiser binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) valt. De bij de beslissing op bezwaar gevoegde kaart komt van een digitale kaart van HHNK en niet van de provincie. Daarbij komt dat uit het Reglement van Bestuur van HHNK niet volgt dat de beheergrens is aangegeven op een digitale kaart. Het Reglement van Bestuur van HHNK dient exceptief getoetst te worden en dan onverbindend verklaard te worden. De reden is dat aan de hand van de bijbehorende kaart niet kan worden opgemaakt waar de grenzen exact liggen. Er is daardoor sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en de beginselen van behoorlijke regelgeving inzake duidelijkheid en begrijpelijkheid. Daarnaast heeft bij het vaststellen van de grenzen geen belangenafweging plaatsgevonden. Het heffen van waterschapsbelasting is in strijd met het recht op ongestoord genot van eigendom van artikel 1 Eerste protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel omdat in de Waterschapswet geen definitie staat van watersysteem of het zuiveren van afvalwater. De Grondwet geeft geen bevoegdheid aan waterschappen om belasting te mogen heffen. De belastingverordeningen van HHNK zijn daarom in strijd met de Grondwet. Bij de vaststelling van de Verordening watersysteemheffing HHNK 2024 en de Verordening zuiveringsheffing HHNK 2024 heeft geen belangenafweging plaatsgevonden. De verordeningen zijn daarom onverbindend. Betwist wordt dat alleen de kosten voor de zorg voor het watersysteem aan de watersysteemheffing worden toegerekend. Uit een reactie op een verzoek op grond van de Wet open overheid blijkt dat zonder nadere beoordeling, terugkomende projecten ongewijzigd in het systeem blijven staan, dat bij nieuwe projecten op basis van een oordeel van een financieel expert de kosten worden verdeeld en dat met een rekenkundige tool een doorrekening wordt gemaakt naar de kostenplaatsen. Verder volgt uit de beslissing op bezwaar dat het bestuur gedurende het proces van het vaststellen van de begroting extra kosten kan toevoegen en accorderen. Het is onduidelijk waarom de kosten voor aanleg en onderhoud wegen, en de wegenverkeersregeling en verkeersveiligheid aan de watersysteemheffing worden toegerekend. Hetzelfde geldt voor de kosten van belastingheffing, invordering en bestuur. Daarnaast lijken de kosten van € 4.262,00 voor handhaving dubbel te worden toegerekend, zowel aan de watersysteemheffing als aan de zuiveringsheffing. Onduidelijk is wat wordt verstaan onder eigen plannen en plannen van derden en in hoeverre dit is gerelateerd aan de zorg voor het watersysteem. Het heffen van de watersysteemheffing voor ingezetenen per woonruimte is in strijd met artikel 14 van het EVRM, artikel 26 van het IVBPR, artikel 1 van de Grondwet, artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM, het gelijkheidsbeginsel, het discriminatieverbod, verbod van willekeur en het evenredigheidsbeginsel. Het is in strijd met artikel 14 van het EVRM, artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), artikel 1 van de Grondwet, artikel 1 Eerste protocol EVRM, het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het discriminatieverbod en het verbod van willekeur om zowel watersysteemheffing te heffen voor de eigenaar als de gebruiker van een gebouwde onroerende zaak. Er is sprake van een dubbele heffing. Er wordt ten onrechte een correctie toegepast op het aantal woonruimten voor kwijtgescholden en oninbaar verklaarde aanslagen. De kosten van heffing en invordering en van de verkiezingen kunnen op grond van artikel 120, eerste lid van de Waterschapswet rechtstreeks worden toegerekend aan specifieke categorieën heffingplichtigen.
Volledig
Dit is ten onrechte niet gebeurd bij de watersysteemheffing. Bij de vaststelling van de tariefdifferentiatie voor buitendijks heeft geen belangenafweging plaatsgevonden. Met belangen van eiser die binnendijks woont is geen rekening gehouden. Door een lager tarief voor buitendijks geldt voor binnendijks een hoger tarief. Eiser wordt daardoor onevenredig benadeeld. Omdat de Waterschapswet geen definitie bevat van het begrip buitendijks, wordt in de verordening ten onrechte niet uitgegaan van wat het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal als definitie hanteert. De Waterschapswet geeft geen bevoegdheid om onderscheid te maken naar verschillende typen buitendijks. Bij het vaststellen van de Kostentoedelingsverordening watersysteemheffing HHNK 2020 is uitgegaan van de waardepeildatum 1 januari 2019. Aangezien deze verordening is vastgesteld op 18 september 2019 waren op dat moment de WOZ-waarden met waardepeildatum 1 januari 2019 nog niet bekend. Er moet dus zijn uitgegaan van onjuiste WOZ-waarden. Daarnaast heeft bij het bepalen van de waardepeildatum ten onrechte geen belangenafweging plaatsgevonden en is dit niet gemotiveerd. De kostentoedelingsverordening is daarom onverbindend. Bij het bepalen van het kostendeel voor ingezetenen is ten onrechte uitgegaan van de inwonerdichtheid van 2018. Ten onrechte is een ingezetenenpercentage van 37% gehanteerd. Het ingezetenenpercentage dient te worden vastgesteld op 32,6%. Er is geen ruimte voor het waterschap om naar eigen inzicht binnen de bandbreedte een percentage vast te stellen. Er heeft geen belangenafweging plaatsgevonden en het percentage van 37% is onvoldoende gemotiveerd. Ingezetenen worden onevenredig hard geraakt, waardoor het evenredigheidsbeginsel is geschonden. In de begrotingen 2023 en 2024 blijkt dat er wordt uitgegaan van een toename van het aantal woonruimten van 5.600. Uit gegevens van het CBS blijkt dat er 11.000 woningen zijn bijgekomen. Door verbouwingen en splitsingen ligt dit aantal nog hoger; 5.600 woningen zou daarom onjuist zijn. Er wordt ten onrechte een zuiveringsheffing in rekening gebracht voor het indirect afvoeren van afvalstoffen. De Waterschapswet biedt hier geen grondslag voor. Er wordt ten onrechte een correctie toegepast op het aantal vervuilingseenheden voor kwijtgescholden en oninbaar verklaarde aanslagen. De kosten van heffing en invordering en van de verkiezingen kunnen op grond van artikel 120, eerste lid van de Waterschapswet rechtstreeks worden toegerekend aan specifieke categorieën heffingplichtigen. Dit is ten onrechte niet gebeurd bij de zuiveringsheffing. In de begrotingen 2023 en 2024 blijkt dat er wordt uitgegaan van een afname van het aantal vervuilingseenheden van 7.000. Uit gegevens van het CBS blijkt dat er 11.000 woningen zijn bijgekomen en ook het aantal bedrijven is volgens het CBS gestegen. Het aantal vervuilingseenheden zou hoger moeten zijn. Het is in strijd met artikel 14 van het EVRM, artikel 26 van het IVBPR, artikel 1 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM, het gelijkheidsbeginsel, het discriminatieverbod, het verbod van willekeur en het evenredigheidsbeginsel om voor de zuiveringsheffing een forfait toe te passen van 3 vervuilingseenheden bij een huishouden van drie of meer personen. Er wordt ten onrechte geen rekening gehouden met grote huishoudens. Betwist wordt dat alleen de kosten voor de zorg voor het zuiveren van afvalwater aan de zuiveringsheffing worden toegerekend. Het is onduidelijk waarom de kosten voor calamiteitenbestrijding watersystemen aan de zuiveringsheffing worden toegerekend. Hetzelfde geldt voor de kosten van belastingheffing, invordering en bestuur. Daarnaast lijken de kosten van € 4.262,00 voor handhaving dubbel te worden toegerekend, zowel aan de watersysteemheffing als aan de zuiveringsheffing. Onduidelijk is wat wordt verstaan onder eigen plannen en in hoeverre dit is gerelateerd aan het zuiveren van afvalwater. 4. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Beoordeling van het geschil HAA 24/5936: heeft verweerder een dwangsom verbeurd? 5. De eerste dag waarover een dwangsom is verschuldigd, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor de uitspraak op bezwaar is verstreken en verweerder een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen (Artikel 4:17, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)). Gelet op de ontvangst van de ingebrekestelling op 5 oktober 2023, is 20 oktober 2023 de eerste dag waarover verweerder een dwangsom verschuldigd zou zijn. Verweerder is niet meer in gebreke op het moment dat hij uitspraak doet op het bezwaar. Hierbij is de laatste dag waarover nog de dwangsom is verschuldigd de dag dat de uitspraak op bezwaar aan eiser is verzonden (Kamerstukken II 2004/05, 29 935, nr. 6, p. 12). 6. Eiser betwist dat verweerder de uitspraak op bezwaar op 19 oktober 2023 heeft verzonden en voert daartoe aan de uitspraak op bezwaar eerst op 25 oktober 2023 heeft ontvangen. 7. De uitspraak op bezwaar is niet aangetekend verzonden. Nu eiser de tijdige ontvangst van de uitspraak op bezwaar betwist, is het aan verweerder om aannemelijk te maken dat en op welke datum de uitspraak op bezwaar is verzonden. Verweerder moet dus aannemelijk maken dat de uitspraak op bezwaar aan een postvervoersbedrijf ter verzending is aangeboden. 8. Uitgangspunt daarbij is dat medewerkers van een bestuursorgaan die een beslissing op bezwaar hebben genomen, in de regel die beslissing zonder uitstel aanbieden voor verzending aan de belanghebbende. In bijzondere gevallen zoals hier aan de orde, waarbij een dwangsom kan worden verbeurd, zal dat in de regel nog dezelfde dag gebeuren. Verweerder heeft in dit verband bovendien gewezen op twee schermprints uit het belastingsysteem, waaruit volgt dat de uitspraak op bezwaar op 19 oktober 2023 is aangeboden aan de postkamer. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de uitspraak op bezwaar op 19 november 2023 ter verzending is aangeboden. De enkele stelling dat de uitspraak op bezwaar op 25 oktober 2023 is ontvangen, verandert daaraan niets. Dat betekent dat verweerder tijdig uitspraak op bezwaar heeft gedaan en geen dwangsom heeft verbeurd. De rechtbank zal dit verzoek van eiser daarom afwijzen en het beroep ongegrond verklaren. HAA 24/7509: de aanslag 9. Eiser voert aan dat het aanslagbiljet niet aan de eisen voldoet en dat deze onbevoegd is opgelegd. De rechtbank volgt eiser hierin niet en overweegt daartoe allereerst dat de aanslag niet de vermelding van de heffingsambtenaar behoeft te bevatten (vgl. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:7524). Zoals volgt uit de uitspraak op bezwaar, is deze ondertekend door het Hoofd cluster Belastingen. Verweerder heeft met het verweerschrift een besluit van 13 september 2016 (registratienummer 16.102671) overgelegd, waarin onder meer het hoofd van het cluster Belastingen is aangewezen als eerste plaatsvervanger van de ambtenaar belast met de heffing en invordering. Nu de ambtenaar belast met de heffing en invordering alsmede diens plaatsvervanger hun bevoegdheden rechtstreeks uit de wet ontlenen, is, anders dan eiser kennelijk meent, geen sprake van mandatering maar van attributie. Van schending van artikel 10:3 van de Awb is dan ook geen sprake. Deze grieven van eiser kunnen niet slagen. 10. Op grond van artikel 117, eerste lid, aanhef en onder a, van de Waterschapswet wordt ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het watersysteem onder de naam watersysteemheffing een heffing geheven van hen die ingezetenen zijn. Op grond van artikel 116, aanhef en onder a, van de Waterschapswet, voor zover van belang, wordt onder ingezetene verstaan degene die blijkens de ‘basisregistratie personen’ bij het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied van het waterschap en die aldaar gebruik heeft van woonruimte. 11.
Volledig
Op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening watersysteemheffing Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (de Verordening watersysteemheffing), voor zover van belang, wordt de watersysteemheffing geheven van hen die ingezetenen zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Verordening. Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van de Verordening watersysteemheffing wordt onder ingezetene verstaan degene die blijkens de basisregistratie personen bij het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied van het waterschap en die aldaar gebruik heeft van woonruimte. 12. Op grond van artikel 122d, eerste lid, van de Waterschapswet wordt ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, onder de naam zuiveringsheffing een heffing ingesteld ter zake van afvoeren. 13. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover van belang, wordt ter zake van afvoeren vanuit een woonruimte aan de heffing onderworpen degene die het gebruik heeft van die woonruimte. 14. Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening Zuiveringsheffing Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (de Verordening zuiveringsheffing), voor zover van belang, wordt ter zake van het afvoeren vanuit een woonruimte aan de heffing onderworpen degene die het gebruik heeft van die woonruimte. Op grond van artikel 1, onder c, van de Verordening zuiveringsheffing wordt onder afvoeren verstaan het brengen van stoffen op een riolering of op een zuiveringtechnisch werk in beheer bij het hoogheemraadschap. 15. Uit de onder 10. en 11. genoemde artikelen in de Waterschapswet en de Verordening watersysteemheffing volgt dat degene die aan het begin van het kalenderjaar is ingeschreven in de basisregistratie personen van een gemeente in het gebied van het waterschap en die gebruik maakt van woonruimte, een watersysteemheffing verschuldigd is. Niet in geschil is dat eiser is ingeschreven in de basisregistratie personen van de gemeente [plaats] en dat hij gebruik maakt de onroerende zaak. Anders dan eiser stelt, volgt uit de door verweerder overgelegde afdruk van de kaart van het beheergebied duidelijk dat de woning van eiser binnen het beheergebied van HHNK valt. Gelet op de uitgebreid gemotiveerde stellingname van verweerder waarin hij het standpunt van eiser betwist en weerlegt, gaat de rechtbank voor het overige voorbij aan de grieven die eiser in dit verband heeft ingebracht tegen (de kaart van) het beheergebied en het Reglement van bestuur. Op grond van het voorgaande is eiser dus een watersysteemheffing verschuldigd. Gelet hierop is de aanslag watersysteemheffing terecht aan eiser opgelegd. 16. Uit overweging 12. en 13. volgt dat degene die het gebruik heeft van woonruimte in het gebied van het waterschap een zuiveringsheffing verschuldigd is, indien vanuit de woning wordt afgevoerd. Aangezien niet in geschil is dat eiser het gebruik heeft van woonruimte in [plaats] en er vanuit die woning afvalwater wordt afgevoerd, is hij een zuiveringsheffing verschuldigd. Ingezetenschap en inschrijving in de basisregistratie personen zijn geen voorwaarden voor het opleggen en het verschuldigd zijn van een zuiveringsheffing. De aanslag zuiveringsheffing is dan ook terecht aan eiser opgelegd. 17. Eiser heeft een groot aantal summier onderbouwde stellingen ingenomen, inhoudende dat het heffen van watersysteem- en zuiveringsheffing, de Verordening watersysteemheffing dan wel de Verordening Zuiveringsheffing in strijd zijn met artikel 14 van het EVRM, artikel 1 Eerste protocol van het EVRM, artikel 26 van het IVBPR, (artikel 1 van) de Grondwet, het rechtszekerheidsbeginsel, het legaliteitsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het discriminatieverbod, het gelijkheidsbeginsel en/of het verbod van willekeur. Gelet op verweerders uitgebreide, gemotiveerde en onweersproken betwisting heeft eiser zijn stellingen naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt en gaat de rechtbank hier verder aan voorbij. 18. Eiser stelt zich op het standpunt dat de Verordening watersysteemheffing en de Verordening Zuiveringsheffing onverbindend zijn omdat geen belangenafweging plaats heeft gevonden. Verweerder betwist dit en heeft in dit verband aangevoerd dat de beide verordeningen enerzijds voortvloeien uit wettelijke regels waarbij het om een gebonden bevoegdheid gaat, en anderzijds het gevolg zijn van de kostentoedelingsverordening en de begroting. Verder heeft verweerder toegelicht dat bij het vaststellen van de kostentoedelingsverordening watersysteemheffing conform artikel 120, eerste lid van de Waterschapswet door het democratisch gekozen bestuur bepaald wordt hoe de kosten uit de begroting moeten worden verdeeld over de verschillende categorieën belastingplichtigen. In het bestuur zijn alle categorieën van belanghebbenden, zoals de ingezetenen, eigenaren, agrariërs, natuurterreinbeheerders en bedrijven, vertegenwoordigd. Het bestuur komt middels afweging van alle betrokken belangen tot een bepaalde kostentoedeling. Hetzelfde gebeurt bij het vaststellen van de begroting. De belangenafweging is terug te vinden in de toelichting op de besluiten en eventueel in de bestuurlijke stukken van het algemeen bestuur in de vaststellingsprocedure. Eiser heeft het voorgaande niet weersproken. Deze grief faalt. 19. Eiser heeft enkele vragen over de begroting gesteld en de toedeling van kosten in twijfel getrokken, zonder daarbij concrete gemotiveerde standpunten in te nemen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende inzicht heeft verschaft ten aanzien van de kosten ten behoeve van het watersysteem. Eiser dient dan voldoende gemotiveerd concrete feiten en omstandigheden te stellen die tot het oordeel kunnen leiden dat een of meer posten ten onrechte in de raming zijn meegenomen (vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 28 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2743). Dat heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gedaan, zodat deze grief niet kan slagen. HAA 24/7509: slotsom 20. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aanslag terecht en naar de juiste hoogte aan eiser is opgelegd. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank zal het beroep daarom ongegrond verklaren. Beide zaken: proceskosten 21. Omdat de beroepen ongegrond zullen worden verklaard, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Snitker rechter, in aanwezigheid van mr. E.M. Mensink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer). U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam . Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).