Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-08-20
ECLI:NL:RBNHO:2026:10825
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee mishandelingen, waarvan één zware mishandeling. De verdachte heeft uit het niets het slachtoffer gedurende een lange tijd met kracht geslagen en aan haar haren getrokken. Het slachtoffer heeft hierdoor onder meer botbreuken in haar gezicht opgelopen. Daarbij heeft de verdachte haar sieraden gestolen, haar bedreigd met het doodsteken van haar hond en haar belet de politie te kunnen bellen. Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een mishandeling van zijn partner. Hij is in haar auto gestapt en heeft haar geslagen en aan haar haren getrokken. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het overtreden van een gebiedsverbod. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend. De reclassering heeft heel duidelijk aangegeven dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op dit moment de lopende behandeling van de verdachte ernstig zou verstoren. De rechtbank houdt ook rekening met artikel 63 Sr. De verdachte is daarom veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen met aftrek, waarvan 178 dagen voorwaardelijk met meerdere bijzondere voorwaarden en een taakstraf van 120 uur. De proeftijd geldt 3 jaar. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/065505-25, 15/330690-25 en 15/339204-25 (ttz gev) Uitspraakdatum: 20 augustus 2026 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 augustus 2026 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres Verlengde Ooyerhoekseweg 30, 7207 BJ te Zutphen (FVK Piet Roordakliniek). De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. De zaak met parketnummer 15/065505-25 wordt hierna aangeduid als zaak A. De zaak met parketnummer 15/330690-25 wordt hierna aangeduid als zaak B. De zaak met parketnummer 15/339204-25 wordt hierna aangeduid als zaak C. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. Leyendeckers en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. R.J. Pardijs, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 1 Tenlasteleggingen Zaak A Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: Feit 1 hij op of omstreeks 19 februari 2025 te Alkmaar omstreeks de periode van 01:00 uur en 05:00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, een of meerdere sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - die [benadeelde 1] een of meerdere keren (met kracht) in haar gezicht en of op haar lichaam te slaan, - die [benadeelde 1] een of meerdere keren aan haar haren te trekken, - de sieraden van die [benadeelde 1] (met kracht) van haar af te trekken, - tegen die [benadeelde 1] te zeggen dat hij haar hond zou doodsteken als zij zou vluchten, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of - een of meerdere telefoons onbruikbaar te maken en/of tegen die [benadeelde 1] te zeggen dat zij de politie niet kon en/of mocht bellen, althans woorden van gelijke strekking, en ten gevolge van dat geweld die [benadeelde 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Feit 2 hij op of omstreeks 19 februari 2025 te Alkmaar met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meerdere ringen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde 1] en/of een derde toebehoorde(n), door - die [benadeelde 1] een of meerdere keren (met kracht) in haar gezicht en of op haar lichaam te slaan en/of - die [benadeelde 1] een of meerdere keren aan haar haren te trekken, tegen die [benadeelde 1] te zeggen dat hij haar hond zou doodsteken als zij zou vluchten, althans woorden van gelijke strekking, - een of meerdere telefoons onbruikbaar te maken en tegen die [benadeelde 1] te zeggen dat zij de politie niet kon bellen, althans woorden van gelijke strekking, en ten gevolge van dat geweld die [benadeelde 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Feit 3 hij op of omstreeks 19 februari 2025 te Alkmaar aan een ander, te weten [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door - die [benadeelde 1] een of meerdere keren (met kracht) in haar gezicht en of op haar lichaam te slaan en/of - die [benadeelde 1] een of meerdere keren aan haar haren te trekken. Subsidiair hij op of omstreeks 19 februari 2025 te Alkmaar [benadeelde 1] heeft mishandeld, door - die [benadeelde 1] een of meerdere keren (met kracht) in haar gezicht en of op haar lichaam te slaan en/of - die [benadeelde 1] een of meerdere keren aan haar haren te trekken, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had. Zaak B Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 22 november 2025 te Alkmaar opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, opgemaakt op 2 oktober 2025 krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a lid 1 sub a van de Gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van gemeente Alkmaar, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode vanaf de dag dat verdachte in vrijheid werd gesteld voor drie maanden zich niet mocht bevinden in/op het gebied Nieuw Overdie, door, zich op voornoemde datum in/op de Elegaststraat, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden. Zaak C Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: Feit 1 hij op of omstreeks 29 juli 2025 te Alkmaar [benadeelde 2] heeft mishandeld, door haar - te slaan en/of duwen tegen het hoofd en/of lichaam, en/of - te trekken aan het hoofd en/of haar en/of lichaam. Feit 2 hij op of omstreeks 25 juli 2025 te Alkmaar opzettelijk en wederrechtelijk autobanden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 2], toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. Feit 3 hij in of omstreeks 22-09-2025 t/m 23-09-2025 te Alkmaar diverse gereedschappen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 3], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. 2 Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3 Beoordeling van het bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten, waarbij er sprake is van een eendaadse samenloop bij de feiten 1, 2 en 3 in zaak A. 3.2. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten, met uitzondering van het ten laste gelegde feit 1 in zaak C, waarbij hij refereert aan het oordeel van de rechtbank. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Vrijspraak feiten 2 en 3 in zaak C Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder de feiten 2 en 3 in zaak C ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Feit 2 in zaak C Uit de aangifte, de getuigenverklaringen en de foto’s blijkt dat de banden van de auto van [benadeelde 2] zijn beschadigd maar de rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat de verdachte daarvoor verantwoordelijk is. De verdachte heeft ter zitting ontkend iets met het ten laste gelegde te maken te hebben en de aangeefster heeft de vernieling (en de verdachte) zelf niet gezien. De twee getuigen, [getuige 1] en [getuige 2] hebben de vernieling wel gezien maar hebben het signalement van de dader in algemene bewoordingen omschreven. Dat de getuige [getuige 1] de persoon herkende ‘als de persoon die vaker vervelend is bij mijn buurvrouw’ biedt onvoldoende grond om vast te stellen dat de verdachte degene is geweest die de autobanden heeft lek gestoken., De conclusie is dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De rechtbank zal de verdachte daarom van dit feit vrijspreken. Feit 3 in zaak C Ten aanzien van feit 3 overweegt de rechtbank dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de diefstal heeft gepleegd. Er is geen onderzoek gedaan naar eventuele vingerafdrukken of DNA-sporen van de verdachte in of op de auto. De gestolen spullen zijn niet bij de verdachte aangetroffen. Ook de camerabeelden stroken niet met de inhoud van de aangifte. Immers blijkt uit de aangifte dat er meer dan tien goederen uit de auto van aangever zouden zijn gestolen, waaronder groot gereedschap zoals boor-, schroef- slijp- én zaagmachines. Uit het proces-verbaal van beschrijving camerabeelden volgt echter dat een persoon één keer met spullen in zijn handen wegloopt. Op de bijgevoegde foto’s bij dat proces-verbaal is niet te zien dat de persoon meerdere (grote) machines meedraagt. Nu de camerabeelden niet aansluiten bij hetgeen in de aangifte is verklaard en het dossier naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende andere bewijsmiddelen bevat waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte de ten laste gelegde goederen uit de auto heeft weggenomen, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich aan de diefstal heeft schuldig gemaakt. De rechtbank zal de verdachte daarom van het ten laste gelegde feit vrijspreken. 3.3.2 Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 ten laste gelegde feiten in zaak A, het ten laste gelegde feit in zaak B en het onder 1 ten laste gelegde feit in zaak C op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen. 3.3.3 Bewijsoverwegingen 3.3.3.1 Ten aanzien van feiten 1, 2 en 3 in zaak A [benadeelde 1] (hierna: aangeefster) heeft verklaard dat zij in de nacht van 19 februari 2025 door de verdachte is mishandeld. Zij was thuis samen met de verdachte. De verdachte greep plotseling haar haren vast en begon haar met veel kracht te slaan, waarbij de verdachte haar ketting kapot heeft getrokken. Het slaan heeft uren geduurd. Ook moest zij haar ringen één voor één afdoen, waarna de verdachte deze heeft afgepakt. Verder heeft hij haar (mobiele) telefoons kapot gemaakt, zodat zij de politie niet kon bellen en heeft de verdachte gezegd dat hij haar hond zou doodsteken als zij zou proberen te vluchten. De betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster De rechtbank is van oordeel dat de aangifte van aangeefster betrouwbaar is en kan worden gebruikt voor het bewijs. De aangeefster heeft in de middag van 19 februari 2025 bij de politie verklaard dat zij mishandeld is door de verdachte. Dit heeft zij herhaald in haar aangifte, alsook een uitgebreide en gedetailleerde verklaring gegeven over hoe zij door de verdachte is mishandeld en wat hij tegen haar gezegd heeft. Deze details komen op de rechtbank authentiek over en dragen bij aan de betrouwbaarheid. Later op de dag van 19 februari 2025 heeft zij nogmaals bij de politie verklaard dat het de verdachte is geweest die haar heeft mishandeld en ook op 12 mei 2026 heeft de aangeefster dit bij de rechter-commissaris herhaald. De rechtbank acht dan ook de aangifte van de aangeefster, authentiek, gedetailleerd en consistent en zij ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de in de aangifte beschreven gebeurtenissen. Steunbewijs De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of de verklaring van aangeefster voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, zodat aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) wordt voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de verklaring van de aangeefster op voldoende essentiële punten ondersteund door andere bewijsmiddelen van een andere bron. Zo heeft de verdachte verklaard dat hij in de nacht van 19 februari 2026, in de woning van aangeefster was. Daarnaast volgt uit de waarneming van de verbalisanten dat op de grond in de woning en op kussens van de bank bloed zat en er meerdere plukken haar op de grond lagen. Ook zijn tijdens de insluitingsfouillering van de verdachte onder meer een kapotte ketting en acht ringen in zijn jaszak aangetroffen. Tot slot stelt de rechtbank vast, aan de hand van de letselverklaring, dat het letsel van de aangeefster past bij de door haar omschreven geweldshandelingen. Alternatief scenario Door de verdachte is een alternatief scenario opgeworpen, inhoudende dat niet hij, maar iemand anders aangeefster zou hebben mishandeld. De verdachte zou zich op dat moment in de schuur van aangeefster hebben bevonden. De rechtbank gaat hieraan voorbij, nu dit alternatief scenario niet is onderbouwd en daardoor niet verifieerbaar is. Ook is hiervoor in het dossier geen aanknopingspunt te vinden. Uitgeoefende druk op de aangeefster De raadsman heeft nog betoogd dat de aangeefster onder druk is gezet om aangifte te doen, terwijl zij dat eigenlijk niet wilde. Volgens hem volgt dat uit (digitaal) opgenomen gesprekken tussen de aangeefster en een andere vrouw ([betrokkene]; de vriendin van de verdachte). De rechtbank volgt dit niet. Uit het dossier volgt dat de aangeefster in haar aangifte heeft verklaard mishandeld te zijn door de verdachte, wat zij tijdens andere verhoren heeft herhaald. Daar komt bij dat de aangeefster op de vraag van verbalisanten of zij nog wat aan haar aangifte wil toevoegen uit zichzelf aangeeft blij te zijn dat de politie naar haar in het ziekenhuis is toegekomen om haar aangifte op te nemen. Ook in het verhoor bij de rechter-commissaris heeft zij nogmaals verklaard mishandeld te zijn door de verdachte. Ook verklaart zij, nadat de geluidsfragmenten zijn voorgehouden, dat het klopt wat zij die dag bij de rechter-commissaris heeft verklaard. Dat zij onder druk gezet zou zijn om aangifte te doen, vindt dan ook geen steun in het dossier. De inhoud van de geluidsfragmenten brengt de rechtbank niet tot een andere conclusie. De aangeefster komt in die fragmenten namelijk op geen enkel moment terug op de kern van haar eigen verklaring, namelijk dat zij is mishandeld door de verdachte. Conclusie Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat alle ten laste gelegde feiten in zaak A wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, waarbij sprake is van eendaadse samenloop. 3.3.3.2 Ten aanzien van het ten laste gelegde feit in zaak B (overtreding gebiedsverbod) Uit het dossier volgt dat aan de verdachte op 18 november 2025 een gebiedsverbod was uitgereikt en dat dit gold voor drie maanden. In een bijlage behorend bij het gebiedsverbod is een plattegrond opgenomen waarop aangegeven is in welk gebied de verdachte zich niet mocht bevinden. Onder deze plattegrond staat met pen geschreven “uitgereikt 18-11-2025”, en deze is door de verdachte ondertekend. De verdachte is op 22 november 2025 om 11:49 uur op de Elegaststraat in Alkmaar aangehouden. Deze straat viel in het gebiedsverbod. Op 22 november 2025 is nogmaals het gebiedsverbod aan de verdachte uitgereikt. Daarbij is door de verbalisant ook benoemd waar de verdachte zich niet mocht begeven. De verdachte heeft in reactie daarop gezegd “Ja dat wist ik al”. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte opzettelijk het gebiedsverbod heeft overtreden. De verdachte was op de hoogte van het gebiedsverbod, maar heeft zich desondanks opgehouden in de Elegaststraat. De rechtbank acht dan ook het feit onder B wettig en overtuigend. 3.3.3.3 Ten aanzien van feit 1 in zaak C De verdachte is op 29 juli 2025 bij [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2]) in de auto gestapt. Zij hebben in de auto een conflict gekregen en ruzie gemaakt. [benadeelde 2] heeft in haar aangifte verklaard dat de verdachte toen haar hoofd heeft gepakt, aan haar haar heeft getrokken en tegen haar hoofd heeft geslagen. Die verklaring wordt ook ondersteund door andere bewijsmiddelen. Op foto’s van het letsel zijn namelijk verwondingen in het gezicht van [benadeelde 2] te zien en uit het proces-verbaal van het uitkijken van de camerabeelden wordt door de verbalisant beschreven dat er een schermutseling in de auto te zien is. Ook heeft de verdachte hierover ter zitting verklaard dat [benadeelde 2] moest huilen en wilde uitstappen. Omdat er mensen langsliepen en hij zich schaamde, wilde hij haar weer in de auto trekken, waarbij hij haar ‘misschien net iets te hard heeft vastgegrepen’. Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [benadeelde 2] heeft mishandeld. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten in zaak A, het ten laste gelegde feit in zaak B en het onder 1 ten laste gelegde feit in zaak C heeft begaan, in die zin dat: Ten aanzien van zaak A: Feit 1 hij op of omstreeks 19 februari 2025 te Alkmaar omstreeks de periode van 01:00 uur en 05:00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, sieraden, die aan [benadeelde 1], toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - die [benadeelde 1] meerdere keren met kracht in haar gezicht en/of op haar lichaam te slaan, - die [benadeelde 1] meerdere keren aan haar haren te trekken, - een sieraad van die [benadeelde 1] (met kracht) van haar af te trekken, - tegen die [benadeelde 1] te zeggen dat hij haar hond zou doodsteken als zij zou vluchten, althans woorden van gelijke aard en strekking en - meerdere telefoons onbruikbaar te maken en tegen die [benadeelde 1] te zeggen dat zij de politie niet mocht bellen, althans woorden van gelijke strekking, en ten gevolge van dat geweld die [benadeelde 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Feit 2 hij op of omstreeks 19 februari 2025 te Alkmaar met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 1] heeft gedwongen tot de afgifte van ringen, die aan die [benadeelde 1] toebehoorden, door - die [benadeelde 1] meerdere keren (met kracht) in haar gezicht en/of op haar lichaam te slaan en/of - die [benadeelde 1] meerdere keren aan haar haren te trekken, tegen die [benadeelde 1] te zeggen dat hij haar hond zou doodsteken als zij zou vluchten, althans woorden van gelijke strekking, - meerdere telefoons onbruikbaar te maken en tegen die [benadeelde 1] te zeggen dat zij de politie niet kon bellen, althans woorden van gelijke strekking, en ten gevolge van dat geweld die [benadeelde 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Feit 3 hij op of omstreeks 19 februari 2025 te Alkmaar aan een ander, te weten [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door - die [benadeelde 1] meerdere keren met kracht in haar gezicht en/of op haar lichaam te slaan en - die [benadeelde 1] aan haar haren te trekken. Ten aanzien van zaak B hij op 22 november 2025 te Alkmaar opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, opgemaakt op 2 oktober 2025 krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a lid 1 sub a van de Gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van gemeente Alkmaar, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode vanaf de dag dat verdachte in vrijheid werd gesteld voor drie maanden zich niet mocht bevinden in het gebied Nieuw Overdie, door, zich op voornoemde datum in de Elegaststraat, in voornoemd gebied te bevinden. Ten aanzien van zaak C Feit 1 hij op 29 juli 2025 te Alkmaar [benadeelde 2] heeft mishandeld, door haar - te slaan en/of duwen tegen het hoofd en/of lichaam, en/of - te trekken aan het hoofd en/of haar en/of lichaam. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging. Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van zaak A: De eendaadse samenloop van Feit 1: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en Feit 2: afpersing, gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft en Feit 3: zware mishandeling Ten aanzien van zaak B: opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast Ten aanzien van zaak C, feit 1: mishandeling Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar. 5 Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar. 6 Motivering van de sanctie 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd om aan het voorwaardelijke strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden. 6.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft de rechtbank verzocht om het advies van de reclassering in belangrijke mate mee te wegen en de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Dit zou de lopende behandeling van de verdachte doorkruizen. 6.3 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ernst van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee mishandelingen, waarvan één zware mishandeling. De verdachte heeft uit het niets het slachtoffer gedurende een lange tijd met kracht geslagen en aan haar haren getrokken. Het slachtoffer heeft hierdoor onder meer botbreuken in haar gezicht opgelopen. Daarbij heeft de verdachte haar sieraden gestolen, haar bedreigd met het doodsteken van haar hond en haar belet de politie te kunnen bellen. Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een mishandeling van zijn partner. Hij is in haar auto gestapt en heeft haar geslagen en aan haar haren getrokken. De verdachte heeft met dit handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het overtreden van een gebiedsverbod. Dit brengt ergernis en overlast met zich mee en hiermee laat de verdachte zien dat hij geen enkel respect had voor het verbod dat de burgermeester hem had opgelegd noch voor de reden waarom dit was opgelegd. Persoon van de verdachte Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 8 juli 2026, waaruit blijkt dat hij recent is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank weegt dit in het nadeel van de verdachte mee. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 14 juli 2026 en van hetgeen ter zitting door de reclasseringsmedewerker, [reclasseringswerker], nog naar voren is gebracht. Uit het rapport en de verklaring van de reclasseringsmedewerker blijkt dat er al jarenlang sprake is van fors middelengebruik bij de verdachte, voornamelijk cocaïne. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog, het risico op letsel als gemiddeld-hoog en het risico op onttrekken aan de voorwaarden als gemiddeld. Op 16 februari 2026 heeft het gerechtshof Amsterdam de verdachte veroordeeld en hem een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd en daarbij bijzondere voorwaarden gesteld, waaronder een opname in een zorginstelling. De verdachte verblijft op dit moment in de FVK Piet Roorda voor behandeling. De reclasseringsmedewerker heeft ter zitting verklaard dat zijn behandeling goed verloopt. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou deze klinische opname doorkruizen en tot gevolg hebben dat de verdachte wordt ontslagen uit de kliniek, terwijl de verdachte nog niet klaar is met zijn behandeling en nog intensieve traumatherapie moet volgen. Dit zal de positieve ontwikkelingen van zijn behandeling teniet doen. De reclassering adviseert daarom bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden: - Meldplicht bij reclassering; - Opneming in een zorginstelling; - Ambulante behandeling; - Dagbesteding; - Aflossing schulden; - Beheersing middelengebruik. Op te leggen straf Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het LOVS. Volgens deze oriëntatiepunten is het uitgangspunt voor alleen al een zware mishandeling een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht de rechtbank een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals geëist door de officier van justitie, echter niet passend. De reclassering heeft heel duidelijk aangegeven dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op dit moment de lopende behandeling van de verdachte ernstig zou verstoren. Op dit moment krijgt hij behandeling in een forensische verslavingskliniek en daar werkt hij goed aan mee. Daarnaast houdt de rechtbank ook rekening met artikel 63 Sr. De verdachte is namelijk na het plegen van deze feiten op 16 februari 2026 veroordeeld door het gerechtshof Amsterdam. Gelet op de ernst en de aard van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zal de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 2 dagen (gelijk aan zijn voorarrest). Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van wezenlijk belang. Op deze manier wordt gewerkt aan een positieve gedragsverandering met een stevige ‘stok achter de deur’ zodat hij zich laat blijven behandelen in de kliniek en hij zich in de toekomst weerhoudt van het plegen van strafbare feiten. Dit betekent dat aan de verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 178 voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. De rechtbank zal hieraan een proeftijd verbinden van drie jaar, onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich niet opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit. Daarnaast worden aan de verdachte de volgende bijzondere voorwaarden opgelegd: - Meldplicht bij reclassering; - Opneming in een zorginstelling; - Ambulante behandeling; - Dagbesteding; - Aflossing schulden; - Beheersing middelengebruik. Vanwege de ernst van de feiten zal aan de verdachte eveneens een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uur worden opgelegd, subsidiair te vervangen door 60 dagen hechtenis. 7 Beslag De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: - 1 STK Brillekoker - 1 STK Zonnebril - 1 STK Bouwlamp - 1 STK Acculader - 1 STK Gereedschap - 1 STK Gereedschap - 1 STK Gereedschap - 1 STK Tas - 1 STK Trui - 1 STK Fles - 1 STK Shirt - 1 STK Vest dienen te worden teruggegeven aan de verdachte. Voor deze voorwerpen kan (kort gezegd) geen relatie met een bewezenverklaard feit worden aangetoond. 8 Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: Artikel: 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55, 57, 63, 184, 300, 302, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. 9 Beslissing De rechtbank: Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 2 en 3 onder parketnummer 15/339204-25 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij. Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten 1, 2 en 3 onder parketnummer 15/065505-25, het ten laste gelegde feit onder parketnummer 15/330690-25 en het ten laste gelegde feit 1 onder parketnummer 15/339204-25 heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren. Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen . Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 178 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren . Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Stelt als bijzondere voorwaarden: - Meldplicht bij reclassering Dat betrokkene zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak. - Opneming in een zorginstelling Dat betrokkene zich tijdens de proeftijd voor één jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door fvk Piet Roorda of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname is reeds gestart. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt betrokkene mee aan de indicatiestelling en plaatsing. Ambulante behandeling Dat betrokkene zich gedurende de proeftijd laat behandelen door JusTact of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start aansluitend aan zijn klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling.