Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-07-30
ECLI:NL:RBNHO:2026:10692
Veroordeling tot een gevangenisstraf van 10 jaar met aftrek van voorarrest. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de uitvoer van bijna 300 kilo harddrugs en 22 vuurwapens en bij het treffen van voorbereidingshandelingen gericht op de uitvoer van zendingen van verdovende middelen. De verdachte heeft een actieve en coördinerende en dus een essentiële rol vervuld bij deze uitvoer. De verdachte beperkte zich niet tot een uitvoerende taak, maar onderhield contacten met mededaders en derden, coördineerde de logistiek en nam beslissingen die van essentieel belang waren voor het slagen van de transporten. De veroordeling is gebaseerd op Sky/ECC en Encrochat berichten. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/081639-24 Uitspraakdatum: 30 juli 2026 Tegenspraak ex art. 279 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 3 maart 2026 en 16 juli 2026 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (India), feitelijk verblijvende op het adres [adres] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. T.M. Fikkers en van hetgeen de raadsman van de verdachte, mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. 1 Tenlastelegging Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: Feit 1 hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 maart 2020 tot en met 25 maart 2020 te Amsterdam en/of Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, en/of (elders) in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (al dan niet bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) heeft gebracht en/of (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk (telkens) aanwezig heeft gehad (telkens) [12, althans een of meer zak(ken), inhoudende] (in totaal) (ongeveer) 60.000 pillen, zijnde (in totaal) (ongeveer) 25,77 kilogram MDMA en/of [7, althans een of meer pak(ken) inhoudende)] (in totaal) (ongeveer) 5,5 kilogram heroïne, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of heroïne, zijnde (telkens) MDMA en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende (telkens) een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1. Feit 2 hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 maart 2020 tot en met 25 maart 2020 te Amsterdam en/of Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, en/of (elders) in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een of meerdere vuurwapen(s) van categorie III, te weten: - ( pv onderzoek vuurwapens en munitie, wapenomschrijving 2) een revolver (merk Smith&Wesson, kaliber .38 spec 2, met gevulde cilinder) en/of - (pv onderzoek vuurwapens en munitie, wapenomschrijving 4) een pistool (merk Glock 29gen4, kaliber 10mm (auto) met patroonmagazijn) en/of - (pv onderzoek vuurwapens en munitie, wapenomschrijving 5) een pistool (merk Glock31, kaliber .357 Sig met patroonmagazijn) en/of - [pv(’s) onderzoek vuurwapens en munitie, wapenomschrijving(en) 6 en/of 8 en/of 10 en/of 12 en/of 14 en/of 16 en/of 18 en/of 20 en/of 22 en/of 24, en/of 26 en/of 28 en/of 30] dertien (13), althans een of meer pisto(o)l(en) (merk Cz P10-S, kaliber 9mm met gevuld patroonmagazijn) en/of - [pv(’s) onderzoek vuurwapens en munitie, wapenomschrijving(en) 32 en/of 34 en/of 36 en/of 38 en/of 40 en/of 42] zes (6), althans een of meer pisto(o)l(en) (merk Cz P10-S, kaliber 9mm met gevuld patroonmagazijn en/of loop met schroefdraad) (telkens) voorhanden heeft gehad. Feit 3 hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 18 mei 2020 t/m 01 juli 2020 te Amsterdam en/of op een of meer (andere) plaatsen in Nederland en/of Engeland (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) (telkens) - a) (in de periode van 18 mei 2020 t/m 03 juni 2020 naar het Verenigd Koninkrijk:) (ongeveer) 50 kilogram MDMA en/of amfetamine en/of, - b) (in de periode van 09 juni 2020 t/m 18 juni 2020 naar het Verenigd Koninkrijk:) (ongeveer) 57, althans een of meer stuk(s) cocaïne, althans (in totaal) een (grote) hoeveelheid cocaïne en/of, - c) (in de periode van 29 juni 2020 t/m 01 juli 2020 naar het Verenigd Koninkrijk:) (ongeveer) 158, althans een of meer pakket(ten) cocaïne, althans (in totaal) een (grote) hoeveelheid cocaïne, althans (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine en/of cocaïne, (telkens) zijnde MDMA en/of amfetamine en/of cocaïne, (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Feit 4 hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 maart 2020 tot en met 03 juni 2020 te Amsterdam en/of (elders) in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten (telkens) het buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine en/of heroïne, althans (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine en/of heroïne, (telkens) zijnde cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine en/of heroïne, (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, althans bevattende (telkens) een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, (telkens) voor te bereiden en/of te bevorderen (telkens) (sub 1) een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of (sub 2) zich en/of anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft/hebben getracht te verschaffen en/of (sub 3) (een) voorwerp(en) en/of vervoermiddel(en) en/of stof(fen) en/of geld(en) en/of een of meer andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad waarvan hij wist of ernstig redenen had om te vermoeden dat dat bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) immers heeft/hebben hij, verdachte en zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) - een of meer (encryptie)telefoon(s)/account(s) voorhanden gehad en/of - [via dat/die [encryptie)telefoon(s)/account(s)] (via SKY en/of Encrochat) [met een of meer personen bekend als gebruiker(s) van een of meer SKY-accounts [account A] en/of [account B] en/of [account C 1] en/of met een of meer personen bekend als gebruiker(s) van een of meer Encrochat-account(s) te weten o.a. [gebruiker D] en/of [gebruiker E] en/of [gebruiker F] en/of [gebruiker G] en/of [gebruiker H] en/of [gebruiker I]] (met betrekking tot het buiten het grondgebied brengen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van die hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine en/of heroïne) gecommuniceerd en/of afspraken gemaakt en/of informatie verstrekt en/of (door)gegeven en/of ontvangen en/of onderhandeling(en) gevoerd over: - transportmogelijkheden naar Spanje en/of Frankrijk en/of Engeland en/of Denemarken en/of - de wijze waarop dit/deze transport(en) plaatsvind(t)(en) en/of - de frequentie van het/de transport(en) en/of - het/de transportbedrij(f)(ven) - de prij(s)(zen)/kosten van de cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine en/of heroïne en/of van het/de transport(en) en/of - de wijze van betalen en/of - de/het dekmantelbedrij(f)(ven) [B.V.(’s)] en/of - de chauffeur(s) en/of - de boogde winstmarge(s) - de minimum inleg (van onder meer het aantal blokken) en/of - een of meer testtransport(en) en/of - de deklading/verstopplek (pallets / vlees/vis in blik) en/of - de afleveradres(sen) [loods(en) en/of dropp point(s)] en/of via dat/die [encryptie)telefoon(s)/account(s)] een of meer afbeelding(en) verstuurd en/of uitgewisseld en/of ontvangen van verdovende middelen [(een) blok(ken) cocaïne en/of zakken met pillen] en/of (een) vervoermiddel(en) en/of (een) wegenkaart(en). 2 Voorvragen Beroep op niet-ontvankelijkheid De raadsman heeft de rechtmatigheid van de verkrijging van de SKY/ECC-gegevens betwist. Daartoe heeft hij betoogd dat bij de onderschepping van de SKY/ECC-gegevens de Nederlandse recherche mogelijk zelf de daarvoor gebruikte software zou hebben geschreven en de servers zou hebben geanalyseerd. Daarmee heeft de raadsman geïnsinueerd dat de Nederlandse betrokkenheid bij de onderschepping van de SKY/ECC-gegevens in Frankrijk zodanig groot was dat de gelding van het interstatelijke vertrouwensbeginsel geen gegeven meer kan zijn. De rechtbank begrijpt dat de raadsman hieraan de conclusie verbindt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De rechtbank overweegt als volgt. In de bestendige jurisprudentie (o.a. ECLI:HR:2023:913) is geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is op de vanuit Frankrijk ontvangen metadata. Er moet daarom van uit worden gegaan dat het onderzoek door Frankrijk rechtmatig – dat wil zeggen: in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels – is verricht. De enkele stelling dat de Nederlandse recherche bij de onderschepping van de SKY/ECC-gegevens een grotere rol heeft gespeeld dan tot op heden bekend is, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat van het hierboven genoemde interstatelijk vertrouwensbeginsel dient te worden afgeweken. De raadsman heeft hiertoe ook geen nadere onderbouwing gegeven die dit anders maakt. Het rechtmatigheidsverweer wordt dan ook verworpen. De rechtbank heeft ook overigens vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3 Beoordeling van het bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. 3.2. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman voor partiële vrijspraak van feit 3 sub a bepleit. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden en de zaak terug te verwijzen naar de rechter-commissaris voor nader onderzoek naar de identificatie van het aan de verdachte toegeschreven SKY/ECC- en Encrochat-account. Uiterst subsidiair heeft de raadsman voorwaardelijke verzoeken gedaan tot verstrekking van gespecificeerde telecom- en zendmastgegevens behorende bij het SKY/ECC-account [account K] en tot het horen als getuige de gebruiker van het SKY/ECC-account [account L]. Op de verweren en de verzoeken van de raadsman zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Bewijsmiddelen De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen. 3.3.2. Bewijsoverwegingen Inleiding Naar aanleiding van berichten van de gebruiker van het SKY/ECC-account [account K] en het Encrochat-account [gebruiker J] is bij de politie de verdenking ontstaan dat de gebruiker van deze accounts zich in de periode van maart 2020 tot en met juli 2020 heeft beziggehouden met (kort gezegd) de handel in/het bezit van verdovende middelen (MDMA, heroïne, en cocaïne), het voorhanden hebben van 22 vuurwapens en het plegen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor de handel in verdovende middelen. 3.3.2.1. Identificatie van de gebruiker van het SKY/ECC-account [account K] en het Encrochat-account [gebruiker J] Het bewijs bestaat in deze zaak voornamelijk uit chatberichten die zijn verstuurd en ontvangen door de gebruikers van de diensten Encrochat en SKY/ECC. Om die reden moet, alvorens de vraag kan worden beantwoord of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten, worden bezien of hij kan worden geïdentificeerd als de gebruiker van de aan hem toegeschreven accounts die de belastende chatberichten hebben verstuurd en/of ontvangen. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast met betrekking tot de identiteit van de gebruiker van het SKY/ECC-account [account K] en het Encrochat-account [gebruiker J]. SKY/ECC-account [account K]: Op 17 mei 2020 vond een chatgesprek plaats tussen de gebruiker van het account [account K] (hierna: [account K]) en de gebruiker van het SKY/ECC-account [account A] (hierna: [account A]). In dit gesprek geeft [account K] aan dat hij is aangehouden door de politie, dat hij 81 euro aan een openstaande boete moest betalen en dat er een meisje bij hem in de auto zat. Uit de politiesystemen is gebleken dat de verdachte, als bestuurder van een auto, op 17 mei 2020 staande is gehouden, waarna hij ter plekke een openstaande boete van 81 euro heeft voldaan. Naast de verdachte zat [betrokkene A] (hierna: [betrokkene A]) die heeft verklaard dat de verdachte de vader van haar beste vriendin was. De gebeurtenis die [account K] in het chatgesprek beschrijft komt dus overeen met de registratie van de staande houding van de verdachte en de verklaring van [betrokkene A]. Op dat moment reed de verdachte in een auto van het merk Mercedes Benz. Het unieke wachtwoord dat aan het account [account K] is gekoppeld is: ‘mercedesmercedes’, wat lijkt te refereren aan het automerk Mercedes Benz. Verder schrijft [account K] op 9 april 2020 aan [account A] dat zijn middelste jarig is en 18 jaar is geworden. Op 1 oktober 2020 schrijft de gebruiker van het SKY/ECC-account [account M] ‘gefeliciteerd’ naar [account K]. Uit onderzoek in het Basisregistratie Personen (BRP) blijkt dat de verdachte drie kinderen heeft. Het middelste kind is geboren op 9 april 2002 en het jongste kind op 1 oktober 2009. De inhoud en verzenddata van de hiervoor genoemde chatgesprekken komen dus overeen met de verjaardag en de leeftijd van het middelste kind van de verdachte en met de verjaardag van zijn oudste kind. In het proces-verbaal van bevindingen van 2 maart 2024 staan diverse berichten die gestuurd zijn tussen [account K] en de gebruiker van het SKY/ECC-account [account N] (hierna: [account N]). Uit deze berichten blijkt dat [account K] dure horloges koopt bij [account N]. Uit één van de chats blijkt dat [account N] vraagt welke naam er op de factuur kan worden gezet. [account K] antwoordt daarop: ‘Zet maar op [achternaam verdachte]’. [achternaam verdachte] is de achternaam van de verdachte. Op basis van het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte de gebruiker is geweest van het SKY/ECC-account [account K]. Encrochat-account [gebruiker J]: Uit het dossier blijkt dat voor het Encrochat-account [gebruiker J] hetzelfde wachtwoord als voor het SKY/ECC-account [account K] wordt gebruikt, namelijk: ‘mercedesmercedes’. Verder stuurt [account K] op 16 mei 2020 naar [account A] foto’s van een mobiele telefoon waarop een gesprek te zien is tussen ‘[gebruiker J]’ en ‘[gebruiker E]’, waarbij er gesproken wordt over de handel van verdovende middelen. Hieruit blijkt de gebruiker van [account K] (de verdachte) niet alleen hetzelfde wachtwoord gebruikt als [gebruiker J], maar ook beschikt over chatgesprekken van [gebruiker J]. Overeenkomstig de berichten van [account K] (de verdachte) schrijft ook [gebruiker J] op 9 april 2020 in een chat dat zijn middelste die dag jarig is. Zoals hiervoor al is overwogen, sluit dit chatgesprek over de verjaardag van het middelste kind aan bij de verjaardag van het middelste kind van de verdachte. Uit de bovengenoemde bevindingen met betrekking tot het Encrochat-account [gebruiker J] volgt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat de gebruiker van het SKY/ECC-account [account K] dezelfde persoon is als de gebruiker van het Encrochat-account [gebruiker J] en dat deze gebruiker de verdachte was. Voorwaardelijk verzoek De raadsman heeft de rechtbank – indien zij daar aanleiding toe ziet - verzocht de behandeling van de zaak aan te houden en de zaak terug te verwijzen naar de rechter-commissaris voor nader onderzoek. Daartoe heeft hij aangevoerd dat nader onderzoek dient te volgen naar de wijze waarop en het moment waarop de koppeling van de twee IMEI-nummers aan het SKY/ECC-account [account K] tot stand is gekomen en naar de zendmastgegevens behorende bij het Encrochat-account [gebruiker J] in verhouding tot het gezinsadres. Nu de rechtbank deze gegevens uit het dossier niet heeft gebruikt voor de identificatie van de verdachte als gebruiker van de twee accounts, is de noodzaak niet gebleken. Het voorwaardelijk verzoek wordt dan ook afgewezen. 3.3.2.2. Nadere bewijsmotiveringen Feiten 1 en 2 (uitvoer/vervoer/aanwezig hebben van heroïne en MDMA en voorhanden hebben van wapens) Uit het dossier volgt dat in de periode van 20 maart 2020 tot en met 25 maart 2020 tussen meerdere gebruikers van de berichtendienst SKY/ECC, namelijk [account K], [account A] en [account C 1], is gecommuniceerd. De gebruiker van het SKY/ECC-account [account K] is geïdentificeerd als de verdachte. Uit de berichten volgt dat de verdachte op 20 maart 2020 zijn compagnons op de hoogte houdt over zijn klanten en de spullen die vervoerd moeten worden. Dit betreffen blokken, een grote hoeveelheid pillen en 24 ijzers. De verdachte stuurt twee dagen later in de groepsapp ook een foto van 12 zakken met pillen en heeft het over “22 ijzer in plaats van 24 ijzer want 2 zijn er kapot gegaan”. Op 23 maart 2020 geeft de gebruiker van het account [account C 1] aan dat het ‘tp’ (de rechtbank begrijpt: transport) klaar staat en dat hij informatie over de teler en de naam van het contactpersoon in Engeland moet hebben, waarop de verdachte antwoordt dat hij dat later zal sturen. Op 25 maart 2020 stuurt de verdachte dat de ‘tp is gepakt’ waarbij hij een foto meestuurt van een facebookbericht van 112Vandaag met als kop: ‘22 vuurwapens en verdovende middelen in beslag genomen’. Uit de politiesystemen blijkt dat op 24 maart 2020 in een bedrijfspand in Hoek van Holland een hoeveelheid wapens en drugs is aangetroffen in een pallet. Uit later forensisch onderzoek blijkt dat het ging om (ongeveer) 5,5 kilogram heroïne, (ongeveer) 22,77 kilogram / 60.000 MDMA-pillen en 22 vuurwapens. De gebruikte terminologie, bezien in samenhang met de overige inhoud van de gesprekken en de overige bewijsmiddelen in het dossier, laat naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie toe dan dat de communicatie betrekking had op de uitvoer uit het grondgebied van Nederland (hierna: uitvoer) van verdovende middelen en wapens. De verdachte heeft contact met anderen over de verdovende middelen en de wapens en stuurt hier foto’s van door naar zijn contacten. Hij beschikt over informatie over de geadresseerden van het vervoer en over de verpakkingswijze. Ook stuurt de verdachte berichten over een onderschepte lading en spreekt opgelucht over het feit dat ‘niets naar hen zal leiden’. De gegevens in de chatgesprekken van de verdachte komen dus (de hoeveelheid verdovende middelen en wapens en de plek waar de lading is onderschept) overeen met de in beslag genomen en onderzochte drugs en wapens. Op grond van het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat vast is komen te staan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de (verlengde) uitvoer, vervoer en het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid verdovende middelen bestaande uit heroïne en MDMA en het voorhanden hebben van vuurwapens in de periode van 20 maart 2020 tot en met 25 maart 2020. Feit 3 sub a (uitvoer van 50 kg MDMA) Uit het dossier blijkt dat er in de periode van 18 mei tot en met 3 juni 2020 tussen het Encrochat-account [gebruiker J] en het Encrochat-account [gebruiker I] is gecommuniceerd. De gebruiker van het account [gebruiker J] is geïdentificeerd als de verdachte. Op 18 mei 2020 schrijft de verdachte aan [gebruiker I] het volgende: ‘ik heb twee dagen van tp, donderdag vertrek en dan vrijdag of maandag, in uk, andere dag is volgende week maandag weg en dan dinsdag in uk’. Ook schrijft de verdachte: ‘Je kan spullen in Inlevern, of nog bij je houden ik ga ze verwerken in de lading.’. Op 25 mei schrijft [gebruiker I]: ‘want stuur 2 verschillende autos’ en ‘1 auto met 50kg mdma en 6 blokken, 1 auto met 4 blokken’. Op 27 mei 2020 stuurt [gebruiker J] dat het transport niet doorgaat, maar hij oppert direct een nieuwe mogelijkheid: ‘dinsdag weg en woensdag in uk’. Vervolgens vraagt ‘[gebruiker I]’ op woensdag 3 juni 2020 of hij al veilig is overgestoken, hetgeen moet verwijzen naar de boot van Nederland naar Engeland. De verdachte reageert daarop dat het transport al in het Verenigd Koninkrijk rijdt. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit onmiskenbaar dat de lading met MDMA op 3 juni 2020 daadwerkelijk in Engeland is aangekomen. De raadsman heeft, indien de rechtbank niet tot een gehele vrijspraak van dit feit komt, subsidiair verzocht de verdachte vrij te spreken van 2 kilogram MDMA, omdat deze hoeveelheid in de loods van de verdachte in Nederland is aangetroffen en aldus niet is uitgevoerd. De rechtbank volgt dit verweer niet. Hoewel uit de berichten blijkt dat er een pak van 2 kilogram MDMA is achtergebleven in de loods, volgt uit de berichten eveneens dat de opzet van de verdachte erop was gericht om de volledige 50 kilogram uit te voeren. Het feit dat het pak van 2 kilogram door een ander of anderen uit de lading is gehaald, maakt niet dat geen sprake is van opzet op de uitvoer van de volledige 50 kilo MDMA. Dit betekent dat de verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan de (verlengde) uitvoer van 2 kilo MDMA in de zin van artikel 1 lid 5 van de Opiumwet. Gelet op al het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte samen met anderen 50 kilo MDMA naar Engeland (verlengd) heeft uitgevoerd buiten het grondgebied van Nederland in de periode van 18 mei 2020 tot en met 3 juni 2020. Feit 3 sub b (uitvoer van 57 stuks cocaïne) Uit het dossier blijkt dat er vanaf 9 juni 2020 tussen de verdachte ([account K]) en [account A] en [account B] veelvuldig is gecommuniceerd over het vervoer van cocaïne naar Engeland. De verdachte stuurt op 9 juni 2020 in de groepsapp met [account A] en [account B] onder meer een overzicht van tijden, locaties en hoeveelheden waarbij hij aangeeft dat alle klanten het ‘bestikkert’ hebben. Een dag later, op 10 juni 2020, vraagt de verdachte of de anderen een foto van een blok per klant met het merk en de kleur willen maken en een foto van de blokken wanneer ze in de doos zitten. Het betreft volgens [account B] “totaal 57 st” in “11 dozen”. [account B] stuurt even later een bericht dat zij naar de loods rijden. [account A] stuurt daarna meerdere foto’s van verpakte blokken in een doos met diverse logo’s erop. Hij schrijft daar onder andere bij: ‘Hagenes 10 stuks’ en ‘2 dozen eentje heeft 6 blokken ander heeft 4 blokken’. [account B] stuurt een foto van een volgeladen pallet met dezelfde dozen waarna hij een foto van een wegrijdende vrachtwagen stuurt waarbij hij schrijft ‘richting tp’. Diezelfde dag stuurt de verdachte een bericht naar een ander account [account L] waarbij hij vraagt ‘wanneer het er is’. [account L] antwoordt daarop dat de lading ‘morgen daar’ zal zijn. Een dag later, op 11 juni 2020 schrijft [account L] dat er een fout is gemaakt in de planning maar dat het morgenochtend bezorgd wordt. De verdachte schrijft dat hij opgelucht is dat het in ieder geval ‘aan de overkant’ is. Gelet op de data van de verstuurde berichten en de inhoud daarvan, gaat de rechtbank er van uit dat de uitvoer geslaagd is. Uit de jurisprudentie blijkt voorts dat met door de verdachte en anderen gebezigde termen als “stuks” of “blokken” steeds cocaïne wordt bedoeld. De rechtbank stelt op basis van deze feiten en omstandigheden dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer van 57 blokken naar Engeland in de periode van 9 tot en met 11 juni 2020. Feit 3 sub c (uitvoer van 158 pakketten cocaïne) Uit het dossier blijkt dat er vanaf 29 juni tot en met 1 juli wederom tussen de verdachte ([account K]) en [account A] en [account B] veelvuldig is gecommuniceerd over het vervoeren van cocaïne naar Engeland. [account A] stuurt op 29 juni 2020 een lijst met tijden, klanten en ‘aantallen’/’stuks’. De volgende dag, op 30 juni 2020 stuurt [account A] meerdere foto’s door van opgestapelde blokken in dozen. Op de foto’s staan blokken met een Mercedeslogo. Bij de foto’s worden het aantal stuks en klantnamen genoemd. [account B] stuurt het uiteindelijke aantal door van 158 stuks. Even later stuurt [account A] foto’s van een volgeladen vrachtauto en een wegrijdende vrachtauto. Op 1 juli 2020 stuurt de verdachte: ‘het tp is om 16:00 en 17:00 bij klant engeland’. [account A] antwoord daarop: ‘mooi zolang grens over is zijn we op helft’. Een aantal uur later stuurt de verdachte dat het transport er net is. Gelet op deze berichten stelt de rechtbank vast dat ook deze uitvoer geslaagd is. Met de steeds gebezigde termen “pieces” en “stuks”, net zoals hierboven onder feit 3 sub b, kunnen op basis van de jurisprudentie en bij gebrek aan enige andere uitleg, niet anders worden uitgelegd dan dat de verdachte en zijn mededaders daarmee cocaïne bedoelen. Daarbij komt nog dat ten aanzien van de blokken met een Mercedes-stempel, in jurisprudentie eerder is vastgesteld dat de inhoud van dit soort blokken cocaïne betrof. Daarmee staat vast dat de verdachte zich samen met anderen ook schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer van 158 pakketten cocaïne naar Engeland in de periode van 29 juni 2020 tot en met 1 juli 2020. Feit 4 (voorbereiding- en bevorderingshandelingen drugshandel) De rechtbank is van oordeel dat de chatgesprekken die de verdachte in de periode van 20 maart 2020 tot en met 3 juni 2020 met andere Encrochat-gebruikers heeft gevoerd, niet anders kunnen worden opgevat dan als voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor de handel in harddrugs. De rechtbank overweegt voorts dat de inhoud van deze berichten voldoende concreet is om te kunnen spreken van strafbare voorbereidingshandelingen. De berichten betreffen niet slechts het uitwisselen van algemene kennis en informatie maar betreffen concrete afspraken. De berichten tonen aan dat de verdachte in samenwerking met anderen een coördinerende rol vervulde bij het uitvoeren van de voorbereidingshandelingen, die zagen op de uitvoer van verdovende middelen. Medeplegen Op basis van hetgeen hiervoor besproken is, stelt de rechtbank vast dat de verdachte met zijn handelen een wezenlijke rol heeft vervuld in de handel en uitvoer van verdovende middelen en wapens. Het handelen van de verdachte is onderdeel geweest van het transport van verdovende middelen en wapens in een coördinerende rol van de verdachte en daarmee aan te merken als een bijdrage van voldoende gewicht. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en anderen is komen vast te staan. Hiermee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen onder feit 1 tot en met feit 4 bewezen. Voorwaardelijke verzoeken De raadsman heeft, indien de rechtbank niet tot vrijspraak van de ten laste gelegde feiten komt, verzocht om verstrekking van de zendmast- en Cell-ID-gegevens behorende bij het SKY/ECC-account [account K] over de periode van de tenlastegelegde feiten. Aangezien de rechtbank de zogenaamde zendmast- en Cell-ID-gegevens niet heeft gebruikt in haar bewijsvoering wijst de rechtbank dit verzoek af bij gebrek aan noodzaak daartoe. De raadsman heeft voorts een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het als getuige horen van de gebruiker van het SKY/ECC-account [account L]. De rechtbank stelt vast dat dit een herhaald verzoek betreft, waarover reeds eerder is beslist. Aan dit herhaalde verzoek zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd en het verzoek is niet nader onderbouwd. Gelet hierop ziet de rechtbank geen noodzaak om de gebruiker van het account [account L] als getuige te horen. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat er voor het account [account L] een strengere maatstaf zou hebben gegolden bij de rechter-commissaris dan voor de reeds toegewezen tegenaccounts bij de regiezitting van 17 december 2024, schuift de rechtbank dit verweer terzijde. Uit het proces-verbaal van 17 december 2024 en de beslissing van 27 mei 2025 blijkt namelijk dat zowel de rechtbank als de rechter-commissaris dezelfde cumulatieve voorwaarden hebben gebruikt. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat Feit 1 hij op een of meer tijdstippen in de periode van 20 maart 2020 tot en met 25 maart 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (al dan niet bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) heeft gebracht en vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad 12 zakken, inhoudende (in totaal) (ongeveer) 60.000 pillen, zijnde (in totaal) (ongeveer) 25,77 kilogram MDMA en 7 pakken inhoudende) (in totaal) (ongeveer) 5,5 kilogram heroïne zijnde MDMA en heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1 Feit 2 hij op een of meer tijdstippen in de periode van 20 maart 2020 tot en met 25 maart 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, meerdere vuurwapens van categorie III, te weten: - (pv onderzoek vuurwapens en munitie, wapenomschrijving 2) een revolver (merk Smith&Wesson, kaliber .38 spec 2, met gevulde cilinder) en - (pv onderzoek vuurwapens en munitie, wapenomschrijving 4) een pistool (merk Glock 29gen4, kaliber 10mm (auto) met patroonmagazijn) en - (pv onderzoek vuurwapens en munitie, wapenomschrijving 5) een pistool (merk Glock31, kaliber .357 Sig met patroonmagazijn) en - [pv(’s) onderzoek vuurwapens en munitie, wapenomschrijvingen 6 en 8 en 10 en 12 en 14 en 16 en 18 en 20 en 22 en 24, en 26 en 28 en 30] dertien (13), pistolen (merk Cz P10-S, kaliber 9mm met gevuld patroonmagazijn) en - [pv(’s) onderzoek vuurwapens en munitie, wapenomschrijvingen 32 en 34 en 36 en 38 en 40 en 42] zes (6), pistolen (merk Cz P10-S, kaliber 9mm met gevuld patroonmagazijn voorhanden heeft gehad; Feit 3 hij op tijdstippen gelegen in de periode van 18 mei 2020 t/m 01 juli 2020 in Nederland en/of Engeland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet)(telkens) - a) (in de periode van 18 mei 2020 t/m 03 juni 2020 naar het Verenigd Koninkrijk:) (ongeveer) 50 kilogram MDMA en - b) (in de periode van 09 juni 2020 t/m 11 juni 2020 naar het Verenigd Koninkrijk:) (ongeveer) 57, stuk(s) cocaïne, en - c) (in de periode van 29 juni 2020 t/m 01 juli 2020 naar het Verenigd Koninkrijk:) (ongeveer) 158, pakket(ten) cocaïne, (telkens) zijnde MDMA en/of cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1,; Feit 4 hij op een of meer tijdstippen in de periode van 20 maart 2020 tot en met 03 juni 2020 in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten (telkens) het buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van (grote) hoeveelheden cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine en/of heroïne, (telkens) hoeveelheden cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine en/of heroïne, (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,) (sub 1) een of meer anderen heeft getracht te bewegen om die feiten mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en/of (sub 2) zich en anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en (sub 3) voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat/die feiten immers heeft hij, verdachte en zijn mededaders, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) - een of meer (encryptie)telefoon(s)/account(s) voorhanden gehad en - [via /die [encryptie)telefoon(s)/account(s)] (via SKY en Encrochat) [met een of meer personen bekend als gebruiker(s) van een of meer SKY-accounts [account A] [account B] en [account C 1] en met een of meer personen bekend als gebruiker(s) van een of meer Encrochat-account(s) te weten o.a. [gebruiker D] en [gebruiker E] en [gebruiker F] en [gebruiker G] en [gebruiker H] en [gebruiker I]] (met betrekking tot het buiten het grondgebied brengen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van die hoeveelheden cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine en/of heroïne) gecommuniceerd en afspraken gemaakt en informatie verstrekt en (door)gegeven en ontvangen en onderhandelingen gevoerd over: - transportmogelijkheden naar Spanje en Frankrijk en Engeland en Denemarken en - de wijze waarop transporten plaatsvinden en - de frequentie van transporten en - het transportbedrijf en - de prijzen/kosten van de cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine en/of heroïne en/of van transporten en - de wijze van betalen en - de dekmantelbedrijven [B.V.(’s)] en - de chauffeurs en - de boogde winstmarges en - de minimum inleg (van onder meer het aantal blokken) en - een of meer testtransporten en - de deklading/verstopplek (pallets / vlees/vis in blik) en - de afleveradressen loodsen en/of dropp points en via /die [encryptie)telefoons/accounts] afbeeldingen verstuurd en ontvangen van verdovende middelen [(een) blok(ken) cocaïne en/of zakken met pillen] en vervoermiddelen en een wegenkaart; De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging. Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten Het bewezenverklaarde levert op: Feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A, B en C van de Opiumwet gegeven verbod; Feit 2: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie; Feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; Feit 4: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen, daarbij behulpzaam te zijn en daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, stoffen en gelden of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar. 5 Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar. 6 Motivering van de sanctie 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd. 6.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat de eis van de officier van justitie te hoog is, gelet op de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. De raadsman heeft verzocht, in het geval dat de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de gezondheidssituatie van de echtgenote van de verdachte, en de overschrijding van de redelijke termijn. 6.3 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de strafoplegging heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte. Daarbij heeft de rechtbank ook kennisgenomen van het strafblad van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte eenmaal eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Omdat dit langere tijd geleden is geweest, zal de rechtbank dit niet ten nadele van de verdachte meewegen bij het bepalen van de straf. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Ernst van de feiten De verdachte heeft zich gedurende een korte tijd veelvuldig beziggehouden met (het voorbereiden van) de uitvoer van verdovende middelen. De verdachte was betrokken bij vier voltooide transporten van bijna 300 kilo harddrugs en 22 vuurwapens en bij het treffen van voorbereidingshandelingen gericht op de uitvoer van zendingen van verdovende middelen. De rechtbank weegt mee dat de verdachte steeds een actieve en coördinerende en daarmee dus essentiële rol heeft vervuld bij de uitvoering van grootschalige transporten van verdovende middelen. De verdachte beperkte zich niet tot een uitvoerende taak, maar onderhield contacten met mededaders en derden, coördineerde de logistiek en nam beslissingen die van essentieel belang waren voor het slagen van de transporten. Het ging om aanzienlijke hoeveelheden verdovende middelen, bestemd voor de internationale handel. De handel in dergelijke hoeveelheden vormt een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en draagt in belangrijke mate bij aan de instandhouding van de georganiseerde, ondermijnende criminaliteit. Daarnaast gaat drugshandel veelal gepaard met geweld, corruptie, witwassen en andere ernstige vormen van criminaliteit. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat de feiten uitsluitend zijn gepleegd uit financieel gewin waarbij de verdachte zich kennelijk geen rekenschap heeft gegeven van de schadelijke gevolgen voor de samenleving. Immers bevatten harddrugs voor de gezondheid van de gebruikers daarvan zeer schadelijke stoffen. De verspreiding ervan en de handel erin zijn bezwarend en ontwrichtend voor de samenleving. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte niet heeft geschroomd om zijn handel uit te breiden met vuurwapens. Ook het ongecontroleerd voorhanden hebben en verhandelen van vuurwapens vormt een bedreiging voor de veiligheid van de samenleving. Oplegging van de straf De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken door de rechtbanken en gerechtshoven in het land worden opgelegd. De rechtbank komt tot de conclusie dat de aard, ernst en negatieve maatschappelijke gevolgen van de bewezenverklaarde feiten zonder meer een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Redelijke termijn van berechting De rechtbank ziet in het tijdsverloop in deze zaak geen aanleiding om tot strafvermindering over te gaan. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van verdachte en zijn advocaat op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2578). De redelijke termijn is aangevangen op 9 april 2024. Hoewel het eindvonnis thans op 30 juli 2026 wordt gewezen, is de rechtbank van oordeel is dat deze overschrijding niet valt toe te wijzen aan buiten de verdachte gelegen omstandigheden. Immers heeft het meermaals wisselen van rechtsbijstand door de verdachte tot de uiteindelijke vertraging geleid. In de overig aangevoerde argumenten betreffende de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, ziet de rechtbank gelet op de ernst en aard van de feiten geen reden om over te gaan tot strafvermindering. Slotsom Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 jaren op zijn plaats, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. Voorlopige hechtenis De rechtbank heeft geconstateerd dat de verdachte, door niet ter terechtzitting van 16 juli 2026 te verschijnen, zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden waaronder zijn voorlopige hechtenis was geschorst. Gelet daarop heeft de rechtbank, overeenkomstig de vordering van de officier van justitie, na voornoemde terechtzitting bij een afzonderlijk opgemaakte beslissing de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven. 7 Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht; 2, 10, en 10a van de Opiumwet; 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 8 Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat de verdachte de onder feit 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten oplevert. Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren. Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door: mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mr. I.A. Groenendijk en mr. P.E.A. Chao, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van der Meij en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 juli 2026.