Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-08-14
ECLI:NL:RBNHO:2026:10297
Deze uitspraak gaat over vier beroepzaken, die eisers aanhangig hebben gemaakt. Inhoudelijk zien de beroepen op besluiten van het college over het perceel en de woning van hun buurman. Het betreft 1. het besluit waarbij het verzoek van eisers om handhaving is afgewezen en 2. een aan de buurman verleende (legalisatie)omgevingsvergunning voor de bouw van (een deel van) de woning. Eisers zijn het niet eens met deze besluiten. De kern van de beroepen van eisers vormt hun standpunt dat de oostelijke zijbeuk van de buurwoning bij een verbouwing is uitgebreid richting hun perceel en daarbij tot 10 cm over de erfgrens is gebouwd. Deze uitbreiding achten zij een overtreding waar het college ten onrechte niet handhavend tegen heeft optreden. Ook kon het college in deze situatie volgens eisers geen omgevingsvergunning verlenen voor wijzigingen van de oostelijke zijbeuk. De overige twee beroepzaken hebben eisers aanhangig gemaakt omdat het college niet tijdig zou hebben beslist op door hen ingediende bezwaarschriften. De rechtbank oordeelt dat eisers hun kernstandpunt niet overtuigend aannemelijk hebben gemaakt, zodat het college bij het bestreden handhavingsbesluit daar terecht niet van is uitgegaan. Het bewijs van eisers voor hun stelling dat de oostelijke zijbeuk bij een verbouwing ten opzichte van de historische situering is verplaatst en uitgebreid met een nieuwe fundering, acht de rechtbank onvoldoende concreet en niet overtuigend. Daarbij hebben eisers onvoldoende onderbouwd dat de situering van de oostelijke zijbeuk in strijd is met enige planologische regel. De gronden van eisers tegen het bestreden afwijzende handhavingsbesluiten (in zaak HAA 23/4772) en de bestreden omgevingsvergunning (in de gevoegde zaak HAA 25/5130+HAA 26/1785) slagen dus niet. De beroepen niet tijdig beslissen (HAA 25/5130 en HAA 46/448) zijn niet ontvankelijk RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 25/5130+HAA 26/1785 (gevoegde zaken), HAA 23/4772 en HAA 26/448 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2026 in de zaken tussen [eiser] en [eiseres] , uit Zaandam, eisers, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad gemachtigde: mr. Y. Kliphuis, advocaat te Hoofddorp. Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] , uit Zaandam, de buurman. Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over vier beroepzaken, die eisers aanhangig hebben gemaakt. Inhoudelijk zien de beroepen op besluiten van het college over het perceel en de woning van hun buurman aan de [straat] [nummer 2] in Zaandam (hierna: de woning). Het betreft 1. het besluit waarbij het verzoek van eisers om handhaving is afgewezen en 2. een aan de buurman verleende (legalisatie)omgevingsvergunning voor de bouw van (een deel van) de woning. Eisers zijn het niet eens met deze besluiten. De geschillen zijn uiteindelijk toegespitst op het oostelijk deel van de woning waar die is gesitueerd bij de erfgrens met het perceel van eisers. Dat deel van de woning duidt de rechtbank hierna aan met de “oostelijke zijbeuk”. De kern van de beroepen van eisers vormt hun standpunt dat de oostelijke zijbeuk bij een verbouwing is uitgebreid richting hun perceel en daarbij tot 10 cm over de erfgrens is gebouwd. Deze uitbreiding achten zij een overtreding waar het college ten onrechte niet handhavend tegen heeft optreden. Ook kon het college in deze situatie volgens eisers geen omgevingsvergunning verlenen voor wijzigingen van de oostelijke zijbeuk. De overige twee beroepzaken hebben eisers aanhangig gemaakt omdat het college niet tijdig zou hebben beslist op door hen ingediende bezwaarschriften. Deze uitspraak gaat daar ook over. 1.2. Aan de hand van de beroepsgronden van eisers beoordeelt de rechtbank of het college ten onrechte heeft afgezien van handhavend optreden tegen de situering van de oostelijke zijbeuk en of het college de omgevingsvergunning op toereikende gronden heeft verleend. Daarnaast beziet de rechtbank of er vanwege niet tijdig beslissen nog enige beslissing moet worden genomen. 2. De rechtbank oordeelt dat eisers hun kernstandpunt niet overtuigend aannemelijk hebben gemaakt, zodat het college bij het bestreden handhavingsbesluit daar terecht niet van is uitgegaan. Het bewijs van eisers voor hun stelling dat de oostelijke zijbeuk bij een verbouwing ten opzichte van de historische situering is verplaatst en uitgebreid met een nieuwe fundering, acht de rechtbank onvoldoende concreet en niet overtuigend. Daarbij hebben eisers onvoldoende onderbouwd dat de situering van de oostelijke zijbeuk in strijd is met enige planologische regel. De gronden van eisers tegen het bestreden afwijzende handhavingsbesluiten (in zaak HAA 23/4772) en de bestreden omgevingsvergunning (in de gevoegde zaak HAA 25/5130+HAA 26/1785) slagen dus niet. Het beroep tegen niet tijdig beslissen op hun bezwaar tegen de omgevingsvergunning in zaak HAA 25/5130 is niet-ontvankelijk omdat inmiddels op het bezwaar is beslist en het college de volledige bestuurlijke dwangsom heeft toegekend. Het beroep tegen niet tijdig beslissen in zaak HAA 26/448 is niet ontvankelijk omdat het college reeds op het bezwaar had beslist en tegen de laatste beslissing niet (opnieuw) bezwaar meer openstond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop en feiten 3.1. Eisers wonen op [straat] [nummer 5] , als directe buren aan de oostzijde van het perceel van de buurman op [straat] [nummer 2] . Op 9 oktober 2020 hebben eisers een verzoek om handhaving ingediend. Het verzoek zag op een aantal verbouwingen aan de woning van de buurman. Volgens eisers is de oostelijke zijbeuk zonder vergunning uitgebreid richting, en gedeeltelijk over, hun erfgrens. Het verzoek zag ook op een zonder de benodigde vergunning gebouwde dakopbouw op en tegen het oostelijke zadeldak van de woning – in wezen een grote dakkapel die aansloot op de dakvoet en grensde aan de zijkant van het dak aan de voorzijde van de woning. Eisers hadden aan het handhavingsverzoek mede ten grondslag gelegd de stelling dat de buurman bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek (BW) overtrad, te weten bouwen over de erfgrens en het hebben van een venster (in de dakopbouw) binnen twee meter van de erfgrens. 3.2. Het college heeft op 3 maart 2021 aan de buurman aangekondigd voornemens te zijn het verzoek toe te wijzen voor wat betreft de dakopbouw en de oostelijke zijbeuk, voor zover die voorbij de voorgevel is doorgetrokken, waardoor een uitbouw voor de voorgevel is ontstaan (hierna: vooruitbouw). Voor de vooruitbouw beschikte de buurman volgens het college niet over de vereiste omgevingsvergunning. 3.3. Op 19 april 2021 heeft een toezichthouder van het college een controle uitgevoerd op het perceel. De constateringen zijn opgenomen in het controlerapport van 26 april 2021. Volgens de toezichthouder komen de maten van de woning (zonder de vooruitbouw) vrijwel overeen met de (binnen)maten zoals opgenomen op de tekening/plattegrond bij een vergunning voor een ‘plan vertimmeren’ uit 1912. 3.4 De buurman heeft op 13 mei 2021 een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning ter legalisering van de vooruitbouw en de wijziging van het licht schuine dak op de oostelijke zijbeuk in een plat dak. 3.5. Op 23 december 2021 heeft het college (voor de eerste maal) de omgevingsvergunning verleend voor de vooruitbouw. Hier hebben eisers bezwaar tegen gemaakt. In de beslissing op bezwaar van 4 juli 2022 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten onder aanvulling van de motivering. Hier hebben eisers beroep tegen ingesteld bij de rechtbank (dat beroep is toen geadministreerd onder zaaknummer HAA 22/4102). 3.6. In het besluit van 5 september 2022 heeft het college het handhavingsverzoek voor wat betreft de oostelijke zijbeuk en de dakopbouw afgewezen. Hier hebben eisers bezwaar tegen gemaakt. 3.7. In het bestreden (deel)besluit I van 13 juni 2023 (op het bezwaar van eisers tegen het besluit van 5 september 2022 op het verzoek om handhaving) stelt het college dat ten onrechte niet handhavend is opgetreden tegen de dakopbouw omdat is gebleken dat die vergunningplichtig is en niet is vergund. Verder overweegt het college dat de toezichthouder bij de controle op 19 april 2021 al had geconstateerd dat de oostelijke zijbeuk (achterzijde) gesitueerd is op de plek zoals opgenomen in het ‘plan vertimmeren’ uit 1912. Het college zag daarom geen grond tegen het achterste gedeelte van de zijbeuk op te treden. De oostelijke zijbeuk maakt volgens die tekening onderdeel uit van het hoofdgebouw en is dus niet een (recente) uitbreiding/aanbouw richting het perceel van eisers. Voor wat betreft de vooruitbouw – ook een deel van de oostelijke zijbeuk – merkt het college op dat daarvoor de (legaliserende) omgevingsvergunning van 23 december 2021 is verleend, zodat tegen dat deel van de oostelijke zijbeuk niet meer kon worden opgetreden. De rechtbank merkt hier reeds bij op, dat het college bij het (deel)besluit I nog geen last onder dwangsom voor wat betreft de dakopbouw aan de buurman had opgelegd. Tegen dit (deel)besluit I hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank. Dat is de beroepszaak HAA 23/4772. 3.8. In haar uitspraak van 17 augustus 2023 (in de zaak met nummer HAA 22/4102) heeft de rechtbank het besluit van 4 juli 2022 vernietigd, de omgevingsvergunning van 23 december 2021 herroepen en het college opgedragen opnieuw op de aanvraag van de buurman te beslissen. Volgens de rechtbank was onvoldoende duidelijk gemaakt waar de omgevingsvergunning precies betrekking op had. 3.9. Eisers hebben in de (handhavings)zaak HAA 23/4772 aanvullende reacties en stukken bij de rechtbank ingediend. 3.10. De rechtbank heeft het beroep HAA 23/4772 op 6 maart 2025 – in andere samenstelling – op een zitting behandeld. De gemachtigde van het college, vergezeld door de gemeenteambtenaren [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , is toen verschenen. Eisers waren hier niet bij aanwezig. De buurman had zich toen (nog) niet gesteld als derde-partij. De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek aangehouden en met het college afspraken gemaakt over (het tijdpad voor) de nog resterende besluitvorming. Van de afspraken is proces-verbaal opgemaakt en aan partijen toegezonden. 3.11. Bij het bestreden (deel)besluit II van 28 april 2025 heeft het college gevolg gegeven aan (de conclusie in) het bestreden (deel)besluit I, dat handhavend zou worden opgetreden. Het college heeft aan de buurman een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot de dakopbouw (afbreken dan wel terugbrengen tot een dakkapel die vergunningvrij is). In het besluit heeft het college ook een aanvullende motivering gegeven op (deel)besluit I waarom ten aanzien van de oostelijke zijbeuk (vooruitbouw en achterzijde) geen sprake (meer) is van een overtreding waartegen handhavend kan worden opgetreden. Voor wat de uitbouw voor de voorgevel betreft, is de omgevingsvergunning van 23 december 2021 weliswaar door de rechtbank herroepen, maar volgens verweerder is er gelet op de aanvraag van 13 mei 2021 en de aanvullende set tekeningen van 31 maart 2025, waarop het college voornemens is inwilligend te beslissen, nog steeds concreet zicht op legalisatie, zodat handhaven tegen die overtreding niet aan de orde is. Eisers hebben, aldus het college, voorts voor wat betreft de achterzijde van de oostelijke zijbeuk onvoldoende concreet (bijvoorbeeld op een kaart) aangegeven waar de oostelijke zijbeuk het bouwvlak en/of de kadastrale grenzen zou overschrijden, één en ander in onderlinge samenhang bezien, (mede) gelet op de historische ontwikkeling van de vergunde bebouwing sinds (in ieder geval) 1912. 3.12. Eisers hebben bij het college een bezwaarschrift ingediend tegen het bestreden (deel)besluit II. 3.13. Bij besluit van 21 mei 2025 heeft het college opnieuw op de aanvraag van de buurman van 13 mei 2021 beslist en een omgevingsvergunning verleend voor de aanbouw (inclusief deur) aan de voorzijde en overige wijzigingen aan de oostelijke zijbeuk (veranderen van de dakhelling en dakvlak van licht schuin naar plat dak). Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening hangende het bezwaar. 3.14. De voorzieningenrechter heeft het verzoek bij uitspraak van 9 juli 2025 afgewezen omdat een spoedeisend belang bij het verzoek ontbrak (HAA 25/2580). 3.15. Eisers hebben inzake HAA 23/4772 verdere aanvullende reacties en stukken ingediend. 3.16. Eisers hebben bij de rechtbank twee beroepen niet tijdig beslissen ingesteld omdat, zo stellen eisers, het college niet tijdig een beslissing had genomen op hun bezwaar tegen de omgevingsvergunning van 21 mei 2025 (HAA 25/5130) en hun bezwaar tegen het bestreden (deel)besluit II (HAA 26/448). Op deze beroepen is tot heden nog niet beslist. Deze beroepen zijn voor de goede orde gelijktijdig met de zaken 23/4772 ter zitting geagendeerd. 3.17. Bij bestreden besluit III van 11 februari 2026 op het bezwaar van eisers tegen het besluit van 21 mei 2025 heeft het college de aan de buurman verleende omgevingsvergunning in stand gelaten. 3.18. Eisers hebben een beroepschrift ingediend bij de rechtbank gericht tegen bestreden besluit III (geregistreerd onder HAA 26/1785). Bij afzonderlijk besluit van 11 februari 2026 heeft het college de volledige bestuurlijke dwangsom wegens niet tijdig beslissen toegekend. 3.19. Het college heeft op de vier aangemaakte beroepszaken van eisers (HAA 23/4772, HAA 25/5130, HAA 26/448 en HAA 26/1785) gereageerd met een verweerschrift. Hierop hebben eisers weer aanvullende reacties en stukken ingediend. 3.20. De rechtbank heeft de vier aangemaakte beroepszaken op 3 augustus 2026 tegelijkertijd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van het college vergezeld door msc. [naam 1] en de buurman. Beoordeling door de rechtbank Omvang van het geding 4. Eisers hebben vier beroepschriften ingediend met betrekking tot hun handhavingsverzoek en de omgevingsvergunning voor de woning, hun buurperceel [straat] [nummer 2] . De vier beroepen heeft de rechtbank gelijktijdig op een zitting behandeld. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over deze vier aangemaakte beroepszaken, voor zover nodig en mogelijk in hun onderlinge samenhang. HAA 26/1785: dubbel beroep tegen bestreden besluit III 5. Eisers hebben na het maken van hun bezwaar tegen de omgevingsvergunning van 21 mei 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op dat bezwaar. Dat is het beroep dat is geregistreerd onder nummer HAA 25/5130. Hangende dit beroep heeft het college op 11 februari 2026 de beslissing op dat bezwaar genomen (bestreden besluit III). In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat een beroep tegen niet tijdig beslissen dan ‘omklapt’ naar een regulier beroep tegen het bestreden besluit III, nu eisers het niet eens zijn met dat besluit en daar belang bij hebben. Het beroep dat eisers na het bestreden besluit III apart hebben ingesteld (HAA 26/1785) was dus overbodig. Dat beroepschrift geldt als (nadere) gronden in zaak HAA 25/5130, maar dan tegen het alsnog genomen besluit op bezwaar. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de beroepszaken HAA 25/5130 en HAA 26/1785 te voegen en het laatst betaalde griffierecht van € 200,- aan eisers terug te storten. De rechtbank behandelt in het vervolg van deze uitspraak het beroep tegen niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de omgevingsvergunning van 21 mei 2025 en de gronden van eisers tegen die in bezwaar bij besluit van 11 februari 2026 (bestreden besluit III) gehandhaafde omgevingsvergunning onder het zaaknummer HAA 25/5130+HAA 26/1785. HAA 26/448: beroep niet tijdig beslissen na bestreden (deel)besluit II over handhaving niet-ontvankelijk? 6.1. Eisers voeren aan dat het college niet tijdig heeft beslist op hun bezwaar tegen het bestreden handhavings(deel)besluit II van 28 april 2025. 6.2. De rechtbank moet dat beroep tegen niet tijdig beslissen met zaaknummer HAA 26/448 niet-ontvankelijk verklaren. Bestreden (deel)besluit II is een besluit tot aanvulling (vervolmaking) van het bestreden deelbesluit I van 13 juni 2023 dat reeds op bezwaar was genomen. Volgens artikel 6:19 Awb ziet het beroep tegen bestreden (deel)besluit I (HAA 23/4772) van rechtswege ook op het bestreden (deel)besluit II, nu eisers daar belang bij hebben en ook gronden hebben gericht tegen het bestreden (deel)besluit II. De rechtbank is dus als enige bevoegd om de gronden van eisers tegen het bestreden (deel)besluit II van 28 april 2025 met betrekking tot het handhavingsverzoek te beoordelen. Omdat het college dus niet bevoegd is om een beslissing op een bezwaar tegen (deel)besluit II te nemen, is er geen sprake van het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen op bezwaar en kan het college niet in gebreke zijn door dit te laat te doen. Het beroep tegen niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk. Eisers kunnen dus ook niet in aanmerking komen voor een bestuurlijke dwangsom wegens niet tijdig beslissen op dat niet ontvankelijke bezwaar. Overgangsrecht handhaving en omgevingsvergunning 7.1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vòòr 1 januari 2024 blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024 van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag van de buurman is ingediend op 13 mei 2021, zodat niet de Ow maar de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing is. De aanvullende tekeningen van 31 maart 2025 (na de uitspraak van 17 augustus 2023) houden geen wezenlijke wijziging van de aanvraag in. Daarom is ook op het besluit tot verlening van de vergunning van 21 mei 2025 en het bestreden besluit III van 11 februari 2026 op het bezwaar daartegen nog het oude recht, de Wabo en bijbehorende regelgeving, van toepassing. 7.2. Op een besluit waarin het bestuursorgaan een vòòr 1 januari 2024 ingediende aanvraag om handhavend op te treden afwijst, blijft op grond de Iw Ow oud recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt. Dit betekent dat op het bestreden handhavings(deel)besluit I van 13 juni 2023 in samenhang met het handhavingsdeelbesluit II van 28 april 2025, dat als herstelbesluit van het bestreden (deel)besluit I geldt, na het verzoek om handhaving van 9 oktober 2020, ook nog de Wabo van toepassing is. HAA 23/4772: handhavingsverzoek Inleiding 8. De woning aan de [straat] [nummer 2] is gelegen in de tweede lijn achter [straat] [nummer 3] . In het beroepsdossier zitten historische beelden en plattegronden (uit 1900, 1912, 1915, 1942, 1960), als onderdeel van het beeldverslag bij de omgevingsvergunning van 21 mei 2025. Oorspronkelijk waren [straat] [nummer 3] en [nummer 1] onderdeel van één blok met in het midden een derde woning, [straat] [nummer 4] . Uit de plattegrond uit 1912 volgt dat de woning op nr. [nummer 1] toen al bestond uit een middendeel en aan beide kanten een zijbeuk. Het blok had over het middendeel een doorlopend zadeldak. De oostelijke zijbeuk was bedekt met een licht schuin dak, minder steil dan het zadeldak. Uit de historische beelden volgt voorts dat het blok [straat] [nummer 3] - [nummer 4] - [nummer 1] in zijn geheel tegen de westkant van de woning [straat] [nummer 5] was en is gesitueerd. Deze situering volgt al uit de kaart uit 1812, opgenomen bij overwegingen Erfgoed op p. 12 van de omgevingsvergunning en ook in 1912. In de jaren 1980 is [straat] [nummer 4] ertussenuit gesloopt. Op die plek, voor de ontstane voorgevel van [straat] [nummer 2] , heeft de vorige eigenaar van de woning aan de oostzijde een schuur gebouwd en die uiteindelijk als vooruitbouw bij de woning, in het verlengde van de oostelijke zijbeuk, betrokken. Daar is thans de voordeur en entree tot de woning gerealiseerd. De buurman heeft de woning in 2012 zo gekocht. In het oostelijke dakvlak van de kap is nog een dakopbouw (thans: dakkapel) toegevoegd. Afbakening geschil 9.1. In het handhavingsverzoek uit 2020 benoemden eisers diverse overtredingen, waaronder de situering van de oostelijke zijbeuk en de gerealiseerde dakopbouw in het zijdakvlak op het middendeel van de woning. De aanleiding voor het handhavingsverzoek was dat eisers door de krappe ruimte tussen de oostelijke zijbeuk en hun eigen westelijke zijgevel (van hun eigen aanbouw achter hun woning) aldaar te weinig ruimte aanwezig achtten om onderhoud te plegen aan hun westelijke gevel van hun achteruitbouw. Ook wezen eisers op hun privacybelangen. 9.2. De rechtbank heeft op de zitting met eisers hun beroep ingekaderd. Het beroep richten eisers in beroep thans alleen nog op het onderdeel van de handhavingsbesluiten waarbij handhaving is afgewezen voor de oostelijke zijbeuk. En dan meer concreet op de publiekrechtelijke en planologische situering van de oostelijke zijbeuk en oostgevel (met fundering en overstek). Het college heeft immers (voor eisers positief) handhavend opgetreden tegen de dakopbouw en heeft daarover aan de buurman een last onder dwangsom opgelegd. Daarbij is tussen partijen niet meer in geschil dat de buurman in het oostelijke zijdakvlak van de kap op het middendeel van de woning inmiddels vergunningvrij (alleen) een dakkapel heeft gerealiseerd, die voldoet aan de afmetingen en plaatsing voor vergunningvrij bouwen van een dakkapel. 9.3. De rechtbank stelt voorts voorop dat het college niet bevoegd is bestuursrechtelijk handhavend op te treden tegen gestelde overtredingen van privaatrechtelijke regels van burenrecht en eigendomsrecht. Dergelijke overtredingen kunnen (los van het publiekrechtelijke toetsingskader) dus geen voorwerp zijn van beoordeling in dit beroep. Planologisch toetsingskader 10. Voor het perceel gelden de planologische regels uit de beheersverordening Zaandam Oud-West (vastgesteld in 2017). Op de plankaart is aan het perceel [straat] [nummer 2] een bestemmings- tevens bouwvlak toegekend. Het middendeel met het zadeldak en de oostelijke zijbeuk, voor zover naast het middendeel, liggen (nagenoeg geheel) in dat bouwvlak. Binnen dit bouwvlak geldt de bestemming Woondoeleinden 1. De vooruitbouw is buiten het bouwvlak gesitueerd, op de bestemming Erven. Afwijzing handhaving situering oostelijke zijbeuk: is sprake van een overtreding? 11.1. De rechtbank overweegt op voorhand dat tussen partijen in hoofdzaak een discussie bestaat over de feitelijke vaststelling van de situering van de oostelijke zijbeuk. Zij zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of de oostelijke zijbeuk van de woning op enig moment (door de vorige eigenaar) is uitgebreid richting het perceel van eisers, zoals eisers stellen. Het antwoord op deze feitelijke vraag staat ook centraal bij de beantwoording van mogelijke vervolgvragen binnen het toetsingskader van handhaving en ook de omgevingsvergunning. 11.2. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte niet handhavend heeft opgetreden tegen de situering van de oostelijke zijbeuk (achterzijde). Volgens eisers is de huidige oostelijke zijbeuk niet gebouwd op de historische locatie van de oostelijke zijbeuk zoals opgenomen op het ‘plan vertimmering’ uit 1912. De vorige eigenaar van [straat] [nummer 2] heeft de oostelijke zijbeuk volgens eisers rond 2010 verbouwd en met ca. [nummer 1] cm in de richting van het perceel van eisers uitgebreid en gebouwd op een nieuwe fundering. De historische breedtemaat van de gehele woning (aan de achterzijde) op de plattegrond uit 1912 was volgens eisers 787 cm, terwijl op de tekenset bij de omgevingsvergunning 854 cm is opgenomen. Dit bouwen van een nieuwe, verder naar het perceel van eisers gelegen zijmuur – zelfs over de erfgrens – is volgens eisers niet toegestaan zonder vergunning omdat de nieuwe oostwand een dragende wand is. Eisers onderbouwen hun standpunt met foto’s van de funderingssituatie, waarop volgens eisers onder meer een (nieuwe) betonfundering en (nieuwe) stenen borstwering te zien zijn. Volgens eisers zijn die met moderne materialen gebouwd, wat een aanwijzing is dat de oostgevel en fundering geheel nieuw gebouwd zijn. Een andere aanwijzing volgens eisers is hun stelling dat zij voorheen wel, maar door de uitbreiding geen onderhoud (meer) kunnen plegen aan de westgevel van hun aanbouw/woning. Verder is de zijbeuk met de uitbreiding 10 cm over de erfgrens met eisers gebouwd. Dit volgt uit het rapport van Boon Landmeten van 20 juli 2022 dat op verzoek van eisers is opgesteld, en de e-mail van Boon Landmeten van 19 februari 2026. 11.3. Het college stelt zich op het standpunt dat de (nieuw)bouw van de oostelijke zijbeuk aan de achterzijde geen overtreding inhoudt. De toezichthouder heeft bij de controle op 19 april 2021 geconstateerd dat de binnenmaten van de woning vrijwel overeenkomen met de binnenmaten zoals opgenomen op de plattegrond bij de vergunning voor het ‘plan vertimmeren’ uit 1912. De oostelijke zijbeuk is dus sinds in ieder geval 1912 al op deze plek aanwezig en niet (met ca. 50 cm) uitgebreid. Ook is geen sprake van bouwen buiten het bouwvlak, aangezien de historische oostgevel, dan wel enige verbouwing/vernieuwing rond 2010, als bouwvlak is geconserveerd op de plankaart in de beheersverordening Zaandam Oud-West uit 2017. Daarbij stelt het college dat mocht de oostelijke zijbeuk (al die tijd al) iets over de erfgrens hebben gestaan, de privaatrechtelijke vordering van eisers al geruime tijd verjaard is. 11.4. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt de beroepsgrond van eisers niet. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. 11.5. Volgens vaste jurisprudentie mag een bestuursorgaan in beginsel afgaan op de juistheid van de inhoud van een naar waarheid opgemaakt en ondertekend toezichtrapport en de daarin vermelde bevindingen. Indien die bevindingen evenwel gemotiveerd worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen worden gelegd. 11.6. Eisers hebben ter betwisting van het controlerapport van 19 april 2021 gewezen op afwijkende breedtematen op de tekeningen uit 1912 en bij de omgevingsvergunning van 21 mei 2025. Daarnaast hebben zij geprobeerd met foto’s aan te tonen dat met hedendaagse materialen op een andere plek een nieuwe fundering is gebouwd voor een dragende muur en dat tussen de oostelijke zijbeuk en hun westgevel minder ruimte over is voor onderhoud dan voorheen. Verder stellen eisers dat de ruimte tussen de vooruitbouw en de erfgrens 50 cm is, waarmee zij samen met de 12 cm op hun eigen perceel 62 cm ruimte hadden voor onderhoud. 11.7. Voor de rechtbank zijn deze stellingen en bewijsmiddelen onvoldoende overtuigend voor het oordeel dat zodanige twijfel bestaat aan de constatering van de toezichthouder, dat die niet ten grondslag kan worden gelegd aan de afwijzing van het handhavingsverzoek. De foto’s van eisers laten bijvoorbeeld geen verplaatsing van de oostgevel zien. Eisers hebben bijvoorbeeld geen foto’s overgelegd van de situatie aan de achterzijde voor de door hen gestelde uitbreiding en hoeveel ruimte zij toen hadden voor onderhoud. Daarbij overtuigen de foto’s van de gebruikte materialen de rechtbank er ook niet van dat de gevel verplaatst is. Mogelijk is de gevel sinds 1912 wel eens vervangen met modernere materialen – hetgeen zonder vergunning kan –, maar dit betekent niet meteen dat de oostgevel op een andere locatie met een nieuwe fundering en draagconstructie is gebouwd. Bijlage I bij de reactie van eisers van 20 juli 2026 overtuigt de rechtbank ook niet. Op die perceeltekening is immers te zien dat de schuur, en trouwens ook de daarvoor in de plaats gekomen vooruitbouw, op het eigen perceel van de buurman staan. Hierin ziet de rechtbank geen concreet aanknopingspunt dat de achterzijde, waarover eisers aanvoeren dat het gebouw over de erfgrens is gebouwd, is verplaatst. 11.8. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank dat eisers niet betwisten dat de woning, en dus de oostelijke zijbeuk voor zover niet voor de voorgevel gelegen, zoals te zien op de oude vergunningen (1912, 2004, 2005), legaal is gebouwd. Verder hebben eisers niet aangevoerd, laat staan onderbouwd, dat de oostelijke zijbeuk door uitbreiding buiten het bouwvlak is gebouwd. Hierover stelt het college naar het oordeel van de rechtbank terecht dat de plankaart bij de beheersverordening de in 2017 bestaande situatie heeft geconserveerd. Niet is dus voor wat betreft de oostelijke zijbeuk aan de achterzijde gebleken van een publiekrechtelijk illegaal gebouwd bouwwerk, zodat het college terecht heeft afgezien van handhavend optreden. 11.9. De rechtbank volgt voorts het standpunt van het college dat een mogelijke erfgrensoverschrijding op zichzelf gezien geen publiekrechtelijke handhavingsgrond oplevert. Het college is, zoals reeds overwogen, niet bevoegd om tegen een burenrechtelijke of eigendomsrechtelijke overtreding, zo daar sprake van is, handhavend op te treden. Een eventuele privaatrechtelijke vordering valt buiten de kaders van deze procedure. Concreet zicht op legalisatie 12. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat ten tijde van het bestreden handhavings(deel)besluit II geen concreet zicht op legalisatie bestond van vooruitbouw van de woning, volgt de rechtbank deze grond niet. De buurman had op dat moment al een aanvraag en aanvullende tekeningen ingediend ter legalisatie van de oostelijke zijbeuk, voor zover zonder vereiste vergunning was gebouwd en gewijzigd. Daarbij was het college bereid medewerking te verlenen aan een afwijking van de bouwregels in de beheersverordening. De conclusie is dus dat er zicht op legalisatie was voor zover er een aanbouw voor de voorgevel is gebouwd en de dakvorm van de oostelijke zijbeuk overigens is gewijzigd. Dat dat zicht op legalisatie zich heeft verwezenlijkt, blijkt uit de omgevingsvergunning die op 21 mei 2025 is verleend. Hierna wordt de rechtmatigheid van de vergunning beoordeeld. 13. Conclusie na het voorgaande is dat het college terecht van handhaving met betrekking tot de oostelijke zijbeuk heeft afgezien. HAA 25/5130+26/1785: omgevingsvergunning Beroep niet tijdig beslissen 14. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift dat eisers tegen de vergunning van 21 mei 2025 hebben ingediend, is niet-ontvankelijk. Het college heeft op 11 februari 2026 immers op het bezwaar beslist, zodat eisers geen procesbelang meer hebben bij een beslisbevel dat alsnog te doen. Daarbij heeft het college ook besloten om aan eisers de volledige bestuurlijke dwangsom toe te kennen. Dit bedrag hebben eisers ontvangen. Daarover bestaat dus geen geschil (meer). Afbakening geschil 15.1. Op de zitting hebben eisers aangegeven dat hun beroep niet is gericht tegen de omgevingsvergunning voor zover daarbij de vooruitbouw van de woning is vergund. 15.2. Dit betekent dat het beroep van eisers niet is gericht tegen de activiteit waarvoor is afgeweken van de beheersverordening (met een zogenoemde kruimelontheffing) en een beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening, heeft plaatsgevonden. Alleen als wordt afgeweken van de geldende planologische regels vindt (in meer of mindere mate) een belangenafweging plaats. 15.3. De gronden die eisers aanvoeren over de (motivering van de) gemaakte belangenafweging – die heeft plaatsgevonden binnen de bandbreedte van de afwijking van de beheersverordening voor de aanbouw aan de voorzijde (nr. 4 op de tekeningen) – beoordeelt de rechtbank daarom niet. 15.4. De overige bouwactiviteiten (nrs. 1-3 op de tekeningen) zijn vergund met een zogenoemde gebonden beschikking, waarbij geen belangenafweging plaatsvindt. Als een bouwplan past in de bouw- en gebruiksregels van de beheersverordening, is de ruimtelijke impact daarvan al door de gemeenteraad beoordeeld bij de vaststelling van de beheersverordening. De gebonden beschikking gaat om het wijzigen van de dakhelling en het dakvlak van de oostelijke zijbeuk, en een raam in de westgevel van [straat] [nummer 2] . Deze wijzigingen passen volgens het college in de bouwregels in de beheersverordening. Dit hebben eisers niet bestreden. 15.5. Eisers vermoeden echter dat de – door hen gestelde – uitbreiding van de oostelijke zijgevel met de omgevingsvergunning onverhoopt is mee vergund (legalisatie), zonder belangenafweging en in strijd met een evident privaatrechtelijke belemmering. Voldoende bepaalbaar bouwplan? 16.1. Eisers voeren in dit kader aan dat de aanvraag om de omgevingsvergunning onvoldoende bepaalbaar was, zodat het college de omgevingsvergunning heeft verleend in strijd met de vereiste aanvraaggegevens, de vereiste zorgvuldigheid en het rechtszekerheidsbeginsel. Nog altijd is voor eisers onduidelijk wat precies is aangevraagd, welke tekeningen deel uitmaken van de originele aanvraag en welke bouwactiviteiten uiteindelijk zijn vergund bij de omgevingsvergunning. 16.2. De rechtbank volgt dit standpunt van eisers niet. Uit de aanvraaggegevens en het daarbij gevoegde (aanvullende) tekeningenboek van 31 maart 2025 volgt welke veranderingen zijn aangevraagd en vergund. Een uitbreiding van de oostelijke zijbeuk is niet in de aanvraag begrepen en dus niet aangemerkt als verandering, en dus ook niet vergund. Dit volgt ook uit de breedtematen op de tekeningen, die in de nieuwe situatie niet wijzigen. Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, is ook los van de vergunde tekeningen niet vast komen te staan dat de oostelijke zijbeuk is uitgebreid, zodat van legalisatie van een uitbreiding richting – laat staan op – het perceel van eisers geen sprake is. Bouwbesluit 17.1. Eisers voeren aan dat het niet aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan de bouwvoorschriften in het Bouwbesluit. Het rapport Alhof van 29 juli 2021, waar het college naar verwijst, bevat geen situeringsonderzoek. Eisers betwisten juist de situering, nu die volgens eisers met een nieuwe constructie en dragende muur is uitgebreid. Daarom had het college een eigen verificatie moeten doen of het bouwwerk voldoet aan het Bouwbesluit, met name voor wat betreft de stabiliteitseisen, fundering en draagconstructie. 17.2. Hetgeen eisers hebben aangevoerd kan niet tot de conclusie leiden dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat voldoende aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit. Eisers hebben op de zitting aangegeven dat zij in dit kader ook hebben willen aanvoeren dat voor de oostgevel een nieuwe fundering is opgetrokken en die fundering voor een deel op hun perceel staat. Aangezien de ‘nieuwe’ fundering waar eisers op doelen geen onderdeel uitmaakt van deze vergunning, is die ook niet getoetst aan het Bouwbesluit. Het rapport Alhof ziet logischerwijs dan ook alleen op het gewijzigde dakvlak en de vooruitbouw. De rechtbank ziet ook anderszins geen grond voor het oordeel dat met het rapport van Alhof niet aannemelijk is gemaakt dat de gewijzigde dakconstructie van de oostelijke zijbeuk aan de gestelde eisen voldoet. Eisers hebben dat rapport in zoverre ook niet bestreden, laat staan de juistheid daarvan met tegenbewijs (zoals een eigen deskundig rapport) bestreden. Evident privaatrechtelijke belemmering? 18.1. Op de zitting hebben eisers desgevraagd toegelicht dat hun beroep op een evident privaatrechtelijke belemmering alleen ziet op de situatie dat de door hen gestelde uitbreiding van de achterzijde van de oostelijke zijbeuk met deze omgevingsvergunning gelegaliseerd is. 18.2. De rechtbank kan het standpunt van het college volgen dat het beroep van eisers op een evident privaatrechtelijke belemmering in deze procedure geen doel treft. Weliswaar sluit het college niet uit dat een deel van de oostelijke zijbeuk tot 10 cm over de kadastrale erfgrens is gebouwd, maar dit argument valt buiten het toetsingskader van het geschil. Enerzijds is de situering van de achterzijde van de oostelijke zijbeuk geen onderdeel van de bestreden omgevingsvergunning. Anderzijds is een evident privaatrechtelijke belemmering alleen aan de orde als onderdeel van de toets aan een goede ruimtelijke ordening. Die toets is – zoals hiervoor bij randnummer 14.2 overwogen – alleen aan de orde bij een afwijking van de beheersverordening. In dit geval is alleen voor de vooruitbouw afgeweken van de beheersverordening, maar niet voor de wijzigingen aan de oostelijke zijbeuk. Dat betekent dat, als de achterzijde van de oostelijke zijbeuk lang geleden al over de erfgrens is gebouwd, dat geen grond voor weigering van de omgevingsvergunning voor wijziging van de dakvorm is. Overige gronden 19. De rechtbank ziet verder gronden en stellingen van eisers over hun Woo-verzoek en openbaar gemaakte stukken, over de vraag of al dan niet volledig uitvoering is gegeven aan de uitspraak van 17 augustus 2023, over procedurele onvolledigheid, misstappen en/of structurele onzekerheid, over de aangevulde set nieuwe tekeningen van 31 maart 2025 en de vraag of die tekeningen overeenkomen met de tekeningen bij de aanvraag uit 2021, over concrete bepalingen uit het BW en over de artikelen 6:19, 6:22 en 3:3 van de Awb. Deze gronden kunnen binnen de geldende toetsingskaders niet leiden tot vernietiging van de bestreden besluiten, zodat die niet slagen. Conclusie en gevolgen 20. Het beroep in zaak HAA 25/5130+HAA 26/1785 is niet ontvankelijk geworden voor zover dat ziet op het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de omgevingsvergunning. Het beroep HAA 25/5130+HAA 26/1785 gericht tegen de omgevingsvergunning is overigens, evenals het beroep HAA 23/4772 tegen het besluit op het verzoek om handhaving ongegrond. Dit betekent dat de bestreden handhavings(deel)besluiten I en II en het bestreden besluit III over de omgevingsvergunning in stand blijven. 21. Het beroep HAA 26/448 is niet-ontvankelijk. De rechtbank kan het beroep niet tijdig beslissen niet inwilligen, zodat eisers niet kunnen bereiken wat zij met dit beroep beogen. 22. Eisers hebben geen recht op een proceskostenvergoeding. 23. Het beroep, ingeboekt onder HAA 26/1785, is ten onrechte als afzonderlijk beroepszaak aangemaakt. Die zaak heeft de rechtbank in deze uitspraak gevoegd met zaak HAA 25/5130. Reeds daarom moet aan eisers het onverschuldigd betaalde griffierecht van € 200,- worden terugbetaald. De rechtbank zal de griffier opdragen dit bedrag aan eisers terug te betalen. Beslissing De rechtbank: voegt de beroepen HAA 25/5130 en HAA 26/1785 onder gecombineerd zaaknummer HAA 25/5130+HAA 26/1785; verklaart het beroep HAA 25/5130+HAA 26/1785 voor zover gericht tegen niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de omgevingsvergunning van 21 mei 2025 niet-ontvankelijk en voor zover gericht tegen bestreden besluit III ongegrond; verklaart het beroep HAA 23/4772 ongegrond; verklaart het beroep HAA 26/448 niet-ontvankelijk; draagt de griffier in de gevoegde zaak HAA 25/5130+HAA 26/1785 op aan eisers het voor zaak HAA 26/1785 betaalde griffierecht van € 200,- aan hen terug te betalen. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr.I.A. Bakker, griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Eisers hebben ook een of meer handhavingsverzoeken en beroepszaken aanhangig gemaakt met betrekking tot het buurperceel [straat] [nummer 3] . Die zaken zijn thans niet aan de orde. In artikel 6:20 van de Awb is dit bepaald. In artikel 6:2, aanhef en onder b, Awb is bepaald dat beroep kan worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Zoals bedoeld in artikel 6:19 Awb. In artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, Awb is bepaald dat het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. Op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, Iw Ow. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo en artikel 4 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.