Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-08-13
ECLI:NL:RBNHO:2026:10263
In deze zaak gaat het om een werknemer die op staande voet is ontslagen vanwege het langdurig declareren van kilometers vanaf een onjuist adres, het declareren van kilometers terwijl werknemer met een collega meereed en/of niet werkte en het onrechtmatig declareren van onkosten, door daarbij gebruik te maken van AI. Werknemer verzoekt om vernietiging van het aan hem verleende ontslag op staande voet. Het verzoek wordt afgewezen, omdat het ontslag op staande voet naar het oordeel van de kantonrechter rechtsgeldig is verleend. Het primaire tegenverzoek van de werkgever wordt deels toegewezen, omdat werknemer nog een bedrag aan werkgever is verschuldigd uit hoofde van onder andere onterecht gedeclareerde reis- en onkosten. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer / rekestnummer: 12240483 \ AO VERZ 26-66 Beschikking van 13 augustus 2026 in de zaak van [verzoeker] wonende te [plaats 1] , gemeente [gemeente] verzoeker hierna te noemen: [verzoeker] gemachtigde: mr. J.J. Lauwen tegen de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Cirfood Netherlands B.V. gevestigd te Hoofddorp , gemeente Haarlemmermeer verweerder hierna te noemen: Cirfood gemachtigde: mr. I. Visscher 1 De zaak in het kort In deze zaak gaat het om een werknemer die op staande voet is ontslagen vanwege het langdurig declareren van kilometers vanaf een onjuist adres, het declareren van kilometers terwijl werknemer met een collega meereed en/of niet werkte en het onrechtmatig declareren van onkosten, door daarbij gebruik te maken van AI. Werknemer verzoekt om vernietiging van het aan hem verleende ontslag op staande voet. Het verzoek wordt afgewezen, omdat het ontslag op staande voet naar het oordeel van de kantonrechter rechtsgeldig is verleend. Het primaire tegenverzoek van de werkgever wordt deels toegewezen, omdat werknemer nog een bedrag aan werkgever is verschuldigd uit hoofde van onder andere onterecht gedeclareerde reis- en onkosten. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met 35 producties, - het verweerschrift met 38 producties, - de e-mail van de zijde van Cirfood van 10 juli 2026, waarmee de producties 39 tot en met 41 in het geding zijn gebracht, - de e-mail van de zijde van [verzoeker] van 10 juli 2026, waarmee een brief van de gemachtigde van [verzoeker] van 25 juni 2026 en producties 36 tot en met 42 in het geding zijn gebracht, - de mondelinge behandeling van 16 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de pleitnota van [verzoeker] , - de pleitnota van Cirfood. 2.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 3 De feiten 3.1. Cirfood is een internationale hospitality- en cateringorganisatie die zich richt op de verzorging van duurzame en gezonde foodconcepten voor bedrijven, onderwijsinstellingen en andere organisaties. 3.2. [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1977, is met ingang van 1 augustus 2024 in dienst getreden bij Cirfood in de functie van Business Analyst. [verzoeker] was laatstelijk werkzaam voor 40 uren per week, tegen een salaris van € 5.797,40 exclusief emolumenten. 3.3. In een e-mail van 28 november 2024 heeft [verzoeker] de HR-afdeling van Cirfood bericht dat hij per 1 december 2024 zal verhuizen naar het adres [adres] ( [postcode] ) te [plaats 2] . 3.4. Bij e-mail van 5 augustus 2025 aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] van [bedrijf 1] , getiteld ‘Officiële klacht t.a.v. [betrokkene 3] ’, schrijft [verzoeker] onder meer het volgende: “(..) Er spelen al langer negatieve uitingen vanuit de persoon van [betrokkene 3] aan Support en op de persoon [verzoeker] en [betrokkene 4] . Ik blijf op alle nanieren positief reageren en nieuwe manieren aanboren om tot een posiitieve of minimaal pofessiionele samenwerking te komen. In de praktijk krijg ik hier keer op keer een negatieve respons op en wordt elke situatie zelfs aangegrepen om ICT, Support, [betrokkene 4] en mijn persoon persoonlijk in discrediet te brengen en te saboteren. Dieptepunt is het feit dat ik terwijl ik ziek ben, op bed lig en vanuit loyaliteit en betrokkenheid even terugbel bij meerdere gemiste gesprekken van [betrokkene 5] om 22:47 op de volgende manier wordt benaderd door [betrokkene 3] . Deze conversatie duurt tot 00:38 waarbij ik over mijn grenzen ga mb.t het luisteren naar mijn lichaam en toegeven aan ziekte ten einde tot een positieve samenwerking komen. Om 0:40 geef ik het op gezien de laatste reactie van [betrokkene 3] waarin bij wederom kenbaar maakt niet namens een groep te willen opereren. Een dergelijke herhaaldelijke negatieve en onheuse bejegening door een directe collega gevolgd door ongepaste persoonlijke benadering en bedreiging maakt dat [betrokkene 3] bewust en onnodig persoonlijke en professionele samenwerking saboteert en tegelijk mij dusdanig mentaal terroriseert dat ik mij niet meer in staat voel mijn werk op professionele wijze en met plezier uit te voeren. Voor de volledigheid: Deze kwestie speelt al vanaf mijn in diensttreding en van daarvoor. De kwestie “ [betrokkene 3] ” was al een heet hangijzer in de tijd van [betrokkene 6] . Ik heb deze kwestie reeds meerdere malen alleen en samen met [betrokkene 4] en plenair aanhangig gebracht bij [betrokkene 7] maar deze wuift de situatie van de hand en baggertaliseert deze. In de bijlagen mailwisselingen en teams gesprekken waaruit deze onheuse persoonlijk bejegening alsmede het structureel saboteren van IT en de naam van IT keer op keer blijkt. Mijn collega [betrokkene 4] is volledig op de hoogte en ervaart vergelijkbare situaties. (..)” 3.5. [verzoeker] heeft zich op 28 oktober 2025 ziekgemeld. 3.6. Bij brief aan [verzoeker] van 17 december 2025, verstuurd naar het adres te [plaats 1] , heeft het UWV [verzoeker] bericht dat hij met ingang van 6 november 2025 recht heeft op een Ziektewet-uitkering, omdat hij voldoet aan de voorwaarden voor een no-riskpolis. 3.7. Op 29 januari 2026 heeft Cirfood contact opgenomen met [bedrijf 2] met het primaire verzoek om vast te stellen of [verzoeker] daadwerkelijk verblijft op het door hem opgegeven woonadres (3.3) en of de door [verzoeker] gedeclareerde reiskosten overeenkomen met de werkelijkheid. In het rapport van [bedrijf 2] van maart 2026 is onder meer het volgende opgenomen: “(..) Bevindingen Op basis van het uitgevoerde onderzoek, bestaande uit dossieranalyse, onderzoek in openbare bronnen (OSINT), een getuigeninterview en observaties op relevante locaties, komt het volgende beeld naar voren. Uit geraadpleegde openbare bronnen blijkt dat de werknemer eigenaar is van een woning in [plaats 1] . Daarnaast zijn administratieve registraties en bedrijfsactiviteiten gekoppeld aan dit adres. Tijdens het afgenomen interview met een collega van de werknemer is verklaard dat de werknemer gedurende een langere periode meerdere malen werd opgehaald bij de woning in [plaats 1] om gezamenlijk naar het station te reizen. Volgens de getuige gebeurde dit op verschillende momenten en werd hij in enkele gevallen door de werknemer binnengelaten in de woning. De uitgevoerde observaties ondersteunen dit beeld. Tijdens meerdere observatiemomenten is vastgesteld dat de werknemer zich bij de woning in [plaats 1] bevond en zich vanuit deze locatie verplaatste naar andere bestemmingen. Daarbij werd waargenomen dat de werknemer de woning zelfstandig verliet en betrad. Deze waarnemingen zijn vastgelegd in het observatielogboek en ondersteund met beeldmateriaal. Op het adres in [plaats 2] , waar de werknemer volgens beschikbare gegevens staat ingeschreven, zijn beperkte waarnemingen gedaan. Tijdens het onderzoek zijn geen concrete aanwijzingen gevonden die een structureel verblijf van de werknemer op deze locatie bevestigen. Om die reden is besloten verdere observaties op deze locatie niet voort te zetten. Op basis van de gecombineerde bevindingen uit bronnenonderzoek, het getuigeninterview en de observaties zijn aanwijzingen gevonden dat de werknemer zich bij de woning in [plaats 1] bevindt en zich vanuit deze locatie verplaatst naar andere bestemmingen. De werknemer is op 13 maart 2026 in kennis gesteld van het onderzoek en in de gelegenheid gesteld om op de bevindingen te reageren, met een reactietermijn tot 17 maart 2026 . Binnen deze termijn is geen reactie van de werknemer ontvangen. (..)” 3.8. [betrokkene 8] , Bedrijfsrechercheur bij [bedrijf 2] , heeft [verzoeker] bij brief van 13 maart 2026 als volgt bericht: “(..) [bedrijf 2] heeft in opdracht van CIRFOOD B.V. een onderzoek naar u verricht. Gedurende dit onderzoek zijn er diverse observaties uitgevoerd en zijn er verschillende gegevens van u verwerkt. Volgens de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) heeft u het recht om de verzamelde gegevens in te zien en staat het u vrij om hierover een verklaring te overleggen. Mocht u gebruik willen maken van dat recht, dan maak ik graag een telefonische afspraak met u om mijn bevindingen met u te delen. U kunt dan een afspraak maken door te mailen naar [e-mailadres] of contact opnemen met uw casemanager van CIRFOOD B.V. U heeft tot dinsdag 17-03-26 de gelegenheid om hierop te reageren. (..)” 3.9. [verzoeker] heeft geen gebruik gemaakt van het onder 3.8 genoemde aanbod. 3.10. Bij brief van 19 maart 2026 heeft [betrokkene 10] [verzoeker] als volgt bericht namens Cirfood: “(..) Ontslag op staande voet Geconcludeerd moet worden dat jij veelvuldig kilometers hebt gedeclareerd die jij niet hebt gereden. Enerzijds omdat je een onjuist woonadres hebt vermeld waardoor je meer kilometers hebt gedeclareerd dan gereden en anderzijds omdat je bewust kilometers hebt gedeclareerd terwijl jij met een collega meereed of zelfs afwezig was. Daarnaast heb jij bewust onrechtmatig onkosten gedeclareerd. Onkosten die helemaal niet zijn gemaakt, waarvoor je CIRFOOD ten onrechte hebt laten betalen. Voor CIRFOOD is dit gedrag onacceptabel. Dit zijn onrechtmatige gedragen die niet alleen onacceptabel zijn maar ook nog eens tot gevolg hebben dat wij je niet kunnen vertrouwen. Dat vertrouwen stond al onder druk omdat jij aan ons aangaf dat je geen recht hebt op een no risk-polis terwijl wij na navraag bij UWV vernamen dat jij wél een no risk-polis hebt. Nu blijkt dus dat jij kilometers en onkosten vergoed hebt gekregen, gebaseerd op de door jou aangegeven gemaakte kosten. Er zijn meer kilometers aan jou betaald en onkosten vergoed dan waar je recht op had. Dat is volstrekt onacceptabel. De in deze brief beschreven omstandigheden vormen, zowel afzonderlijk als in samenhang bezien, een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW op grond waarvan wij de arbeidsovereenkomst per vandaag, te weten 19 maart 2026, beëindigen. Bij het nemen van deze beslissing zijn overigens alle relevante, persoonlijke omstandigheden, zoals de duur van het dienstverband, de wijze waarop je tijdens het dienstverband hebt gefunctioneerd en hebt gedragen, jouw leeftijd en privé situatie in aanmerking genomen en meegewogen. De uitkomst van deze belangenafweging heeft de beslissing echter niet anders gemaakt. (..) Eindafrekening De eindafrekening van het dienstverband zal worden opgemaakt per 19 maart 2026. Met betrekking tot de eindafrekening merken wij op dat de wet CIRFOOD de mogelijkheid de zogeheten gefixeerde schadevergoeding, te weten een bedrag ter grootte van het salaris over de periode van 19 maart 2026 tot 1 mei 2026 (de opzegtermijn), op jou te verhalen. Dit zal dan ook in de eindafrekening worden verrekend. Daarnaast heeft CIRFOOD schade geleden doordat zij ten minste een bedrag van € 934,93 onverschuldigd aan jou heeft betaald door onterecht gedeclareerde kilometers en daarnaast een bedrag van € 697,20 aan onterecht gedeclareerde onkosten. Voor dit bedrag stellen wij jou dan ook aansprakelijk en behouden wij ons het recht voor dit bedrag te vermeerderen indien uit verder onderzoek blijkt dat er nog meer onverschuldigde betalingen hebben plaatsgevonden. Ook deze schade zal op de eindafrekening worden ingehouden en dat zal ertoe leiden dat CIRFOOD een vordering op jou heeft, welke CIRFOOD in een procedure op je zal verhalen (..).” 3.11. [verzoeker] heeft tot en met 30 april 2026 een Ziektewet-uitkering ontvangen van het UWV, nadat hij zich op 13 april 2026 telefonisch per 1 mei hersteld heeft verklaard bij het UWV. 3.12. In een brief van 7 mei 2026 heeft Pasma [verzoeker] als volgt bericht namens Cirfood: “(..) Op 19 maart jl. hebben wij jou per brief geïnformeerd over jouw ontslag op staande voet. (..) Bij het opmaken van de eindafrekening hebben wij de volgende betalingen en inhoudingen meegenomen: Uitbetaling vakantiegeld ten bedrage van € 4.553,11 bruto Uitbetaling niet opgenomen verlofuren ten bedrage van € 3.064,02 bruto Uitbetaling nog niet ontvangen declaraties (diverse reis en verblijfskosten) € 562,05 bruto Inhouding gefixeerde schadevergoeding ten bedrage van € 8.169,06 bruto Inhouding onterecht gedeclareerde kilometers ten bedrage van € 934,93 netto Inhouding onterecht gedeclareerde onkosten ten bedrage van € 687,20 netto Inhouding negatief salaris februari t/m maart ten bedrage van € 417,43 bruto Inhouding niet retour gegeven gebruiksmiddelen ten bedrage van € 1.761,00 netto Deze betalingen en inhoudingen brengen jouw eindafrekening tot een negatief bedrag van € 3.924,73 netto. Dit betekent dat jij nog een bedrag van € 3.924,73 aan ons moet betalen. Bij deze daarom het vriendelijke doch dringende verzoek om uiterlijk binnen 5 werkdagen na de datum van deze brief € 3.924,73 netto te voldoen op onderstaand rekeningnummer met omschrijving van jouw naam. (..)” 3.13. [verzoeker] heeft het onder 3.12 genoemde bedrag niet aan Cirfood voldaan. 4 Verzoeken 4.1. [verzoeker] verzoekt de kantonrechter om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, waardoor er sprake is van een onregelmatige opzegging en daarmee ernstig verwijtbaar handelen van Cirfood; 2. Cirfood veroordeelt tot betaling aan [verzoeker] van een billijke vergoeding ex artikel 7:681 lid 1 BW ad € 55.000,- bruto; 3. Cirfood veroordeelt tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag ad € 8.866,84 bruto wegens onregelmatige opzegging; 4. Cirfood veroordeelt tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag ad € 3.652,74 bruto ter zake de transitievergoeding ex artikel 7:673 BW; 5. Cirfood veroordeelt om aan [verzoeker] te betalen de niet-genoten vakantie-uren ad € 7.302,14 bruto; 6. Cirfood veroordeelt om aan [verzoeker] te betalen het vakantiegeld over de periode 1 juni 2025 tot en met 18 maart 2026, € 4.553,11 bruto; 7. Cirfood veroordeelt om aan [verzoeker] te betalen het loon over de periode 1 maart 2026 tot 18 maart 2026 van € 3.366,23; 8. Cirfood veroordeelt tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over de alle genoemde en gevorderde bedragen, vanaf datum opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening; 9. Cirfood veroordeelt tot verstrekking aan [verzoeker] van een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie binnen 10 dagen na dagtekening van de beschikking, waarin de gevorderde en of toegewezen bedragen zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,- per dag met een maximum van € 10.000,- voor elke dag na betekening van de beschikking dat Cirfood niet voldoet aan de beschikking; 10. Cirfood veroordeelt tot betaling van de kosten van deze procedure, vermeerderd met de nakosten voor een bedrag ad € 131 dan wel, indien betekening plaatsvindt, van € 199,-. 4.2. [verzoeker] stelt dat het aan hem verleende ontslag niet aan de daaraan gestelde strenge eisen voldoet. Bij de beoordeling van de dringende reden dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. Cirfood heeft, in tegenstelling tot wat in de ontslagbrief staat, deze omstandigheden niet, dan wel onvoldoende in aanmerking genomen; [verzoeker] was arbeidsongeschikt en had last van stoornissen waarmee Cirfood bekend was. Ook had Cirfood al eerder aan [verzoeker] kenbaar gemaakt dat zij de arbeidsovereenkomst niet wilde voortzetten. Eerst door het aanbieden van een vaststellingsovereenkomst, maar ook door (daarna) het mediationtraject niet in gang te zetten. Cirfood is op zoek gegaan naar een reden om van [verzoeker] af te komen. Dit rekent [verzoeker] Cirfood zwaar aan, temeer omdat [verzoeker] zich altijd voor 200% voor Cirfood heeft ingezet en hij ten tijde van het ontslag voor 100% arbeidsongeschikt was. 4.3. [verzoeker] berust in de onregelmatige opzegging en doet uit hoofde daarvan verschillende verzoeken. [verzoeker] maakt allereerst aanspraak op een billijke vergoeding. Er is bij [verzoeker] sprake van carrièreschade en het verlies van een unieke marktpositie. Door de wijze van beëindiging is [verzoeker] reputatie in het ‘Kanpla-ecosysteem’ onherstelbaar beschadigd, hetgeen reeds een billijke vergoeding rechtvaardigt. [verzoeker] heeft ook geen reële mogelijkheid meer om in een andere mogelijkheid met of voor Kanpla te werken, hetgeen ook een concreet en aanzien carrièreverlies betekent. [verzoeker] heeft voor Cirfood een aantoonbare waardecreatie van € 634.000,00 gegenereerd, terwijl de totale gestelde schade van Cirfood slechts € 1.622,00 bedraagt. [verzoeker] is tot slot van mening dat Cirfood ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Cirfood heeft de klacht van [verzoeker] niet in behandeling genomen. Daarna heeft zij begin november 2025 intern en extern gecommuniceerd dat [verzoeker] niet langer werkzaam was bij Cirfood en heeft zij [verzoeker] onder druk gezet om een vaststellingsovereenkomst te tekenen. Tijdens de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] heeft Cirfood geen opvolging gegeven aan de adviezen van de bedrijfsarts om een mediator in te schakelen. [verzoeker] heeft met ingang van 1 mei 2026 een nieuwe baan. Het huidig inkomen per maand is echter een stuk lager, namelijk € 5.139,00 bruto per maand, exclusief emolumenten. [verzoeker] is bovendien werkzaam op basis van een uitzendovereenkomst, hetgeen onzekerheid met zich meebrengt. Gelet op deze omstandigheden acht [verzoeker] een vergoeding van € 55.000,00 gerechtvaardigd. De arbeidsovereenkomst had niet op een andere wijze rechtmatig beëindigd kunnen worden en het lag in de lijn der verwachting dat deze nog jaren had voortgeduurd. 4.4. Omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [verzoeker] , verzoekt hij om toekenning van een transitievergoeding. Voor zover het geval het ontslag op staande voet toch rechtsgeldig wordt geacht, verzoekt hij om hem deze vergoeding toe te kennen op grond van artikel 7:673 lid 8 BW. [verzoeker] heeft recht op een transitievergoeding van € 3.652,74. [verzoeker] heeft op grond van artikel 7:677 lid 2 en 3 BW bovendien recht op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 8.886,84 en op voldoening van het nog te betalen loon inclusief emolumenten, plus de daarover verschuldigde wettelijke verhoging. 5 Verweer 5.1. Cirfood voert verweer. Volgens haar is wel degelijk sprake van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. [verzoeker] heeft het vertrouwen dat Cirfood in hem moest kunnen stellen door een samenstel van frauduleuze en verwijtbare gedragingen gedurende een langere periode onherstelbaar geschonden en ernstig beschaamd. Daarbij gaat het niet om een enkele vergissing of administratieve onzorgvuldigheid, maar om een samenstel van gedragingen, waaronder het declareren van niet-gereden kilometers, het declareren van kilometers gedurende arbeidsongeschiktheid, het declareren van kilometers terwijl hij meereed met een collega en het indienen van vervalste bonnen. Door op deze wijze herhaaldelijk vergoedingen te claimen waarop hij geen aanspraak had, heeft [verzoeker] frauduleus gehandeld en een ernstige en onherstelbare vertrouwensbreuk veroorzaakt. Onder deze omstandigheden kon van Cirfood redelijkerwijs niet worden verlangd de arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortduren, zodat het gegeven ontslag op staande voet voldoet aan de vereisten van artikel 7:677 jo. 7:678 BW. Cirfood heeft zorgvuldig gehandeld voordat zij tot ontslag op staande voet is overgegaan. Cirfood heeft eerst onderzoek verricht, de feiten zorgvuldig vastgesteld, [verzoeker] in de gelegenheid gesteld daarop te reageren en pas daarna de conclusie getrokken dat sprak is van een dringende reden. Dat [verzoeker] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid een reactie te geven, dient voor zijn eigen rekening en risico te komen, aldus Cirfood. 5.2. Omdat sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet, komen [verzoeker] geen aanspraken toe op een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, de transitievergoeding of enige andere door [verzoeker] verzochte vergoeding die uitgaat van een onrechtmatige beëindiging van het dienstverband. Voor zover onverhoopt wordt geoordeeld dat een ontslag op staande voet in de gegeven omstandigheden een te verstrekkende maatregel is, bestaat evenmin aanleiding om aan [verzoeker] een billijke vergoeding toe te kennen. [verzoeker] heeft immers onvoldoende onderbouwd op grond waarvan Cirfood ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld, hetgeen een vereiste is voor toekenning van een billijke vergoeding. Evenmin heeft [verzoeker] de hoogte van de door hem verzochte billijke vergoeding deugdelijk onderbouwd of inzichtelijk gemaakt op basis van welke omstandigheden en schadeposten deze vergoeding zou moeten worden vastgesteld. 6 Tegenverzoeken 6.1. Primair verzoekt Cirfood de kantonrechter om bij beschikking, voor zover uitvoerbaar bij voorraad de vorderingen van [verzoeker] af te wijzen en [verzoeker] te veroordelen om aan Cirfood een bedrag van € 3.924,73 netto te voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente en [verzoeker] te veroordelen in de (na)kosten van deze procedure. 6.2. Subsidiair, voor het geval de kantonrechter onverhoopt van oordeel mocht zijn dat geen sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet, verzoekt Cirfood te oordelen dat: • Cirfood niet gehouden is om nog loon te voldoen aan [verzoeker] nu het UWV reeds het loon dat [verzoeker] toe zou komen heeft voldaan uit hoofde van de aan hem toegekende Ziektewetuitkering; • [verzoeker] geen billijke vergoeding toekomt, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag; • [verzoeker] geen transitievergoeding toekomt nu wel degelijk sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag; • [verzoeker] geen vergoeding op grond van onregelmatige opzegging toekomt; • [verzoeker] geen vakantie-uren en/of vakantiegeld toekomt nu deze reeds door Cirfood bij de eindafrekening zijn voldaan; • de vorderingen betreffende de wettelijke verhoging en wettelijke rente afgewezen worden, dan wel worden gematigd naar een in goede justitie te bepalen bedrag; • [verzoeker] te veroordelen in de kosten van deze procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen alsmede de nakosten. 7 De beoordeling van de verzoeken 7.1. Gelet op de samenhang zullen het verzoek en het primaire tegenverzoek gezamenlijk worden behandeld. 7.2. Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd. beoordelingskader 7.3. Volgens artikel 7:677 lid 1 BW moet een ontslag op staande voet onverwijld worden gegeven, met gelijktijdige mededeling van de dringende reden voor dat ontslag. Als dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW worden op grond van het bepaalde in artikel 7:678 lid 1 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals de leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet zou hebben. 7.4. Voor de beoordeling van de vraag of het door Cirfood aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zijn de aan [verzoeker] opgegeven redenen zoals vermeld in de onder 3.10 genoemde brief maatgevend en wordt het geschil afgebakend door de daarin genoemde verwijten. Het gaat in dit geschil slechts om de vraag of sprake is van een dringende reden, omdat [verzoeker] niet betwist dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven. het Klokkenluider-bewijsvermoeden 7.5. [verzoeker] stelt dat de onder 3.4 opgenomen e-mail als een ‘rechtstreekse melding van psychosociale arbeidsbelasting’ als bedoeld in artikel 3 lid 2 Arbowet moet worden opgevat. [verzoeker] is 7 maanden na deze melding ontslagen, wat bij hem het vermoeden wekt dat het ontslag op staande voet te maken heeft met de door [verzoeker] gedane melding. Het is volgens [verzoeker] aan Cirfood om aan te tonen dat het ontslag op staande voet géén verband houdt met de door hem gedane melding. 7.6. De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker] verder niet heeft onderbouwd waarom de Wet bescherming klokkenluiders op deze casus van toepassing zou zijn. Naar het oordeel van de kantonrechter valt ook niet in te zien hoe de melding van [verzoeker] , die het handelen van één collega naar [verzoeker] toe betreft, moet worden gezien als het aan de kaak stellen van een misstand in de zin van de wet, te weten; een schending of een gevaar voor schending van het Unierecht of een handeling of nalatigheid waarbij het maatschappelijk belang in het geding is. De kantonrechter gaat daarom aan het gestelde Klokkenluider-bewijsvermoeden voorbij. de kilometerdeclaraties 7.7. Cirfood heeft aan het ontslag op staande voet onder meer ten grondslag gelegd dat [verzoeker] een onjuist adres heeft aangegeven op zijn kilometerdeclaraties, waardoor hij gedurende een lange periode onrechtmatig een vergoeding voor kilometers heeft gedeclareerd en ontvangen. Cirfood verwijt [verzoeker] daarnaast hij kilometers heeft gedeclareerd op dagen dat hij (als bijrijder) met een collega meereed en op dagen dat hij afwezig was bij Cirfood. 7.8. De kantonrechter stelt vast dat Cirfood geen vaste reiskostenvergoeding hanteert, maar werkt met een declaratiesysteem op basis van daadwerkelijk gemaakte kilometers, door [verzoeker] een ‘PER-RIT-declaratie’ genoemd. De kantonrechter stelt op basis van de door Cirfood overgelegde uitdraai uit haar declaratiesysteem verder vast dat [verzoeker] in het jaar 2025 alleen woon-werkdeclaraties vanaf het adres aan de [adres] in [plaats 2] heeft ingediend. Dit is het adres dat [verzoeker] in zijn mail aan Cirfood van 28 november 2024 (3.3) ook heeft genoemd als het adres waar hij per 1 december 2024 naartoe zou verhuizen. 7.9. Van een daadwerkelijke verhuizing naar [plaats 2] is het echter niet gekomen, zoals [verzoeker] ook erkend heeft op de mondelinge behandeling. Dit blijkt ook uit de bevindingen uit het rapport van [bedrijf 2] , waarin zij op basis van haar onderzoeksactiviteiten concludeert dat [verzoeker] zich ‘bij de woning in [plaats 1] bevindt en zich van daaruit verplaatst naar andere bestemmingen.’ [verzoeker] heeft, hoewel daartoe uitgenodigd, niet gereageerd op de bevindingen in het rapport en de inhoud ervan in deze procedure evenmin voldoende gemotiveerd weersproken. De kantonrechter zal de in het rapport getrokken conclusie over het feitelijk woonadres van [verzoeker] dan ook tot de hare maken. De conclusie uit het rapport stemt overigens ook overeen met de informatie uit de BRP. 7.10. [verzoeker] neemt wisselende standpunten in omtrent de ingediende declaraties. Zo stelt hij enerzijds dat hij ‘afwisselend verbleef’ in zowel [plaats 2] als [plaats 1] . Dit verhoudt zich echter moeizaam met de door [verzoeker] ingediende kilometerdeclaraties, gezien het feit dat in de periode van januari tot en met november 2025 alleen kilometers zijn gedeclareerd vanaf het adres in [plaats 2] . Hoewel [verzoeker] stelt dat een en ander naast elkaar kan bestaan, erkent hij tegelijkertijd dat zijn collega [betrokkene 9] hem in de betreffende periode meermaals heeft opgepikt, steeds bij de woning in [plaats 1] , terwijl er op de betreffende momenten is gedeclareerd vanaf het adres in [plaats 2] . Dit laat zich niet met elkaar verenigen. De kantonrechter acht het gelet op het voorgaande dan ook ongeloofwaardig dat [verzoeker] altijd waarheidsgetrouw heeft gedeclareerd en gaat ervan uit dat dit niet het geval is. [verzoeker] heeft dus reiskosten gedeclareerd die hij niet daadwerkelijk heeft gemaakt. 7.11. Voor zover het de als bijrijder gemaakte ritten betreft, had [verzoeker] naar het oordeel van de kantonrechter bovendien kunnen en moeten begrijpen dat hij uitsluitend daadwerkelijk zelf gereden ritten had mogen declareren. Bij carpoolen maakt immers maar één collega daadwerkelijk kosten, en dat is degene in wiens auto en op wiens brandstof wordt meegereden. Het feit dat Cirfood niet zwart-op-wit in haar beleid heeft vastgelegd dat werknemers geen kilometers mogen declareren als zij met een collega meerijden, maakt dit niet anders. 7.12. [verzoeker] heeft tot slot niet ontkend dat hij kilometers heeft gedeclareerd op een dag waarop hij ziek was en niet bij Cirfood op kantoor is geweest, maar van en naar een ziekenhuis in [plaats 3] is gereden. [verzoeker] stelt dat hij tijdens dit bezoek enkele werkzaamheden heeft verricht, hetgeen door Cirfood wordt betwist. In beide gevallen valt naar het oordeel van de kantonrechter echter niet in te zien waarom Cirfood de kilometers voor een privébezoek aan het ziekenhuis zou moeten vergoeden, zodat [verzoeker] van het declareren daarvan had moeten afzien. de (overige) (onkosten)declaraties 7.13. Cirfood heeft daarnaast aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dat [verzoeker] op onrechtmatige wijze onkosten heeft gedeclareerd. [verzoeker] erkent voor het grootste deel van de facturen dat deze zijn bewerkt met AI. Hij stelt echter dat deze ‘administratieve onjuistheden’ zijn ontstaan in de context van een structureel disfunctionerend declaratieproces bij Cirfood. [verzoeker] stelt dat het digitale declaratiesysteem van Cirfood beleidsmatig, procedureel én technisch disfunctioneel was en er geen schriftelijk vastgelegde declaratieprocedures- of regels bestonden. Tegen die achtergrond is het volgens [verzoeker] disproportioneel om een werknemer te ontslaan wegens ‘administratieve onjuistheden’ in datzelfde systeem. 7.14. De kantonrechter stelt het volgende voorop. Hoewel het klopt dat de declaratieprocedure bij Cirfood gedurende het dienstverband van [verzoeker] is aangepast, dan wel nader is vormgegeven, kan bij gebrek aan enige concrete onderbouwing door [verzoeker] niet worden vastgesteld dat het declaratieproces van Cirfood inderdaad beleidsmatig, procedureel en/of technisch disfunctioneel was. Maar ook in het geval dit wel zo zou zijn, zou dit [verzoeker] op geen enkele wijze ontslaan van zijn eigen verantwoordelijkheden als goed werknemer. [verzoeker] heeft niet betwist dat hij een vertrouwensfunctie vervulde en hij vanuit zijn functie was betrokken bij en gedeeltelijk verantwoordelijk was voor de beveiliging van systemen en data binnen de organisatie. Naar het oordeel van de kantonrechter mag van iemand met deze functie en verantwoordelijkheden worden verwacht dat hij een vermeend gebrekkig declaratiesysteem aan de kaak stelt en samen met zijn werkgever aan de slag gaat om vermeende gaten in het systeem te dichten, voordat wordt overgegaan tot het indienen van met AI aangepaste, dan wel gefabriceerde declaraties. [verzoeker] heeft op de mondelinge behandeling desgevraagd bevestigd dat hij dat gesprek nooit is aangegaan. 7.15. Vaststaat dat [verzoeker] op eigen houtje meerdere declaraties met AI heeft bewerkt. Zo heeft [verzoeker] het totaalbedrag op dinerbonnen bewerkt, zodat deze binnen het bij Cirfood gehanteerde ‘per persoon-plafond’ zouden passen. Ook heeft [verzoeker] kassabonnen met AI gereconstrueerd, bijvoorbeeld omdat de originele bonnen volgens zijn eigen stellingen waren verloren of onleesbaar waren geworden. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoeker] door op deze wijze onjuiste declaraties in te dienen gehandeld in strijd met de op hem rustende verplichting zich als goed werknemer te gedragen. conclusie: Cirfood had (een) dringende reden(en) voor ontslag op staande voet 7.16. Het structureel onterecht declareren van reiskosten levert naar het oordeel van de kantonrechter een dringende reden op die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Met zijn handelen heeft [verzoeker] zich gelden toegeëigend waarop hij geen aanspraak had en daarmee heeft hij Cirfood benadeeld. Ook het bewerken of fabriceren van declaraties met AI is [verzoeker] ernstig verwijtbaar, ook in het geval de onderliggende kosten daadwerkelijk zouden zijn gemaakt (wat overigens niet aan de hand van bankafschriften of anderszins is onderbouwd). Van Cirfood kon (ook) gelet hierop redelijkerwijze niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Zij hoefde dan ook niet met een minder zware sanctie te volstaan. Dit geldt temeer nu van [verzoeker] gelet op zijn functie en verantwoordelijkheden binnen Cirfood een verhoogde mate van integriteit mocht worden verwacht. 7.17. Het feit dat er geen hoor- en wederhoorgesprek heeft plaatsgevonden, maakt het voorgaande niet anders. [verzoeker] heeft op de mondelinge behandeling immers te kennen gegeven dat hij op aanraden van zijn toenmalige belangenbehartiger bewust niet is ingegaan op de onder 3.8 opgenomen uitnodiging. Door geen gebruik te maken van de uitnodiging én ook geen andersoortige (schriftelijke) reactie te geven, dient het niet plaatsvinden van het hoor- en wederhoorgesprek redelijkerwijze voor rekening en risico van [verzoeker] zelf te komen. 7.18. [verzoeker] stelt dat Cirfood zijn persoonlijke omstandigheden niet, dan wel onvoldoende in aanmerking heeft genomen voordat zij tot ontslag op staande voet overging. [verzoeker] heeft in dat verband onder meer naar voren gebracht dat hij arbeidsongeschikt was en last had van stoornissen waarmee Cirfood bekend was. De kantonrechter is van oordeel dat, hoe naar en impactvol de privéomstandigheden van [verzoeker] ook mogen zijn geweest, dit gelet op het ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] niet de conclusie rechtvaardigt dat van (een) dringende reden(en) geen sprake is. Dat geldt temeer nu gesteld, noch gebleken is dat de verweten gedragingen van [verzoeker] direct zijn voortgevloeid uit de genoemde stoornissen. 7.19. De conclusie is dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Dat betekent dat het verzoek onder 1 van [verzoeker] wordt afgewezen. Omdat het ontslag rechtsgeldig is, is van een onregelmatige opzegging geen sprake en heeft [verzoeker] geen recht op een billijke vergoeding, zodat ook de verzoeken onder 2 en 3 worden afgewezen. geen transitievergoeding 7.20. Het verzoek onder 4 om Cirfood te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens afgewezen. De kantonrechter heeft in het voorgaande geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen of nalaten van [verzoeker] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Daarom is geen transitievergoeding verschuldigd. [verzoeker] heeft zich nog beroepen op artikel 7:673 lid 8 BW, maar heeft niet onderbouwd waarom het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om aan hem geen transitievergoeding toe te kennen. Het verzoek wordt daarom ook in zoverre afgewezen. vakantie-uren 7.21. [verzoeker] verzoekt dat aan hem de niet-genoten vakantie-uren worden uitbetaald, die hij begroot op een totaalbedrag van € 7.302,14 bruto. In de eindafrekening staan slechts 91,6 uren aan uitbetaalde vakantie-uren opgenomen. [verzoeker] betwist die berekening en stelt dat hij minder uren heeft opgenomen, waardoor hij nog recht heeft op een nabetaling van 202,13 vakantie-uren, waardoor het totale nog aan [verzoeker] te betalen bedrag neerkomt op € 7.302,14 bruto. 7.22. De kantonrechter stelt vast dat Cirfood in de eindafrekening een bedrag aan uitbetaalde vakantie-uren heeft opgenomen, namelijk € 3.064,02 bruto, zodat Cirfood het verzochte bedrag tot in ieder geval zoverre feitelijk heeft voldaan. [verzoeker] heeft op de mondelinge behandeling echter nader toegelicht dat dit verzoek zo moet worden verstaan dat Cirfood zich ter zake (ook) ten onrechte op verrekening heeft beroepen. Omdat [verzoeker] niet nader heeft geconcretiseerd waarom Cirfood zich ten onrechte op verrekening heeft beroepen (voor het geval het ontslag op staande voet rechtsgeldig is), gaat de kantonrechter hieraan voorbij. Daartoe is van belang dat in artikel 7:632 BW is geregeld dat aan het einde van het dienstverband verrekening van het loon met vorderingen op de werknemer is toegestaan. 7.23. Voor zover het gaat om het verschil tussen het reeds in de afrekening begrepen bedrag en het bedrag waarop [verzoeker] stelt in totaal recht te hebben, overweegt de kantonrechter als volgt. [verzoeker] heeft de stelling van Cirfood dat een werknemer zelf de registratie van zijn verlofuren in de systemen van Cirfood beheert niet betwist. Cirfood heeft een uitdraai uit datzelfde systeem overgelegd waaruit blijkt hoeveel vakantie-uren [verzoeker] heeft opgenomen. [verzoeker] heeft vervolgens niet gemotiveerd aangevoerd dat de registratie van verlofuren niet juist is. Ook heeft [verzoeker] niet de stelling van Cirfood weersproken dat ATV-uren aan het eind van het kalenderjaar vervallen en evenmin nader geconcretiseerd hoe hij uitkomt op het door hem gestelde aantal verlofuren. De kantonrechter zal er dan ook van uitgaan dat Cirfood het totaal aan niet-genoten vakantie-uren reeds aan [verzoeker] heeft voldaan. Het verzoek onder 5 wordt daarom afgewezen. vakantiegeld 7.24. Cirfood verzoekt voorts dat Cirfood wordt veroordeeld tot betaling van het vakantiegeld over de periode 1 juni 2025 tot en met 18 maart 2026, een bedrag van € 4.553,11 bruto. De kantonrechter stelt vast dat ook dit bedrag al op de eindafrekening staat opgenomen en daarmee feitelijk is voldaan. Ook hier geldt dat het beroep op de gestelde onterechte verrekening onvoldoende is onderbouwd, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat Cirfood, gelet op het bepaalde in artikel 7:632 BW, op goede gronden tot verrekening is overgegaan. Dat brengt mee dat ook het verzoek onder 6 voor afwijzing gereed ligt. loon 7.25. [verzoeker] verzoekt dat Cirfood wordt veroordeeld tot betaling van het loon over de periode 1 tot 18 maart 2026, door hem begroot op € 3.366,23. Cirfood voert aan dat [verzoeker] vanwege de toepasselijke no risk polis 100% doorbetaald heeft gekregen. Uit een overzicht van het UWV over de betreffende periode blijkt dat aan [verzoeker] een bedrag van € 3.185,00 is uitbetaald. [verzoeker] heeft niet toegelicht dat en op grond waarvan hij in aanvulling op dat bedrag nog een bedrag aan loon van Cirfood over deze periode zou moeten ontvangen. Als het UWV een onjuist bedrag heeft uitgekeerd, zal [verzoeker] in verband met de no-risk polis bij het UWV moeten aankloppen. Ook het verzoek onder 7 wordt daarom afgewezen. nevenverzoeken 7.26. Nu de hoofdverzoeken van [verzoeker] worden afgewezen, delen de daarmee samenhangende nevenverzoeken onder 8, te weten de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, hetzelfde lot. bruto/netto specificatie 7.27. Op grond van het voorgaande ligt het verzoek onder 9 voor afwijzing gereed, aangezien de eindafrekening tot zover als een deugdelijke netto/bruto specificatie kan worden beschouwd. Cirfood heeft in haar primaire tegenverzoek echter verzocht dat [verzoeker] wordt veroordeeld tot betaling aan haar van een bedrag van € 3.924,73 netto, het bedrag dat ook op de eindafrekening staat opgenomen. [verzoeker] betwist dat hij het daarvan deel uitmakende bedrag van € 1.761,00 netto aan ‘niet retour gegeven gebruiksmiddelen’ aan Cirfood is verschuldigd. De kantonrechter zal daarom eerst de vraag beoordelen of [verzoeker] dat bedrag al dan niet aan Cirfood is verschuldigd. inhouding niet retour gegeven gebruiksmiddelen ten bedrage van € 1.761,00 netto 7.28. Cirfood stelt dat [verzoeker] meerdere producten heeft besteld waarvan onduidelijk is voor welke collega’s deze bestemd waren en wie toestemming heeft gegeven om die spullen aan te schaffen. Het gaat om meerdere iPhones, iPads en Samsung Galaxy’s. Cirfood stelt dat zij, omdat [verzoeker] desgevraagd geen uitleg heeft gegeven, niet anders kan dan concluderen dat [verzoeker] deze middelen voor eigen gebruik heeft aangeschaft. Om die reden heeft Cirfood de aanschafwaarde van de bedoelde middelen in mindering gebracht op de eindafrekening. 7.29. De kantonrechter stelt voorop dat op Cirfood de bewijslast rust om aan te tonen dat de genoemde gebruiksmiddelen inderdaad in het bezit zijn van [verzoeker] . Daar heeft Cirfood niet aan voldaan. Tijdens de zitting is gebleken dat het tot de taak van [verzoeker] behoorde om telefoons en dergelijke voor Cirfood te schaffen en aan werknemers uit te reiken. Volgens Cirfood is hiervan geen goede registratie bijgehouden en is uit een inventarisatie gebleken dat de betreffende iPhones, iPads en Samsung Galaxy’s zich op dit moment niet bij werknemers van Cirfood bevinden. Dat betekent volgens Cirfood dat [verzoeker] ze moet hebben. De kantonrechter acht dit betoog onvoldoende. [verzoeker] betwist dat de middelen in zijn bezit zijn en Cirfood heeft geen bewijs overgelegd of stellingen ingenomen waaruit met een redelijke mate van zekerheid is af te leiden dat het niet anders kan dan dat [verzoeker] over deze bedrijfsmiddelen beschikt. Dat geen deugdelijke registratie is bijgehouden van de uitgereikte bedrijfsmiddelen komt voor rekening van Cirfood. Naar het oordeel van de kantonrechter is Cirfood in zoverre ten onrechte overgegaan tot het verrekenen van dit bedrag op de eindafrekening van [verzoeker] . Het bedrag van € 1.761,00 dient dus van de eindafrekening te worden verwijderd. Het verzoek onder 9 is daarom toewijsbaar, met dien verstande dat de verzochte dwangsom wordt afgewezen. De kantonrechter gaat ervan uit dat Cirfood aan deze veroordeling zal voldoen. het primaire tegenverzoek 7.30. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de eindafrekening van Cirfood klopt, behalve voor zover het gaat om de inhouding van niet retour gegeven bedrijfsmiddelen. Het primaire tegenverzoek wordt daarom toegewezen tot een bedrag van (€ 3.924,73 - € 1.761,00) = € 2.163,73. Het subsidiaire verzoek behoeft daarom geen bespreking meer. proceskosten in het verzoek 7.31. De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . De proceskosten aan de zijde van Cirfood worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. in het tegenverzoek 7.32. De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de beslissing op het tegenverzoek direct voortvloeit uit de beslissing op het verzoek. 8 De beslissing De kantonrechter: op het verzoek 8.1. veroordeelt Cirfood, gelet op het bepaalde in 7.29, tot verstrekking aan [verzoeker] van een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie binnen 10 dagen na dagtekening van deze beschikking, 8.2. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van Cirfood van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, 8.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad , 8.4. wijst het meer of anders verzochte af, op het tegenverzoek 8.5. veroordeelt [verzoeker] om aan Cirfood te voldoen een bedrag van € 2.163,73 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van deze beschikking, 8.6. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 8.7. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, 8.8. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026. 1467 Artikel 7:673 lid 7, onder c, van het Burgerlijk Wetboek. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.