Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-07-29
ECLI:NL:RBNHO:2026:10010
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR terecht de Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer (EMG) heeft opgelegd. Het bestreden besluit is in zoverre deugdelijk gemotiveerd en zorgvuldig tot stand gekomen. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/5005 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser en de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR (gemachtigde: mr. S. Sheikchote). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de opgelegde Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer (EMG). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een beroepsgrond aan. Eiser stelt dat het CBR het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd en dat het onzorgvuldig tot stand is gekomen. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de opgelegde EMG. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR terecht de EMG heeft opgelegd. Het bestreden besluit is in zoverre deugdelijk gemotiveerd en zorgvuldig tot stand gekomen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 29 september 2025 op het bezwaar van eiser is het CBR bij het opleggen van de EMG gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het CBR. Beoordeling door de rechtbank Het bestreden besluit 3. Met het bestreden besluit van 29 september 2025 op het bezwaar van eiser is het CBR bij het opleggen van de EMG gebleven. De EMG is gebaseerd op dwingendrechtelijke bepalingen. Eiser heeft tijdens de rit herhaaldelijk gedragingen verricht zoals genoemd in de bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) behorende bijlage onder A, onderdeel III, Rijgedrag. Gelet hierop is het opleggen van een cursus over gedrag en verkeer gerechtvaardigd. Heeft het CBR het motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel geschonden? 4. Eiser betoogt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, omdat het onduidelijk is op welke exacte feiten het besluit berust. Ook heeft het CBR het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid. Daarnaast bevat het bestreden besluit onjuistheden met betrekking tot de wettelijke grondslag voor de EMG. Tijdens de hoorzitting heeft het CBR aangegeven dat de snelheid niet relevant is, maar in het bestreden besluit wordt wel naar de snelheid verwezen. De verbalisant heeft de meting gedaan over een kort tijdsbestek. Eiser heeft eenmalig rechts ingehaald. De overige manoeuvres waren naast een blokmarkering. Ook is geen sprake van herhaald gevaarzettend rijgedrag. Ter ondersteuning hiervan verwijst eiser naar een uitspraak van rechtbank Noord-Holland. Eiser stelt verder dat in het proces-verbaal van de verbalisant details en feiten ontbreken. Hierdoor is het niet mogelijk om de feiten na te lopen. De verbalisant had het aantal keren moeten kunnen benoemen met de daarbij behorende feiten. Het CBR had aanvullende informatie moeten opvragen, maar heeft dit niet gedaan. Op zitting heeft eiser erkend dat hij de BMW met een buitenlands kenteken rechts heeft gepasseerd. Op zitting heeft eiser ook aangegeven dat hij nu begrijpt wat wordt bedoeld met ‘meermaals’, maar dat hij de tweede situatie die hem wordt tegengeworpen niet kan plaatsen. Verder stelt eiser dat de verbalisant hem niet heeft gewezen op de cautie en hij verklaringen heeft uitgelokt die een onjuist beeld schetsen. De verbalisant heeft daarnaast tegenover het Openbaar Ministerie (OM) en het CBR tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Die verklaring bij het CBR is daarnaast zo summier, dat hier niet blind op vertrouwd had mogen worden. Het CBR heeft overigens niet op alle bezwaargronden van eiser gereageerd. Tot slot stelt eiser dat de algehele situatie bij hem verwarring en stress heeft opgeleverd. 4.1. Het CBR stelt zich op het standpunt dat de EMG terecht is opgelegd. Het besluit van 20 juni 2025 voldoet aan het motiveringsvereiste. Het CBR ziet niet in dat het verslag van de hoorzitting een onjuist beeld weergeeft. Een verbalisant, als ervaringsdeskundige, wordt zeer goed in staat geacht om rijgedrag te observeren en te registreren en heeft er geen enkel belang bij om onjuiste informatie over eiser te vermelden in diens documentatie. Het CBR mag ervan uitgaan dat de door de politie overgelegde informatie juist is. Het is niet verplicht om exactheden te noemen. Het CBR had niet om aanvullende informatie hoeven vragen. De enkele ontkenning van eiser van de verrichte gedragingen is niet voldoende om het tegendeel te bewijzen of op zijn minst aannemelijk te maken. Het CBR ziet in de bezwaren van eiser geen aanleiding om de informatie uit de mededeling voor onjuist aan te nemen. Rechts inhalen is te allen tijde niet toegestaan. Uit de mededeling volgt dat eiser dit meerdere malen heeft gedaan. Daarnaast heeft eiser met een hogere snelheid gereden dan toegestaan ter plaatse, en sneller gereden dan het overige gelijksoortige verkeer. Op zitting heeft het CBR toegelicht dat dit keuzemomenten zijn. De vraag of de cautie is gegeven doet niet ter zake. De EMG is immers een bestuursrechtelijke maatregel. Daarnaast stelt het CBR dat het zaakoverzicht van het OM en de mededeling aan het CBR andere doeleinden dienen en niet identiek hoeven te zijn. Het CBR meent dat in een bestreden besluit afdoende is gereageerd op de aangevoerde bezwaargronden. 4.2. Uit artikel 131, eerste lid en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) volgt dat indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, het CBR besluit in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot: oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid. Uit artikel 14, eerste lid, onder a, van de Regeling volgt dat het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel gedrag en verkeer indien: betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag. 4.3. De rechtbank is van oordeel dat het CBR het bestreden besluit deugdelijk heeft gemotiveerd en zorgvuldig heeft voorbereid. De rechtbank verwijst naar overweging 4.1. Verder overweegt de rechtbank als volgt. Op zitting hebben partijen gesproken over onder meer de vermelding van de snelheid in het bestreden besluit. De rechtbank begrijpt de uitleg van het CBR zo dat de snelheid wel degelijk een rol speelt, maar niet de exacte overschrijding van de maximumsnelheid. De rechtbank kan dit volgen gelet op de formulering van het relevante onderdeel van de bij de Regeling bijbehorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag. De gedragingen van eiser zijn door de verbalisant in een mutatierapport vastgesteld. Daaruit volgt dat eiser met een geijkte snelheid van 149 kilometer per uur reed, met die snelheid naar een andere rijstrook is gegaan en meermaals rechts heeft ingehaald. Het CBR mag zich op het mutatierapport baseren. Volgens het CBR betekenen deze gedragingen dat eiser voldoet aan de criteria uit voornoemde bijlage. De rechtbank kan het CBR daarin volgen. Het CBR zich verder terecht op het standpunt dat de cautie voor deze bestuursrechtelijke procedure niet verplicht was. Dit zou anders zijn als het bijvoorbeeld ging om een bestuurlijke boete. Dat is niet het geval. Tot slot merkt de rechtbank op dat eiser niet heeft onderbouwd welke bezwaargronden niet door het CBR zouden zijn behandeld. Ook op zitting is dit niet toegelicht. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Het CBR heeft terecht de EMG opgelegd. Eiser krijgt geen gelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G. Dankerlui, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wegenverkeerswet 1994 Artikel 130, eerste lid 1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld. Artikel 131, eerste lid 1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot: a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen. Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 Artikel 14, eerste lid 1. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel gedrag en verkeer indien: a. betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag; ten aanzien van betrokkene als bestuurder van een motorrijtuig een overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 60 kilometer per uur of meer op wegen binnen of buiten de bebouwde kom; ten aanzien van betrokkene als bestuurder van een motorrijtuig een overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 60 kilometer per uur of meer bij wegwerkzaamheden, zowel binnen als buiten de bebouwde kom; de uitslag van het ingevolge artikel 23, tweede lid, opgelegde onderzoek of van het ingevolge het derde lid, onderdeel a, opgelegde onderzoek, voor zover dit onderzoek is gebaseerd op bijlage 1, onder A, onderdeel IV, geen aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs; [Red: door verlettering vervallen;] betrokkene op grond van artikel 21, aanhef en onderdeel d of e, niet in aanmerking komt voor een lichte educatieve maatregel gedrag en verkeer. Bijlage bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 A. Rijvaardigheid en rijgedrag, III. Rijgedrag 1. Gevaarzettend rijgedrag waardoor: a) andere weggebruikers of obstakels rakelings worden gepasseerd; b) andere weggebruikers worden klem gereden of de weg wordt afgesneden. 2. Gebrek aan inzicht in risico’s in het verkeer, zoals: a) onvoldoende anticiperen op het gedrag van andere weggebruikers; b) niet adequaat reageren op bijzondere verkeerssituaties, zoals filevorming; c) niet tijdig onderkennen van de invloed van externe factoren, zoals het weer, de toestand van de weg, het tijdstip, de aanwezigheid van scholen, voetgangersoversteekplaatsen, de specifieke eigenschappen en de toestand van het eigen motorrijtuig en van andere voertuigen en van de vervoerde lading, of wegwerkzaamheden, of van interne factoren zoals het ‘hand held bellen’, afleiding door audiovisuele middelen of vermoeidheid; d) uitvoeren van gevaarlijke inhaalmanoeuvres of inhalen nabij voetgangersoversteekplaatsen, waarbij voetgangers duidelijk in gevaar zijn gebracht; e) met een te hoge snelheid naderen van of inhalen nabij voetgangersoversteekplaatsen of in andere onoverzichtelijke situaties, zoals kruisingen en spoorwegovergangen; f) aanhouden van, gelet op de snelheid waarmee gereden wordt, een te korte en derhalve onveilige volgafstand; g) geen rekening houden met de belangen van andere weggebruikers, zoals het: 1) geen gelegenheid geven tot invoegen bij een rijbaanversmalling, na inhalen, vanaf de invoegstrook; 2) blokkeren van doorgangen of dubbel parkeren. 3. Incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer, dat blijkt uit: a) rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid; b) onnodig remmen en stoppen; c) snijden: het niet juist afmaken van de inhaalmanoeuvre door te snel en te abrupt naar rechts of naar links te gaan; d) op te korte afstand volgen van voorliggers; e) onjuist invoegen of onjuist uitvoegen. 4. Duidelijk een gedrag tentoonspreiden dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens ter zake van: a. de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden; het inhalen; het verlenen van voorrang; het naar links of rechts afslaan; het gebruik van lichten en geven van signalen; het rijden op auto(snel)wegen: bijvoorbeeld het rijden op de vluchtstrook of het negeren van het rode kruis boven een rijstrook; het negeren van een rood verkeerslicht; het als bestuurder van een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 50 kilometer of meer op wegen binnen of buiten de bebouwde kom; i. het als bestuurder van een motorrijtuig overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen binnen of buiten de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden; het als bestuurder van een bromfiets overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen binnen of buiten de bebouwde kom. Zie de uitspraak van rechtbank Noord-Holland van 27 februari 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:2354. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1586 en 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3832.