Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-07-15
ECLI:NL:RBNHO:2025:9529
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,624 tokens
Inleiding
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/2271
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D.C. Langkemper),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (biww) van € 194.074, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (biab) van € 372.915 en een aftrek elders belast van € 2.943. Bij de aanslag is bij beschikking € 2.589 belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Voorafgaande aan de zitting heeft verweerder een nader stuk ingediend. Dit stuk is gedagtekend 19 juni 2025 en is in kopie verstrekt aan eiser.
Per brieven van 20 juni 2025 heeft de rechtbank partijen gevraagd een standpunt in te nemen over de verdragstoepassing zoals die zich in deze zaak voordoet.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2025 te Haarlem.
Eiser is verschenen met zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] , mr. [naam 2] en mr. drs. [naam 3] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiser woonde het gehele jaar 2018 in Nederland. Eiser is enig aandeelhouder van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] LLC. [bedrijf 1] B.V. is enig aandeelhouder van [bedrijf 3] B.V.. [bedrijf 3] B.V. is enig aandeelhouder van [bedrijf 4] B.V.
2. De hierboven genoemde vennootschappen vormen tezamen een ICT-bedrijf met klanten over de gehele wereld. Het bedrijf heeft vestigingen in Nederland en in Dubai. De vestiging in Nederland is ondergebracht in [bedrijf 4] B.V., de vestiging in Dubai is ondergebracht in [bedrijf 2] LLC (hierna: [bedrijf 2] ).
3. Voor het jaar 2018 heeft eiser een biww aangegeven van € 194.074, als volgt gespecificeerd:
Loon uit dienstbetrekking van [bedrijf 1] B.V.
€
156.000
Loon uit dienstbetrekking van [bedrijf 2]
-
55.151
Resultaat uit overige werkzaamheden
-
1.719
Inkomsten uit eigen woning -/-
-
18.796
€
194.074
Eiser heeft het loon van [bedrijf 2] aangegeven als elders belast loon en heeft verder een biab aangegeven van € 372.915.
4. Per e-mailbericht van 11 mei 2022 heeft verweerder eiser vragen gesteld over de aangifte, meer in het bijzonder over waar en wanneer de werkzaamheden voor [bedrijf 2] werden uitgevoerd. Per brief van 16 juni 2022 heeft eiser daarop geantwoord dat hij in 2018 op in totaal 25 dagen werkzaam was in Dubai. Per e-mailbericht van 24 juni 2022 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij voornemens was van de aangifte af te wijken en voor de berekening van de aftrek elders belast zou uitgaan van 29 dagen waarop eiser in Dubai werkzaam was geweest. Het bij de voorkoming in aanmerking te nemen bedrag aan elders belast loon (tellerinkomen) zou daarmee uitkomen op € 4.382 (29/365 x € 55.151). Per e-mailbericht van 29 juli 2022 heeft eiser daarop gereageerd en daarbij gesteld dat de noemer in de dagenbreuk geen 365 maar 234 moest zijn, namelijk 365 kalenderdagen minus 64 weekenddagen, 23 vakantiedagen en 4 feestdagen. Per e-mailbericht van 17 augustus 2022 heeft verweerder eiser laten weten dat hij diens berekening kon volgen, met dien verstande dat voor de teller van de dagenbreuk alleen de feitelijk in Dubai gewerkte dagen meetelden. Het tellerinkomen zou daarmee uitkomen op € 6.834 (29/234 x € 55.151) en de aftrek elders belast op € 2.943. Per e-mailbericht van 26 augustus 2022 heeft eiser daarop gereageerd en zich op het standpunt gesteld dat het loon van [bedrijf 1] € 156.000 bedroeg en het loon van [bedrijf 2] € 55.151. De voor werkzaamheden beschikbare tijd wordt voor een kwart besteed in Dubai en voor driekwart in Nederland. Volgens eiser bedraagt het in aanmerking te nemen elders belaste loon (tellerinkomen) daarom € 27.340 (29 : 1/4 x 234) x 55.151). Per e-mailbericht van 2 september 2022 heeft verweerder eiser bericht dat hij bij zijn standpunt bleef.
5. Tot de gedingstukken behoort de arbeidsovereenkomst tussen eiser en [bedrijf 2] . Hierin is overeengekomen dat eiser met ingang van 1 januari 2018 in dienst treedt van [bedrijf 2] als ‘Managing Director’. Volgens de overeenkomst bedragen de normale werkuren gemiddeld 12 werkuren per werkweek en is de werkweek van zondag tot en met donderdag. Voorts heeft eiser recht op 23 betaalde vakantiedagen en heeft hij betaald verlof op feestdagen. In artikel 3.1 van de overeenkomst is bepaald: “The Employee shall perform all duties and responsibilities vested upon him/her by the Company. Without limiting the generality of the foregoing, The Employee shall perform the services/tasks specified under Annexure A of this Agreement and any matters incidental thereto.”. Genoemde bijlage bij de overeenkomst (‘Annexure A’), luidt als volgt:
HIER STAAT EEN TABEL.
6. Met dagtekening 29 september 2022 heeft verweerder eiser de aanslag opgelegd. De aanslag is berekend naar een biww van € 194.074 en een biab van € 372.915. Het aanslagbiljet vermeldt een te betalen bedrag van € 23.397, als volgt gespecificeerd:
Totaal IB/PVV
€
186.206
Af: elders belast
-
2.943
Verschuldigde IB/PVV
€
183.263
Af: voorheffingen
-
72.569
Bedrag van de aanslag
€
110.694
Af: eerdere aanslagen
-
89.886
Bij: belastingrente
-
2.589
Te betalen
€
23.397
Geschil
8. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag waarbij het tellerinkomen nader wordt vastgesteld op € 27.340 en de aftrek elders belast op € 11.777 (27.340/194.074 maal belasting box 1 € 83.597).
9. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Overwegingen
10. Artikel 14, eerste lid, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE) tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belastingen met betrekking tot belastingen naar het inkomen (hierna: het Verdrag) luidt als volgt:
“Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 15, 17, 18, 19 en 20, zijn salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen verkregen door een inwoner van een Verdragsluitende Staat ter zake van een dienstbetrekking slechts in die Staat belastbaar, tenzij de dienstbetrekking in de andere Verdragsluitende Staat wordt uitgeoefend. Indien de dienstbetrekking aldaar wordt uitgeoefend, mag de ter zake daarvan verkregen beloning in die andere Staat worden belast.”
11. Artikel 15, eerste lid, van het Verdrag luidt als volgt:
“Directeursbeloningen en andere beloningen verkregen door een inwoner van een Verdragsluitende Staat in zijn hoedanigheid van lid van de raad van beheer van een lichaam dat inwoner is van de andere Verdragsluitende Staat, mogen in die andere Staat worden belast.”
12. Artikel 22 van het Verdrag luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“1 Nederland is bevoegd bij het heffen van belasting van zijn inwoners in de grondslag waarnaar de belasting wordt geheven, de bestanddelen van het inkomen te begrijpen die overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag in de Verenigde Arabische Emiraten mogen worden belast.
2. Indien echter een inwoner van Nederland bestanddelen van het inkomen verkrijgt die volgens artikel 6, artikel 7, artikel 10, zevende lid, artikel 11, derde lid, artikel 12, derde lid, artikel 13, eerste en tweede lid, artikel 14, eerste lid, artikel 18, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, artikel 21, tweede lid, van dit Verdrag in de Verenigde Arabische Emiraten mogen worden belast en die in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen, stelt Nederland deze bestanddelen van het inkomen vrij door een vermindering op zijn belasting te verlenen. Deze vermindering wordt berekend overeenkomstig de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting. Te dien einde worden bedoelde bestanddelen van het inkomen geacht te zijn begrepen in het bedrag van de bestanddelen van het inkomen die ingevolge die bepalingen van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld.
3. Nederland verleent voorts een aftrek op de aldus berekende Nederlandse belasting voor de bestanddelen van het inkomen die volgens artikel 10, tweede lid, artikel 15, eerste lid, artikel 16, eerste en tweede lid, en artikel 17, eerste en tweede lid, van dit Verdrag in de Verenigde Arabische Emiraten mogen worden belast, in zoverre deze bestanddelen in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen. Het bedrag van deze aftrek is gelijk aan de in de Verenigde Arabische Emiraten over deze bestanddelen van het inkomen betaalde belasting, maar bedraagt, indien de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting daarin voorzien, niet meer dan het bedrag van de vermindering die zou zijn verleend indien de aldus in het inkomen begrepen bestanddelen van het inkomen de enige bestanddelen van het inkomen zouden zijn geweest die uit hoofde van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld.”
13. Ter zitting hebben beide partijen zich op het standpunt gesteld dat het loon van [bedrijf 2] moet worden gesplitst in een deel dat eiser heeft ontvangen als directeursbeloning als bedoeld in artikel 15 van het Verdrag en een deel dat hij heeft ontvangen loon uit dienstbetrekking als bedoeld in artikel 14 van het Verdrag. Niet in geschil is dat de beloning voor werkzaamheden als leidinggevende vallen onder artikel 15 van het Verdrag en dat de vergoeding voor werkzaamheden die bestaan uit de ontwikkeling van software voor de klanten van het bedrijf onder artikel 14 van het Verdrag valt. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het loon van [bedrijf 2] , omdat eiser de enige aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] is, geheel moet worden aangemerkt als een directeursbeloning in de zin van artikel 15 van het Verdrag. Eiser daarentegen heeft aangevoerd dat zijn werkzaamheden als bestuurder/leidinggevende maar heel weinig tijd kosten en hij voor [bedrijf 2] in het overgrote deel van zijn arbeidstijd bezig is met de ontwikkeling van software voor de klanten van de onderneming, oftewel met werkzaamheden die ook door de andere personeelsleden worden uitgevoerd en die volledig losstaan van het bestuur. Volgens eiser blijkt ook uit de arbeidsovereenkomst tussen eiser en [bedrijf 2] dat hij het loon niet heeft genoten in de hoedanigheid van bestuurder maar in de hoedanigheid van gewoon werknemer. Volgens eiser zou hooguit 10 procent van het loon moet worden aangemerkt als directeursbeloning in de zin van artikel 15 van het Verdrag en 90 procent als loon in de zin van artikel 14 van het Verdrag.
14. Dat, naar verweerder stelt, eiser voor [bedrijf 2] alleen zou optreden als bestuurder/leidinggevende, acht de rechtbank niet aannemelijk. Gelet op hetgeen eiser ter zitting naar voren heeft gebracht hecht de rechtbank geloof aan de stelling van eiser dat hij in Dubai relatief veel tijd heeft besteed aan werkzaamheden voor de klanten van het bedrijf. De rechtbank acht echter niet aannemelijk dat het leiding geven aan [bedrijf 2] en de werkzaamheden als bestuurder niet meer dan 10 procent van eisers arbeidstijd zouden vergen. Uit de arbeidsovereenkomst en de daarbij behorende taakomschrijving in Annexure A, leidt de rechtbank af dat de werkzaamheden van eiser tevens bestonden uit werkzaamheden als bestuurder, zoals het leidinggeven aan de onderneming en het personeel en het zijn van ‘direct liasion’ met het bestuur en communicatie met aandeelhouders. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser de enige aandeelhouder en bestuurder is van [bedrijf 2] , zodat deze taakomschrijving samenvalt met zijn werkzaamheden als bestuurder. Daar komt bij dat volgens de eerder genoemde arbeidsovereenkomst sprake is van een 12-urige werkweek. Een loon van € 55.151 voor uitsluitend uitvoerende werkzaamheden zou dan erg hoog zijn. Ook daarom acht de rechtbank niet aannemelijk dat eiser dit loon geheel heeft ontvangen in de hoedanigheid van een gewone werknemer. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat beide partijen hun standpunten onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt. Rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, de in de arbeidsovereenkomst gegeven taakomschrijving en hetgeen partijen daartoe over en weer hebben aangevoerd, stelt de rechtbank het werknemersloon en de directeursbeloning daarom in goede justitie vast op elk 50 procent van € 55.151, oftewel op respectievelijk € 27.576 en € 27.575.
15. Gesteld noch gebleken is dat het loon van [bedrijf 2] in de VAE onderworpen is geweest aan de belastingheffing aldaar. Voor zover het loon moet worden aangemerkt als directeursbeloning vindt artikel 22 van het Verdrag toepassing met als gevolg dat eiser voor wat betreft dit deel van het loon geen recht heeft op een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting.
16. Voor zover het loon van [bedrijf 2] moet worden aangemerkt als loon in de zin van artikel 14 van het Verdrag heeft eiser wel recht op een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting. Op grond van dit verdragsartikel is dit loon belast in de VAE voor zover de dienstbetrekking aldaar wordt uitgeoefend. Niet in geschil is dat voor de toepassing van deze bepaling de zogenoemde dagenbreuk moet worden gehanteerd en ook is niet in geschil dat de teller van de dagenbreuk 29 is. Het geschil spitst zich toe op de vraag of bij het bepalen van de noemer van de dagenbreuk rekening moet worden gehouden met het feit dat sprake is van een deeltijddienstverband.
Dictum
De rechtbank:
₋ verklaart het beroep gegrond;
₋ vernietigt de uitspraak op bezwaar;
₋ vermindert de aanslag en stelt de aftrek elders belast vast op € 4.905;
₋ wijzigt de beschikking tot het in rekening brengen van belastingrente en vermindert de belastingrente overeenkomstig de vermindering van de aanslag;
₋ veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814, en
₋ draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van
H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de datum van verzending;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
e redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).