Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-07-23
ECLI:NL:RBNHO:2025:9091
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,890 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11384022 \ CV EXPL 24-7709
Uitspraakdatum: 23 juli 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiseres]
wonende te [plaats 1]
eiseres
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: Yource B.V.
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
EasyJet Airline Company Limited
gevestigd te Londen Luton
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. B. Koolhaas
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;
- de akte eiseres.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder haar op 7 juli 2024 vervoeren van Amsterdam naar Venetië, met vlucht U24072 (hierna: de vlucht).
2.2.
De passagier is met een vertraging van 22 uur en 38 minuten aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagier heeft daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
De passagier vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;- € 48,40 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
3.2.
De passagier baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder haar vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,00 (artikel 7 van de Verordening).
3.3.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
De vervoerder doet een beroep op buitengewone omstandigheden. Hij voert aan dat het toestel waarmee de vlucht zou worden uitgevoerd gepland stond om eerst nog de rotatie VCE-CDG-VCE en vlucht EZY4071 uit te voeren. De rotatie VCE-CDG-VCE kreeg echter te maken met gewijzigde slottijden, waardoor het niet langer mogelijk was om vlucht EZY4071 (vertraagd) uit te voeren zonder de nachtsluiting van Amsterdam te schenden. Doordat het toestel en de bemanning noodgedwongen in Venetië moesten blijven, kon ook vlucht EZY4072 niet worden uitgevoerd.
4.3.
De kantonrechter is van oordeel dat het intrekken van de oorspronkelijke slottijd en het toekennen van een latere slottijd is aan te merken als een besluit van de luchtverkeersleiding gericht aan het toestel waarmee de vlucht is uitgevoerd. De vervoerder is verplicht door de luchtverkeersleiding opgelegde restricties op te volgen, hij kan daarop geen invloed uitoefenen. De reden waarom de luchtverkeersleiding een restrictie heeft opgelegd is niet relevant. Instructies van de luchtverkeersleiding kunnen worden aangemerkt als buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening.
4.4.
De passagier heeft niet betwist dat het onmogelijk was om vlucht EZY4071 (vertraagd) uit te voeren zonder de nachtsluiting van Amsterdam Schiphol Airport te schenden. Het is ook niet in geschil dat vlucht EZY4071 en EZU4072 door hetzelfde toestel zouden worden uitgevoerd. Naar het oordeel van de kantonrechter is derhalve als ongemotiveerd weersproken vast komen te staan dat de vervoerder geen andere optie had dan vlucht EZY4071 (en daarmee ook vlucht EZY4072) te annuleren. Het beroep op buitengewone omstandigheden slaagt.
4.5.
Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen. De passagier heeft in dit verband gesteld dat de vervoerder een toestelwissel had kunnen (en moeten) inzetten om de invloed van de rotatie VCE-CDG-VCE op de rotatie VCE-AMS-VCE te beperken. Hoewel de vervoerder heeft aangevoerd dat het inzetten van een standby vliegtuig en/of bemanning geen verschil zou hebben gemaakt, heeft hij dit onvoldoende onderbouwd. De vervoerder wist immers ’s middags al dat de opgelopen vertraging voor problemen op de volgende rotatie zou zorgen. Gesteld noch gebleken is dat er geen reserve toestel/crew beschikbaar was of dat dit niet van de vervoerder gevergd kon worden. De enkele stelling van de vervoerder dat het inzetten daarvan ‘ongepast’ was, is daartoe onvoldoende. De conclusie is dan ook dat de vervoerder niet alle redelijke maatregelen heeft genomen.
4.6.
De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van de passagier zal toewijzen.
4.7.
De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagier heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
4.8.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Daarbij wordt hij ook veroordeeld tot betaling van nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de passagier worden gemaakt.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 juli 2024 tot de dag van de gehele betaling;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 135,97;griffierecht € 87,00;salaris gemachtigde € 164,00;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 42,00 aan nakosten, voor zover de passagier daadwerkelijk nakosten zal maken;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
EZY4007 (Venetië naar Parijs) en EZY4008 (Parijs naar Venetië).