Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-06-25
ECLI:NL:RBNHO:2025:8581
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,146 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10829600 \ CV EXPL 23-7907
Uitspraakdatum: 25 juni 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiseres]
wonende te [plaats]
eiseres
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: Yource B.V.
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Delta Air Lines
gevestigd te Wilmington (Verenigde Staten)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder haar op 29 juni 2022 vervoeren van Amsterdam via Seattle (Verenigde Staten) naar Juneau (Verenigde Staten), met vluchten DL145 en DL2205.
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht van Seattle naar Juneau (DL2205, hierna: de vlucht) geannuleerd.
2.3.
De passagier heeft zelf een alternatieve vlucht naar de eindbestemming geboekt.
2.4.
De passagier heeft daarom compensatie en schadevergoeding van de vervoerder gevorderd.
2.5.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
De passagier vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld wordt tot betaling van:- € 997,79, vermeerderd met de wettelijke rente;- € 181,08 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
3.2.
Daarnaast vordert de passagier afgifte van een certificaat zoals bedoeld in artikel 53 van de herziene EEX-Verordening;
3.3.
De passagier haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening), het Verdrag van Montreal en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder haar vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,- (artikel 7 van de Verordening). Daarnaast wil zij schadevergoeding (artikel 19 Verdrag van Montreal) dan wel gedeeltelijke restitutie van de vliegtickets (artikel 8 van de Verordening).
3.4.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Compensatie
4.2.
De vervoerder heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde compensatie, zodat deze zal worden toegewezen. Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente over de compensatie overweegt de kantonrechter dat sprake is van een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade. Deze schade is terstond opeisbaar. Dat betekent dat het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt op het moment dat de schade wordt geacht te zijn geleden. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf de datum van de vlucht, 29 juni 2022.
Schadevergoeding
4.3.
De passagier heeft schadevergoeding verzocht in die zin dat zij de kosten van de door haar zelf geboekte alternatieve vlucht vergoed wil zien. De kantonrechter merkt in dit verband op dat de Verordening geen zelfstandige grondslag biedt voor de vergoeding van extra gemaakte kosten. De passagier beroept zich (mede) op het Verdrag van Montreal.
4.4.
De kantonrechter stelt vast dat de vervoerder statutair gevestigd is te Wilmington (Verenigde Staten) en dat Juneau (Verenigde Staten) de plaats van bestemming was. Hoewel de vervoerder (ook) een vestiging in Nederland heeft, is naar het oordeel van de kantonrechter niet (voldoende) gebleken dat deze bij deze vestiging bij de aankoop van vliegtickets betrokken was. Bij deze stand van zaken is de Nederlandse rechter op grond van artikel 33 van het Verdrag van Montreal niet bevoegd om van dit deel van de vordering kennis te nemen, zodat de kantonrechter zich in zoverre onbevoegd zal verklaren.
Restitutie
4.5.
De passagier heeft subsidiair gedeeltelijke restitutie van de ongebruikte vliegtickets gevorderd. Vast staat dat de passagier wél gebruik heeft gemaakt van de vlucht van Amsterdam naar Seattle én de (retour)vlucht(en) van Juneau naar Seattle en Seattle naar Amsterdam, zodat haar ten aanzien van deze onderdelen van de boeking geen recht op restitutie toekomt. De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder wél de ticketprijs van de ongebruikte vliegtickets (Seattle naar Juneau) aan de passagier moet terugbetalen.
4.6.
In de wet is bepaald dat de rechter de schade begroot op de manier die het meest in overeenstemming is met de aard van de schade, en dat de schade wordt geschat als de omvang niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. De afstand van de litigieuze vlucht bedraagt 7,7% van de totale (hemelsbrede) afstand. Daar staat tegenover dat algemeen bekend is dat de prijs van een vlucht niet áltijd evenredig is aan de afstand. De kantonrechter vindt het in dit geval redelijk om voor het gedeelte van Seattle naar Juneau één zesde van totale ticketprijs toe te wijzen. Daarbij gaat de kantonrechter uit van de totale ticketprijs inclusief belastingen (€ 1.216,94).
4.7.
Dit betekent dat de vordering tot restitutie tot een bedrag van € 202,82 zal worden toegewezen, en voor het overige zal worden afgewezen. De wettelijke rente over het toewijsbare bedrag wordt toegewezen vanaf de dagvaarding. Kosten
4.8.
De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De (gemachtigde van de) passagier heeft de vervoerder op 2 september 2022 aangemaand om tot betaling over te gaan; van rauwelijks dagvaarden is dan ook geen sprake. De passagier heeft echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
4.9.
De vervoerder wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Daarbij wordt de vervoerder ook veroordeeld tot betaling van nasalaris.
4.10.
Het gevorderde certificaat wordt bij gebrek aan belang afgewezen.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 602,82, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 400,00 vanaf 29 juni 2022, en over € 202,82 vanaf 13 november 2023 tot de dag van de gehele betaling;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 129,14;griffierecht € 214,00;salaris gemachtigde € 270,00;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 67,50 aan nakosten, voor zover de passagier daadwerkelijk nakosten zal maken;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter