Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-05-22
ECLI:NL:RBNHO:2025:8287
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
5,979 tokens
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: 11542339 \ AO VERZ 25-15
Beschikking van 22 mei 2025
in de zaak van
DE PROVINCIE NOORD-HOLLAND,
te Haarlem,
verzoekende partij,
hierna te noemen: werkgeefster,
gemachtigde: mr. R. de Haan-Shabak,
tegen
[verweerder]
,
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. M. Schildwacht.
De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om de vraag of er sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of disfunctioneren van de werknemer. De kantonrechter oordeelt dat de werkgeefster onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen en dat er van disfunctioneren geen sprake is. Het verzoek van de werkgeefster om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wijst de kantonrechter daarom af.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- de mondelinge behandeling van 17 april 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
[verweerder] , geboren [geboortedatum] 1965, is sinds 1 april 2017 in dienst bij werkgeefster. De functie van [verweerder] is operationeel medewerker op de bediencentrale te Heerhugowaard met een loon van € 3.634,83 bruto per maand.
2.2.
In een e-mail van 17 juli 2024 heeft [leidinggevende] (hierna: [leidinggevende] ), de leidinggevende van [verweerder] , aan [verweerder] het volgende geschreven: ‘Vandaag sprak ik je aan op het gebruik van je laptop onder de bedienmonitor voor het kijken van een film of een serie. Dit is niet de bedoeling (lees: ten strengste verboden, altijd). Hoe vervelend vind ik het dan te moeten constateren dat zodra ik weg ben, je de andere bedienplek opstart en daar doorgaat met het kijken van film/serie op laptop of telefoon. Dit mag niet, dit kan niet, en ik wil dat dit nooit meer gebeurt.’
2.3.
Op 23 juli 2024 heeft werkgeefster [verweerder] aangesproken op zijn gedrag tijdens het bedienen van een brug op 17 juli 2024 en verteld dat een officiële waarschuwing zal volgen.
2.4.
In een brief van 6 augustus 2024 heeft [verweerder] een officiële waarschuwing ontvangen in verband met zijn gedrag tijdens het bedienen van een brug op 17 juli 2024.
2.5.
Op 4 december 2024 heeft werkgeefster met [verweerder] het jaarlijkse voortgangsgesprek gevoerd. In dat gesprek is hem gevraagd niet met afleiding op de bedienplek bezig te zijn als telefoon, laptop of anderszins.
2.6.
In een e-mail van 11 december 2024 heeft [collega] (hierna: [collega] ), een collega van [verweerder] , bij [leidinggevende] gemeld dat [verweerder] op 10 december 2024 tijdens het bedienen op zijn telefoon bezig was.
2.7.
Naar aanleiding van deze melding hebben [leidinggevende] en [plaatsvervangend sectormanager] (hierna: [plaatsvervangend sectormanager] ), plaatsvervangend sectormanager, op 12 december 2024 met [verweerder] een gesprek gevoerd.
2.8.
In een brief van 13 december 2024 heeft werkgeefster medegedeeld dat [verweerder] gedurende de periode dat werkgeefster een onderzoek zal verrichten naar het incident op 10 december 2024, op non-actief is gesteld.
2.9.
Op 23 december 2024 heeft werkgeefster nogmaals een gesprek met [verweerder] gehad.
2.10.
Op 30 december 2024 heeft werkgeefster nog een gesprek gehad met [verweerder] . Tijdens dit gesprek is aan [verweerder] meegedeeld dat zijn dienstverband zal worden beëindigd.
2.11.
Op 27 januari 2025 heeft [verweerder] zich ziekgemeld.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
Werkgeefster verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege ernstig verwijtbaar handelen, subsidiair vanwege disfunctioneren. Werkgeefster heeft aan het verzoek primair ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat [verweerder] de regels met betrekking tot de veiligheid heeft overtreden doordat tijdens het bedienproces op 17 juli 2024 en 10 december 2024, zijn laptop en/of telefoon niet dichtklapte of wegschoof, maar doorging met kijken hierop. Werkgeefster neemt daarbij in aanmerking dat hij in 2021 eveneens was gewaarschuwd voor het niet opletten tijdens het bedienproces, bij een voorval waarbij een vrachtwagen door rood reed en een naar beneden komende slagboom ramde. Werkgeefster is van mening dat [verweerder] hierdoor en door vervolgens te stellen dat dit niet problematisch zou zijn, ernstig verwijtbaar richting werkgeefster heeft gehandeld. Subsidiair stelt werkgeefster dat [verweerder] ongeschikt is voor zijn functie, die niet door ziekte is veroorzaakt en dat het, gezien zijn houding ten aanzien van de door hem overtreden regels en de eenvoud daarvan, niet in de rede ligt dat enig traject tot verbetering zal leiden.
3.2.
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerder] vindt – kort weergegeven – dat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. Hij betwist dat dat hij op 17 juli 2024 en 10 december 2024 een mobiel apparaat heeft gebruikt tijdens het bedienen. Ook betwist hij dat werkgeefster hem in 2021 een verwijt heeft gemaakt toen een vrachtwagen door rood reed tijdens het bedienen van een brug. Daarbij zijn er helemaal geen regels over het gebruik van mobiele apparaten op de bedieningsplekken en is er ook geen verbod is op het gebruik van mobiele apparaten op de werkvloer. Evenmin zijn er schriftelijke instructies, onder welke voorwaarden de bedieningswerkzaamheden zouden moeten worden verricht. Hij is niet op de hoogte gesteld van het nieuwe beleid dat mobiele apparaten voortaan op de tafels achter de bedieningsplekken moeten worden gelegd. Volgens [verweerder] is er ook geen sprake van disfunctioneren.
3.3.
Op de standpunten van partijen zal – voor zover nodig voor de beoordeling van de zaak – hierna nader worden ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
4.2.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
4.3.
De kantonrechter oordeelt dat er geen redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.
4.4.
Op grond van de stukken en hetgeen op de zitting is besproken begrijpt de kantonrechter dat werkgeefster zich op het standpunt stelt dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden primair op de e-grond (verwijtbaar handelen) en subsidiair op de d-grond (disfunctioneren).
(Ernstig) verwijtbaar handelen
4.5.
Werkgeefster vindt dat [verweerder] (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld door tijdens het bedienen een mobiel apparaat (telefoon/laptop) te gebruiken en zij legt in dit kader drie voorvallen ten grondslag aan haar ontbindingsverzoek. Deze voorvallen zal de kantonrechter achtereenvolgens bespreken.
Het voorval in 2021
4.6.
Werkgeefster legt aan haar verzoek een voorval uit 2021 ten grondslag. Volgens werkgeefster heeft [verweerder] tijdens het bedienen van de Schipholbrug niet gezien dat een vrachtwagen door rood reed en een naar beneden komende slagboom ramde en heeft [verweerder] te laat ingegrepen. [verweerder] heeft destijds verklaard dat hij het incident niet eerder had kunnen zien als gevolg van de camera-hoek, maar op basis van de camerabeelden heeft werkgeefster vastgesteld dat [verweerder] niet naar waarheid heeft verklaard. Werkgeefster stelt dat zij [verweerder] naar aanleiding van dit voorval heeft gewaarschuwd.
4.7.
[verweerder] voert hiertegen aan dat hij hiermee helemaal niets te maken had omdat de vrachtwagen door rood reed en dat hij destijds heeft verklaard de volgende keer nog beter te schouwen. Volgens [verweerder] heeft werkgeefster hem destijds geen enkel verwijt gemaakt of officiële waarschuwing gegeven.
4.8.
De kantonrechter is van oordeel dat dit voorval niet aan het ontbindingsverzoek ten grondslag kan worden gelegd. Werkgeefster onderbouwt niet waarom dit voorval maakt dat er sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen. Niet is gesteld of gebleken dat [verweerder] tijdens dit voorval op een mobiel apparaat bezig was. Ook is niet gebleken dat [verweerder] ten aanzien van dit voorval een officiële waarschuwing heeft gekregen.
Het voorval op 17 juli 2024
4.9.
Werkgeefster legt verder aan haar verzoek het voorval op 17 juli 2024 ten grondslag. Volgens werkgeefster is geconstateerd dat [verweerder] op die dag tijdens het bedienen van een burg op zijn laptop een film/documentaire keek, dat [verweerder] hierop is aangesproken en dat [verweerder] op een ander moment op diezelfde dag nogmaals tijdens het bedienen van een brug zijn aandacht bij zijn laptop had.
4.10.
[verweerder] betwist dat hij op 17 juli 2024 een documentaire op zijn laptop heeft gekeken tijdens het bedienen van een brug.
4.11.
De kantonrechter stelt vast dat [verweerder] in een e-mail van 17 juli 2024 is aangesproken dat het tweemaal op die dag geconstateerde gebruik van een laptop onder de bedienmonitor tijdens het bedienen verboden is. Niet is gesteld of gebleken dat [verweerder] op deze e-mail heeft gereageerd of op een andere manier heeft aangegeven dat geen sprake was van gebruik van de laptop tijdens het bedienen. Verder staat vast dat [verweerder] op 23 juli 2024 door de sectormanager nogmaals is aangesproken over het voorval op 17 juli 2024. Ook ten aanzien van dit gesprek is niet gesteld of gebleken dat [verweerder] het gebruik van een laptop tijdens het bedienen heeft betwist. Vervolgens heeft [verweerder] op 6 augustus 2024 een officiële waarschuwing gekregen. Ook ten aanzien daarvan is niet gebleken dat hij hiertegen verweer heeft gevoerd. Hij heeft hierover niets gesteld. Pas op de zitting verklaart hij desgevraagd dat hij niet wist dat hij verweer kon voeren. Anderzijds verklaart hij dat hij de lieve vrede wilde bewaren. Dit impliceert dat hij wel weet dat hij verweer kan voeren tegen een waarschuwing maar dat hij ervoor heeft gekozen dat niet te doen.
4.12.
Verder stelt de kantonrechter vast dat de gemachtigde van [verweerder] in de brief van 25 januari 2024 heeft betwist dat Pomain tijdens de bediening op een laptop aan het kijken was. Maar wanneer [verweerder] dit zou hebben betwist wordt niet gesteld en blijkt ook niet uit de stukken. Overigens wordt in die brief niet betwist dat de laptop onder de bedienmonitor stond.
4.13.
In het verweerschrift staat ten aanzien van dit voorval dat [verweerder] op 17 juli 2024 en ook op een later tijdstip uitdrukkelijk heeft geprotesteerd omdat hij niet op zijn telefoon heeft gezeten tijdens het bedienen en dat hij zijn telefoon had weggelegd vóór het bedienen. Echter, [verweerder] wordt niet verweten dat hij dat hij op 17 juli 2024 zijn telefoon gebruikte tijdens het bedienen, maar een documentaire keek op zijn laptop. Bovendien staat dit standpunt haaks op zijn standpunt op de zitting dat hij niet wist dat hij verweer kon voeren dan wel de lieve vrede wilde bewaren. Pas op de zitting verklaart [verweerder] dat zijn laptop niet onder de bedienmonitor stond maar dat deze links van hem lag. Hij betwist echter niet dat de laptop aanstond en dat daarop een documentaire werd getoond.
4.14.
De kantonrechter concludeert uit het voorgaande dat [verweerder] het gebruik van een laptop onder de bedienmonitor tijdens het bedienen niet eerder dan op de zitting gemotiveerd heeft weersproken. Terwijl hij wel erkent dat de laptop aanstond en dat daarop een documentaire werd getoond.
4.15.
Op grond van de hiervoor aangehaalde feiten en omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat [verweerder] wisselende en tegenstrijdige verklaringen aflegt over het verwijt en het al dan niet protesteren hiertegen. Dit alles maakt zijn verhaal ten aanzien van dit voorval naar het oordeel van de kantonrechter niet geloofwaardig. De kantonrechter is van oordeel dat werkgeefster wel voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [verweerder] tijdens het bedienen zijn laptop onder de bedienmonitor had staan, dat die laptop aanstond en dat daarop een documentaire werd getoond. Verder is de kantonrechter van oordeel dat het [verweerder] duidelijk had moeten zijn dat hij zich tijdens het bedienen van een brug uit eigen beweging moet onthouden van het gebruik van – in dit geval – een laptop. Hij heeft immers de verantwoordelijkheid voor de verkeersveiligheid en verkeersbegeleiding. Daarbij komt dat [verweerder] zelf heeft verklaard te begrijpen dat het tijdens het bedienen niet is toegestaan op mobiele apparaten te zitten.
4.16.
Dit maakt echter niet dat het ontbindingsverzoek kan worden toegewezen, gelet op het navolgende.
Het voorval op 10 december 2024
4.17.
Werkgeefster verwijt [verweerder] dat hij op 10 december 2024 tijdens het bedienen zijn mobiele telefoon heeft gebruikt, dat [verweerder] dat ook heeft toegegeven en dat [verweerder] meent dat zijn handelwijze niet zo ernstig is. Werkgeefster baseert zich hierbij op de e-mail van [collega] van 11 december 2024 en onderzoeksverslag van 10 februari 2025, waarin onder meer (gedeelten van) de verslagen van de gesprekken zijn opgenomen, die op 12, 23 en 30 december 2024 met [verweerder] zijn gevoerd.
Conclusie
4.34.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden ontbonden. De vraag of de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] aan een ontbinding in de weg staat, hoeft dan ook geen bespreking.
Proceskosten
4.35.
De proceskosten komen voor rekening van werkgeefster, omdat werkgeefster overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 949,00 (€ 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten).
Dictum
De kantonrechter
5.1.
wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,
5.2.
veroordeelt werkgeefster in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
5.3.
verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.W.S. Kiliç en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2025.
SJ
Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Artikel 7:669 lid 1 BW.
Zie rand 4.5 van het verweerschrift.
Beoordeling
4.18.
[verweerder] betwist dat hij op 10 december 2024 tijdens het bedienen zijn mobiele telefoon heeft gebruikt. Hij voert aan dat hij zijn telefoon altijd weglegt als hij tot bediening van een brug moet overgaan. Verder voert [verweerder] aan dat de inhoud van dit verslag door hem nooit voor juist is gehouden, zodat ook niet zonder meer kan worden uitgegaan van de juistheid van het onderzoeksverslag.
4.19.
De kantonrechter stelt vast dat de e-mail van [collega] voor werkgeefster de aanleiding was om het gedrag van [verweerder] nader te onderzoeken. In deze e-mail meldt [collega] dat zij en een andere collega zagen dat [verweerder] op zijn telefoon bezig was. Verder schrijft zij dat deze andere collega [verweerder] probeerde duidelijk te maken dat hij afgeleid bezig was door erop te wijzen dat de brug dicht kon, dat [verweerder] antwoordde dit onzin was en dat hij gewoon op zijn mobiele telefoon een spelletje bleef spelen tijdens het bedienen. Volgens werkgeefster blijkt uit het door haar verrichte onderzoek dat [verweerder] tijdens het bedienen zijn mobiele telefoon gebruikte en dat hij dit gebruik heeft erkend.
4.20.
De kantonrechter is allereerst van oordeel dat uit de stukken niet kan worden opgemaakt dat [verweerder] het verweten gedrag op 10 december 2024 heeft erkend.
4.21.
De kantonrechter wijst hierbij op de e-mail van [collega] . Hieruit blijkt dat [verweerder] wanneer hij door haar aan het einde van haar dienst toen zij om een andere reden boos op hem was – dus niet op het moment zelf – wordt aangesproken op zijn gedrag, heeft betwist dat hij tijdens het bedienen op zijn mobiele telefoon bezig was. Verder blijkt zijn betwisting uit het verslag van het gesprek van 12 december 2024. Er staat in het verslag: ‘ geeft aan dat hij dit niet herkent of heeft ervaren’ en ‘[verweerder] geeft aan dat hij dat niet doet’. En ook in het verslag van het gesprek van 23 december 2024 komt naar voren dat [verweerder] het verwijt heeft weersproken. Er staat in het verslag: ‘ geeft aan dat hij toen niet een spelletje aan het spelen was tijdens het bedienen. Er is bij bepaalde spelletjes een reclame stukje, zodat je gratis munten krijgt. Daar keek hij naar, toen legde hij het weg’. De kantonrechter begrijpt dat [verweerder] hiermee bedoelt uit te leggen dat hij, anders dan [collega] in haar e-mail schrijft, geen spelletje aan het spelen was, maar reclame keek en dat hij die reclame tijdens het bedienen niet bekeek, omdat hij zijn mobiele telefoon toen weglegde.
4.22.
Weliswaar staat in het onderzoeksverslag staat dat op 30 december 2024 nog een gesprek met [verweerder] heeft plaatsgevonden en dat hij in dat gesprek ‘erkent dat hij dit niet had mogen doen’. Maar een verslag van dit gesprek is niet opgesteld. Voor zover de weergave in het onderzoeksverslag als zodanig moet worden beschouwd, dan heeft te gelden dat dit verslag niet aan [verweerder] ter instemming is voorgelegd. De andere verslagen overigens ook niet. De kantonrechter concludeert dan ook dat [verweerder] van meet af aan heeft betwist dat hij op 10 december 2024 tijdens het bedienen zijn mobiele telefoon heeft gebruikt.
4.23.
Op de zitting heeft [verweerder] desgevraagd verduidelijkt dat hij rechts aan het bedienen was, dat zijn mobiele telefoon links naast hem had gelegd en dat hij op de reclame die op zijn telefoon werd getoond, niet hoefde te kijken. Verder verklaart [verweerder] dat hij op enig moment door een collega te horen kreeg dat hij de brug te lang open heeft laten staan. [verweerder] verklaart hierover dat hij heeft meegemaakt dat een brug in een keer naar beneden kwam en dat hij sindsdien voor de zekerheid wacht totdat het schip helemaal is doorgevaren voordat hij de brug omlaag doet.
4.24.
Tegenover de gemotiveerde betwisting door [verweerder] staat alleen de e-mail van [collega] . De kantonrechter is namelijk van oordeel dat aan de door werkgeefster in het onderzoeksverslag opgenomen verklaringen van diverse collega’s niet die waarde kan worden gehecht, die werkgeefster daaraan wenst toe te kennen. Wat betreft de verklaring van collega [collega 2] , de collega die [verweerder] erop heeft aangesproken dat de brug dicht kon, is de kantonrechter van oordeel dat hieruit kan slechts worden opgemaakt dat [verweerder] ‘weer op zijn mobiel zat bij het bedienstation’ en dat [collega 2] had gezegd ‘dat hoort hier niet’. Uit deze verklaring kan niet zonder meer worden afgeleid dat [verweerder] tijdens het bedienen op zijn mobiele telefoon zat. Daarbij was het vóór 9 december 2024 door werkgeefster niet verboden om mobiele apparatuur bij het bedienstation te houden. Zoals hierna onder overweging 4.27 en verder aan de orde zal komen, is daarin pas op 9 december 2024 verandering gekomen. Uit de verklaring van collega [collega 3] blijkt dat hij niet bij het voorval op 10 december 2024 aanwezig was. Hij verklaart hierover in ieder geval niets. [collega 3] geeft meer in het algemeen aan dat [verweerder] tijdens het bedienen met andere dingen bezig is, zonder daarin concreet te zijn. En uit de verklaring van teamsenior [teamsenior] blijkt dat zij zelf geen situaties heeft waargenomen waarin [verweerder] tijdens het bedienen op zijn telefoon keek. Zij heeft het alleen in de wandelgangen gehoord, maar nooit een formele melding ontvangen.
4.25.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van [verweerder] , van meet af aan, is de kantonrechter van oordeel dat werkgeefster niet (voldoende) heeft aangetoond dat [verweerder] op 10 december 2024 tijdens het bedienen daadwerkelijk zijn mobiele telefoon heeft gebruikt.
4.26.
Werkgeefster heeft in het verzoekschrift ook geen aanbod gedaan om te bewijzen dat hiervan wel sprake is, bijvoorbeeld door het horen van getuigen. Pas op de zitting heeft werkgeefster een bewijsaanbod gedaan. Dat vindt de kantonrechter te laat en in strijd met de goede procesorde. Aan dit aanbod gaat de kantonrechter daarom voorbij. Daarbij heeft werkgeefster dit aanbod niet uit zichzelf gedaan, maar pas nadat dit door de gemachtigde van [verweerder] ter sprake is gebracht.
4.27.
Voor zover werkgeefster zich erop beroept dat een mobiel apparaat ook niet op de bureaus mogen liggen waar de bedieningsmonitoren staan, maar moet liggen op de tafels, die sinds 9 december 2024 tussen de bureaus van de bedieners en het bureau van de coördinator zijn geplaatst, dat [verweerder] in strijd hiermee heeft gehandeld en dat dit (ernstig) verwijtbaar is, wordt het volgende overwogen.
4.28.
Duidelijk is dat een bediener 100% gefocust moet zijn tijdens het bedienen, dat een bediener, zoals [verweerder] , geacht wordt dit te weten en dat werkgeefster een bediener hieraan mag houden. Maar niet weersproken is het standpunt van [verweerder] dat werkgeefster vóór 9 december 2024 altijd heeft toegestaan dat er op het bureau van de bedieners tijdens het bedienen mobiele apparaten mochten liggen. Werkgeefster heeft op de zitting aan de hand van een foto van de bediencentrale toegelicht dat een bediener die aan het meest rechtse bureau zit, vóór 9 december 2024 zijn mobiele apparaten tijdens het bedienen op het meest linkse bureau moest leggen en andersom. Door het gebruik van mobiele apparaten in het bedieningsveld toe te staan, heeft werkgeefster naar het oordeel van de kantonrechter voor onduidelijkheid gezorgd. Terwijl het aan werkgeefster is om een duidelijk kader te geven en dit neer te leggen in eenduidige en voor iedereen kenbare regels als zij er om veiligheidsredenen waarde aan hecht dat mobiele apparaten op een bepaalde afstand tot de bedienmonitoren liggen. Niet gebleken is dat daarvan sprake is. De verwijzing door werkgeefster naar diverse hand- en lesboeken is te algemeen en daarom niet toereikend.