Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-28
ECLI:NL:RBNHO:2025:815
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,368 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/7610
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. B.M.C.F. de Groen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, verweerder,
(gemachtigde: drs. mr. R. Fa-Si-Oen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Woonstichting Kennemer Wonen, uit Heiloo, vergunninghouder,
(gemachtigde: mr. R. Visser).
Inleiding
1.1
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de op 13 november 2023 aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor de realisatie van elf appartementen op het adres [adres] in [plaats] .
1.2
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder, vergezeld door drs. [naam 1] , [naam 2] namens vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2.1
Vergunninghouder heeft een vergunning aangevraagd voor de realisatie van een gebouw met drie woonlagen en een plat dak met daarin elf appartementen op het perceel [adres] in [plaats] (het perceel). Op dit perceel staat al een gebouw. Dat gebouw heeft twee bouwlagen en een kap en bevat acht appartementen. Dit gebouw zal door vergunninghouder worden gesloopt. Eiser woont tegenover het perceel.
2.2
Het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals neergelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpbesluit heeft ter inzage gelegen van 29 augustus 2022 tot en met 10 oktober 2022. Op 23 september 2022 heeft eiser, een zienswijze ingediend.
2.3
Het geldende bestemmingsplan is ‘Bergen dorpskern Zuid’ (het bestemmingsplan). Het perceel heeft de bestemmingen ‘Groen’ en ‘Wonen’ en de dubbelbestemming ‘Archeologisch waardevol gebied’. Het door vergunninghouder aangevraagde plan voldoet niet aan het bestemmingsplan, omdat:
- het gebruik van gronden met de bestemming ‘Groen’ voor wonen en bouwen van woningen niet is toegestaan.
- het plan in strijd is met artikel 23, zevende lid, onder b, van het bestemmingsplan. Dit artikel bepaalt dat hoofdgebouwen uitsluitend zijn toegestaan binnen het bouwvlak. Het bouwplan overschrijdt deels het bouwvlak.
- het plan in strijd is met artikel 23, zevende lid, onder f, van het bestemmingsplan. Dit artikel bepaalt dat ter plaatse van andere gronden dan bedoeld onder sub c tot en met e, de woningen aaneen dienen te worden gebouwd. Het bouwplan is een vorm van gestapelde woningbouw, die op deze gronden zonder bouwaanduiding niet is toegestaan.
- het bouwplan is in strijd met artikel 33, eerste lid, van het bestemmingsplan. De maximale goothoogte van 7 meter wordt namelijk overschreden. De dakrand van het plat afgedekte woongebouw van ca 9,5 meter moet hier als goothoogte worden gemeten. De overschrijding is daarmee ca 2,5 meter.- het bouwplan is in strijd met artikel 33, tweede lid, van het bestemmingsplan. Dit artikel bepaalt dat in dit geval de hoofdgebouwen met een kap afgedekt dienen te worden. Het bouwplan voorziet in een plat dak.
2.4
Op 13 november 2023 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’. Verweerder werkt mee aan afwijking van het bestemmingsplan, omdat het bouwplan voldoet aan een goede ruimtelijke ordening.
Overgangsrecht
3. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op de beoordeling in deze zaak het voordien geldende recht, waaronder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), van toepassing, omdat de aanvraag om de omgevingsvergunning voor 1 januari 2024 is ingediend. De rechtbank blijft daarom spreken van toetsing aan het bestemmingsplan en niet aan het nieuwe begrip omgevingsplan. Overigens zijn de belangrijkste toe te passen materiële regels – uit het bestemmingsplan – per 1 januari 2024 in het omgevingsplan niet gewijzigd.
Beoordeling
4.1
De rechtbank beoordeelt of verweerder de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft mogen verlenen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4.2
Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De alternatieven
5.1
Eiser voert aan dat verweerder had moeten inzetten op renovatie in plaats van nieuwbouw. Dit in verband met circulariteit en duurzaamheid. Renovatie zou ook de prioriteit moeten hebben omdat het bestaande gebouw met naoorlogse architectuur de buurt kenmerkt. Met het huidige bouwplan wordt, in tegenstelling tot het bestaande gebouw dat twee woonlagen heeft, een nieuw pand gebouwd met drie woonlagen. Eiser acht het redelijk dat de huidige constructie behouden wordt, waarbij twee woonlagen het uitgangspunt is.
Ook heeft eiser een alternatief voorgesteld waarbij de voetprint van het bouwplan met 145 m2 vergroot wordt. Dit is een slechts een kleine vergroting ten opzichte van de ruim 2000 m2 die de totale voetprint bedraagt. Dit plan is slechts mogelijk door verplaatsing van het gebouw naar achter. Door deze kleine vergroting van de voetprint is een tweede bouwlaag niet nodig. Een gebouw met één verdieping en een kap heeft als voordeel dat het meer overeenkomt met de andere woningen op de [straat 2] en ook beter past bij de woningen op de [straat 1] . Ook zal dit plan minder nadelig zijn voor de bezonning en zorgen voor minder weerkaatsing van geluid. Een bijkomend voordeel is dat een vrije zichtlijn ontstaat voor de woningen [straat 2] [nummer 1] en [nummer 2] .
5.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestaande gebouw geen monument is en dat de architectuur geen bijzondere bescherming toekomt. Het is financieel niet haalbaar gebleken om het bestaande gebouw te renoveren of te verduurzamen. Vanwege de verduurzamingsplicht van vergunninghouder als zijnde woningbouwcorporatie, is sloop-nieuwbouw de enige mogelijkheid. Ook merkt verweerder op dat zij het bouwplan moeten beoordelen zoals dat is aangevraagd. Dat bouwplan voldoet aan de wettelijke eisen. Er is in dit geval geen wettelijke basis om het bouwplan af te wijzen met vanwege de reden dat renovatie de voorkeur zou hebben. Wat betreft de circulariteit merkt verweerder nog op dat vergunninghouder samen met de gemeenten uit de regio Noord-Holland-Noord (waaronder de gemeente Bergen), sloopbedrijven en aannemers de ‘Circulaire deal secundaire bouwmaterialen NHN’ heeft ondertekend. Er wordt circulair gesloopt en onderdelen worden zoveel mogelijk hergebruikt. Het voorgestelde alternatieve plan inhoudende een vergroting van de voetprint is niet mogelijk, omdat het bouwplan dan dichter bij de brandweerkazerne komt te liggen. Dat is vanwege milieueisen niet haalbaar. Daarnaast is het vergroten van de voetprint onnodig, aangezien de woningen binnen de bestaande bouwhoogte kunnen worden gerealiseerd. Een gebouw met een grotere voetprint heeft een groter volume en daarmee meer ruimtelijke impact.
5.3
De rechtbank begrijpt het standpunt van eiser zo dat hij twee alternatieven voor het plan van vergunninghouder oppert:
a. de renovatie van het bestaande gebouw met twee woonlagen in plaats van nieuwbouw van een gebouw met drie woonlagen.
b. een kleine vergroting van de voetprint van het gebouw door verplaatsing van het gebouw naar ‘achter’, waardoor de gewenste elf appartementen kunnen worden gerealiseerd in twee woonlagen in plaats van in drie woonlagen.
5.4
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat verweerder dient te beslissen op de aanvraag van een omgevingsvergunning, zoals deze is ingediend. Als een project op zichzelf voor verweerder aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.
5.5
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door eiser aangedragen alternatieven geen alternatieven waarvan op voorhand duidelijk is dat daarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt. Bij renovatie van het bestaande gebouw (alternatief a) blijft het namelijk bij de huidige acht appartementen en worden er geen elf appartementen gecreëerd zoals dat door vergunninghouder is aangevraagd. Bovendien is dit volgens vergunninghouder financieel niet haalbaar. Alternatief b (verplaatsing van het gebouw met kleine vergroting van de voetprint), is praktisch gezien niet mogelijk vanwege de geldende milieu-afstandsnormen (VNG Handreiking bedrijven en milieuzonering) rond de brandweerkazerne die daar staat. Door alternatief b zou het gebouw namelijk nog dichter bij de brandweerkazerne komen te liggen dan het huidige gebouw. Het feit dat het vergunde ontwerp de milieurichtlijn met een paar meter zou overschrijden, maakt – anders dan eiser aanvoert – niet dat een nog verdere overschrijding mogelijk is en tot een gelijkwaardig resultaat leidt. Bovendien kan alternatief b niet gerealiseerd worden op de eigen grond van vergunninghouder, maar zou grond aangekocht moeten worden van de gemeente.
5.6
Gezien het voorgaande kunnen beide alternatieven verweerder niet nopen tot onthouding van de medewerking aan het aangevraagde plan. De beroepsgrond slaagt niet. Partijen hebben (op de zitting) discussie (gehad) over de vraag in hoeverre de door eiser geopperde verschuiving van het gebouw (alternatief b) inbreuk zou maken op het woon- en leefklimaat van de toekomstige bewoners van het pand. Het antwoord op die vraag maakt voor de conclusie van de rechtbank niet uit, omdat – zoals hiervoor toegelicht – geen sprake is van een alternatief waarvan op voorhand duidelijk is dat daarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt.
Goede ruimtelijke ordening
6.1
Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de buurtbewoners, waaronder privacy, geluidsoverlast en lichtinval. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat er door het vergunde plan meer zicht op de slaapvertrekken zal zijn en het geluid van de straat harder zal afkaatsen op het hogere gebouw met een ander afwerkingsmateriaal. In de ‘Nota zienswijzen’ geeft verweerder het volgende aan:‘Het bouwplan is op 24 augustus 2021 tijdens een informatiebijeenkomst met omwonenden besproken en op enkele punten aangepast. Besloten is de nieuwbouw iets verder naar het oosten te verschuiven ten opzichte van de huidige bebouwing. Het gebouw (nog) verder opschuiven richting de brandweerkazerne is niet mogelijk vanwege de milieu-afstandsnormen die rond de brandweerkazerne gelden. De geldende richtlijn is minimaal 50 meter afstand. Het bestaande gebouw is op 41 meter afstand gelegen en het nieuwe gebouw komt nagenoeg op dezelfde afstand. Het gebouw nog verder richting de brandweerkazerne verschuiven zou tot een ongunstig woon- en leefklimaat leiden en de bedrijfsvoering van de brandweer kunnen belemmeren.’. Hieruit volgt volgens eiser dat verweerder erkent dat door het niet verder opschuiven een ongunstig woon- en leefklimaat ontstaat. Verweerder motiveert niet waarom desondanks toch een omgevingsvergunning voor dit bouwplan is verleend, aldus eiser.
6.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij weldegelijk rekening heeft gehouden met de wensen en belangen van omwonenden. De omwonenden zijn actief geïnformeerd en zijn betrokken bij de planvorming. Naar aanleiding van een informatiebijeenkomst is het bouwplan iets verder opgeschoven richting het oosten. De wethouder heeft nog een persoonlijk gesprek gehad met eiser, waarin uitvoerig is besproken waarom niet aan de wens van eiser om te kiezen voor renovatie tegemoet kan worden gekomen.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt ende verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. de Regt, rechter, in aanwezigheid van mr. N.L. Pruntel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1346
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 juni 2015, ECLI: NL:RVS:2015:2364.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/7610
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. B.M.C.F. de Groen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, verweerder,
(gemachtigde: drs. mr. R. Fa-Si-Oen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Woonstichting Kennemer Wonen, uit Heiloo, vergunninghouder,
(gemachtigde: mr. R. Visser).
Inleiding
1.1
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de op 13 november 2023 aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor de realisatie van elf appartementen op het adres [adres] in [plaats] .
1.2
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder, vergezeld door drs. [naam 1] , [naam 2] namens vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2.1
Vergunninghouder heeft een vergunning aangevraagd voor de realisatie van een gebouw met drie woonlagen en een plat dak met daarin elf appartementen op het perceel [adres] in [plaats] (het perceel). Op dit perceel staat al een gebouw. Dat gebouw heeft twee bouwlagen en een kap en bevat acht appartementen. Dit gebouw zal door vergunninghouder worden gesloopt. Eiser woont tegenover het perceel.
2.2
Het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals neergelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpbesluit heeft ter inzage gelegen van 29 augustus 2022 tot en met 10 oktober 2022. Op 23 september 2022 heeft eiser, een zienswijze ingediend.
2.3
Het geldende bestemmingsplan is ‘Bergen dorpskern Zuid’ (het bestemmingsplan). Het perceel heeft de bestemmingen ‘Groen’ en ‘Wonen’ en de dubbelbestemming ‘Archeologisch waardevol gebied’. Het door vergunninghouder aangevraagde plan voldoet niet aan het bestemmingsplan, omdat:
- het gebruik van gronden met de bestemming ‘Groen’ voor wonen en bouwen van woningen niet is toegestaan.
- het plan in strijd is met artikel 23, zevende lid, onder b, van het bestemmingsplan. Dit artikel bepaalt dat hoofdgebouwen uitsluitend zijn toegestaan binnen het bouwvlak. Het bouwplan overschrijdt deels het bouwvlak.
- het plan in strijd is met artikel 23, zevende lid, onder f, van het bestemmingsplan. Dit artikel bepaalt dat ter plaatse van andere gronden dan bedoeld onder sub c tot en met e, de woningen aaneen dienen te worden gebouwd. Het bouwplan is een vorm van gestapelde woningbouw, die op deze gronden zonder bouwaanduiding niet is toegestaan.
- het bouwplan is in strijd met artikel 33, eerste lid, van het bestemmingsplan. De maximale goothoogte van 7 meter wordt namelijk overschreden. De dakrand van het plat afgedekte woongebouw van ca 9,5 meter moet hier als goothoogte worden gemeten. De overschrijding is daarmee ca 2,5 meter.- het bouwplan is in strijd met artikel 33, tweede lid, van het bestemmingsplan. Dit artikel bepaalt dat in dit geval de hoofdgebouwen met een kap afgedekt dienen te worden. Het bouwplan voorziet in een plat dak.
2.4
Op 13 november 2023 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’. Verweerder werkt mee aan afwijking van het bestemmingsplan, omdat het bouwplan voldoet aan een goede ruimtelijke ordening.
Overgangsrecht
3. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op de beoordeling in deze zaak het voordien geldende recht, waaronder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), van toepassing, omdat de aanvraag om de omgevingsvergunning voor 1 januari 2024 is ingediend. De rechtbank blijft daarom spreken van toetsing aan het bestemmingsplan en niet aan het nieuwe begrip omgevingsplan. Overigens zijn de belangrijkste toe te passen materiële regels – uit het bestemmingsplan – per 1 januari 2024 in het omgevingsplan niet gewijzigd.
Beoordeling
4.1
De rechtbank beoordeelt of verweerder de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft mogen verlenen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4.2
Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De alternatieven
5.1
Eiser voert aan dat verweerder had moeten inzetten op renovatie in plaats van nieuwbouw. Dit in verband met circulariteit en duurzaamheid. Renovatie zou ook de prioriteit moeten hebben omdat het bestaande gebouw met naoorlogse architectuur de buurt kenmerkt. Met het huidige bouwplan wordt, in tegenstelling tot het bestaande gebouw dat twee woonlagen heeft, een nieuw pand gebouwd met drie woonlagen. Eiser acht het redelijk dat de huidige constructie behouden wordt, waarbij twee woonlagen het uitgangspunt is.
Ook heeft eiser een alternatief voorgesteld waarbij de voetprint van het bouwplan met 145 m2 vergroot wordt. Dit is een slechts een kleine vergroting ten opzichte van de ruim 2000 m2 die de totale voetprint bedraagt. Dit plan is slechts mogelijk door verplaatsing van het gebouw naar achter. Door deze kleine vergroting van de voetprint is een tweede bouwlaag niet nodig. Een gebouw met één verdieping en een kap heeft als voordeel dat het meer overeenkomt met de andere woningen op de [straat 2] en ook beter past bij de woningen op de [straat 1] . Ook zal dit plan minder nadelig zijn voor de bezonning en zorgen voor minder weerkaatsing van geluid. Een bijkomend voordeel is dat een vrije zichtlijn ontstaat voor de woningen [straat 2] [nummer 1] en [nummer 2] .
5.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestaande gebouw geen monument is en dat de architectuur geen bijzondere bescherming toekomt. Het is financieel niet haalbaar gebleken om het bestaande gebouw te renoveren of te verduurzamen. Vanwege de verduurzamingsplicht van vergunninghouder als zijnde woningbouwcorporatie, is sloop-nieuwbouw de enige mogelijkheid. Ook merkt verweerder op dat zij het bouwplan moeten beoordelen zoals dat is aangevraagd. Dat bouwplan voldoet aan de wettelijke eisen. Er is in dit geval geen wettelijke basis om het bouwplan af te wijzen met vanwege de reden dat renovatie de voorkeur zou hebben. Wat betreft de circulariteit merkt verweerder nog op dat vergunninghouder samen met de gemeenten uit de regio Noord-Holland-Noord (waaronder de gemeente Bergen), sloopbedrijven en aannemers de ‘Circulaire deal secundaire bouwmaterialen NHN’ heeft ondertekend. Er wordt circulair gesloopt en onderdelen worden zoveel mogelijk hergebruikt. Het voorgestelde alternatieve plan inhoudende een vergroting van de voetprint is niet mogelijk, omdat het bouwplan dan dichter bij de brandweerkazerne komt te liggen. Dat is vanwege milieueisen niet haalbaar. Daarnaast is het vergroten van de voetprint onnodig, aangezien de woningen binnen de bestaande bouwhoogte kunnen worden gerealiseerd. Een gebouw met een grotere voetprint heeft een groter volume en daarmee meer ruimtelijke impact.
5.3
De rechtbank begrijpt het standpunt van eiser zo dat hij twee alternatieven voor het plan van vergunninghouder oppert:
a. de renovatie van het bestaande gebouw met twee woonlagen in plaats van nieuwbouw van een gebouw met drie woonlagen.
b. een kleine vergroting van de voetprint van het gebouw door verplaatsing van het gebouw naar ‘achter’, waardoor de gewenste elf appartementen kunnen worden gerealiseerd in twee woonlagen in plaats van in drie woonlagen.
5.4
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat verweerder dient te beslissen op de aanvraag van een omgevingsvergunning, zoals deze is ingediend. Als een project op zichzelf voor verweerder aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.
5.5
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door eiser aangedragen alternatieven geen alternatieven waarvan op voorhand duidelijk is dat daarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt. Bij renovatie van het bestaande gebouw (alternatief a) blijft het namelijk bij de huidige acht appartementen en worden er geen elf appartementen gecreëerd zoals dat door vergunninghouder is aangevraagd. Bovendien is dit volgens vergunninghouder financieel niet haalbaar. Alternatief b (verplaatsing van het gebouw met kleine vergroting van de voetprint), is praktisch gezien niet mogelijk vanwege de geldende milieu-afstandsnormen (VNG Handreiking bedrijven en milieuzonering) rond de brandweerkazerne die daar staat. Door alternatief b zou het gebouw namelijk nog dichter bij de brandweerkazerne komen te liggen dan het huidige gebouw. Het feit dat het vergunde ontwerp de milieurichtlijn met een paar meter zou overschrijden, maakt – anders dan eiser aanvoert – niet dat een nog verdere overschrijding mogelijk is en tot een gelijkwaardig resultaat leidt. Bovendien kan alternatief b niet gerealiseerd worden op de eigen grond van vergunninghouder, maar zou grond aangekocht moeten worden van de gemeente.
5.6
Gezien het voorgaande kunnen beide alternatieven verweerder niet nopen tot onthouding van de medewerking aan het aangevraagde plan. De beroepsgrond slaagt niet. Partijen hebben (op de zitting) discussie (gehad) over de vraag in hoeverre de door eiser geopperde verschuiving van het gebouw (alternatief b) inbreuk zou maken op het woon- en leefklimaat van de toekomstige bewoners van het pand. Het antwoord op die vraag maakt voor de conclusie van de rechtbank niet uit, omdat – zoals hiervoor toegelicht – geen sprake is van een alternatief waarvan op voorhand duidelijk is dat daarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt.
Goede ruimtelijke ordening
6.1
Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de buurtbewoners, waaronder privacy, geluidsoverlast en lichtinval. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat er door het vergunde plan meer zicht op de slaapvertrekken zal zijn en het geluid van de straat harder zal afkaatsen op het hogere gebouw met een ander afwerkingsmateriaal. In de ‘Nota zienswijzen’ geeft verweerder het volgende aan:‘Het bouwplan is op 24 augustus 2021 tijdens een informatiebijeenkomst met omwonenden besproken en op enkele punten aangepast. Besloten is de nieuwbouw iets verder naar het oosten te verschuiven ten opzichte van de huidige bebouwing. Het gebouw (nog) verder opschuiven richting de brandweerkazerne is niet mogelijk vanwege de milieu-afstandsnormen die rond de brandweerkazerne gelden. De geldende richtlijn is minimaal 50 meter afstand. Het bestaande gebouw is op 41 meter afstand gelegen en het nieuwe gebouw komt nagenoeg op dezelfde afstand. Het gebouw nog verder richting de brandweerkazerne verschuiven zou tot een ongunstig woon- en leefklimaat leiden en de bedrijfsvoering van de brandweer kunnen belemmeren.’. Hieruit volgt volgens eiser dat verweerder erkent dat door het niet verder opschuiven een ongunstig woon- en leefklimaat ontstaat. Verweerder motiveert niet waarom desondanks toch een omgevingsvergunning voor dit bouwplan is verleend, aldus eiser.
6.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij weldegelijk rekening heeft gehouden met de wensen en belangen van omwonenden. De omwonenden zijn actief geïnformeerd en zijn betrokken bij de planvorming. Naar aanleiding van een informatiebijeenkomst is het bouwplan iets verder opgeschoven richting het oosten. De wethouder heeft nog een persoonlijk gesprek gehad met eiser, waarin uitvoerig is besproken waarom niet aan de wens van eiser om te kiezen voor renovatie tegemoet kan worden gekomen.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt ende verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. de Regt, rechter, in aanwezigheid van mr. N.L. Pruntel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1346
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 juni 2015, ECLI: NL:RVS:2015:2364.