Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-04-17
ECLI:NL:RBNHO:2025:8065
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,302 tokens
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11290160 \ CV EXPL 24-2418
Vonnis van 17 april 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. L.M. van Raalte,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [woonplaats] ,2. [gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. R.A.P. de Jager.
1De zaak in het kort
Eiser vordert een schadevergoeding van gedaagde in verband met het afsluiten van een rioleringsbuis. De kantonrechter oordeelt dat gedaagde een inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van eiser. Maar de kantonrechter vindt het belang van gedaagde om de onrechtmatige hinder, die de rioleringsbuis veroorzaakte, te stoppen door het afsluiten van de rioleringsbuis zwaarder wegen dan het belang van eiser bij ongewijzigd gebruik van de rioleringsbuis. Gedaagde heeft wel onrechtmatig gehandeld richting eiser door hem na aankondiging van de afsluiting een termijn van slechts twee dagen te gunnen om passende maatregelen te nemen. Alleen de schade die hieruit voortvloeit, komt voor vergoeding in aanmerking. Dat is de huur voor een chemisch toilet.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 14 november 2024
- de mondelinge behandeling van 19 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Feiten
3.1.
[eiser] is sinds 1985 eigenaar van de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] . [gedaagden] zijn sinds 2020 eigenaar van de woning aan de [adres 2] te [woonplaats] .
3.2.
De riolering van de woning aan de [adres 1] wordt afgevoerd op een septic tank, die in de grond van het perceel [adres 1] ligt. De rioleringsbuis van deze septic tank komt via het perceel [adres 3] en [adres 2] uit op het gemeentelijk riool. De woning aan de [adres 2] is direct aangesloten op het gemeentelijke riool.
3.3.
Op 3 april 2023 zijn [gedaagden] begonnen met graafwerkzaamheden in hun achtertuin. [eiser] heeft [gedaagden] gewezen op de aanwezigheid van de rioleringsbuis in de achtertuin van [gedaagden]
3.4.
Op 5 april 2023 hebben [gedaagden] aan [eiser] meegedeeld dat de rioleringsbuis van [eiser] lekt.
3.5.
Op 6 april 2023 zijn [eiser] en zijn broer [broer] (hierna: [broer] ) naar [gedaagden] gegaan om (nogmaals) aan te bieden om de rioolbuis te laten repareren.
3.6.
Uit het rapport van 17 april 2023 van Breman Rioolservice blijkt dat de rioleringsbuit van [eiser] op 12 april 2023 met een camera is geïnspecteerd. Geconstateerd is dat deze rioleringsbuis op verschillende punten is gebroken, niet op afschot ligt en verstopt is.
3.7.
In een WhatsApp-bericht van 11 mei 2023 heeft [broer] aan [gedaagden] geschreven dat de rioleringsbuis kan worden beschouwd als onderdeel van een erfdienstbaarheid.
3.8.
In een brief van 30 mei 2023 heeft de gemachtigde van [gedaagden] aan [eiser] geschreven dat [gedaagden] niet verplicht zijn te dulden dat rioolafval op hun erf wordt gestort, dat zij gerechtigd zijn om de lekkende rioleringsbuis af te sluiten en dat [eiser] geen belang heeft bij een vermeende erfdienstbaarheid.
3.9.
In een WhatsApp-bericht van 30 mei 2023 heeft [broer] aan [gedaagden] bericht dat de door de afsluiting ontstane schade op hen zal worden verhaald.
3.10.
Op 30 mei 2023 hebben [gedaagden] de rioleringsbuis van [eiser] afgesloten.
3.11.
In een brief van 31 mei 2023 heeft [eiser] aan de gemachtigde van [gedaagden] verzocht de afsluiting ongedaan te maken.
3.12.
Per 25 oktober 2023 heeft de woning van [eiser] een directe aansluiting op het gemeentelijk riool.
3.13.
In een brief van 19 maart 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagden] verzocht de schade van [eiser] te voldoen. In zijn reactie van 29 maart 2024 hebben [gedaagden] de aansprakelijkheid voor deze schade betwist.4. Het geschil
4.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [gedaagden] onrechtmatig hebben gehandeld richting hem. Verder vordert [eiser] dat de kantonrechter [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de geleden schade ten bedrage van € 5.793,57, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding en tot betaling van de proceskosten.
4.2.
[eiser] stelt – kort weergegeven – dat de rioleringsbuis al meer dan twintig jaar via de percelen [adres 3] en [adres 2] naar het gemeentelijk riool wordt afgevoerd en dat er daarom een erfdienstbaarheid door verjaring is ontstaan en dat het afsluiten van de rioleringsbuis door [gedaagden] daarom een onrechtmatige gedraging is. [eiser] stelt dat hij door de afsluiting schade heeft geleden en dat [gedaagden] deze schade moet vergoeden.
4.3.
[gedaagden] betwisten – kort weergegeven – dat er sprake is van een erfdienstbaarheid door verjaring. Voor zover er sprake is van een erfdienstbaarheid voeren [gedaagden] aan dat het belang bij de uitoefening daarvan is vervallen omdat de woning direct kan worden aangesloten op het gemeentelijk riool. Verder voeren [gedaagden] aan dat zij niet onrechtmatig hebben gehandeld door de lekkende rioleringsbuis af te sluiten. Zij hebben juist onrechtmatige hinder voorkomen, zodat de gevorderde schadevergoeding moet worden afgewezen.
4.4.
Op de standpunten van partijen zal – voor zover nodig voor de beoordeling van de zaak – hierna nader worden ingegaan.
Beoordeling
5.1.
[eiser] stelt zich op het standpunt – zo begrijpt de kantonrechter uit de verklaringen van (de gemachtigde van) [eiser] op de zitting – dat [gedaagden] door het afsluiten van de rioleringsbuis onrechtmatig richting hem hebben gehandeld omdat een erfdienstbaarheid op de rioleringsbuis rust die [gedaagden] moeten respecteren dan wel omdat [eiser] door natrekking eigenaar is geworden van de rioleringsbuis en [gedaagden] een inbreuk op zijn eigendomsrecht hebben gemaakt dan wel omdat [gedaagden] anderszins onrechtmatig hebben gehandeld richting [eiser] .
5.2.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan in feite in het midden blijven of sprake is van erfdienstdienstbaarheid of eigenaarschap omdat het afsluiten van de rioleringsbuis door [gedaagden] ook onrechtmatig richting [eiser] kan zijn als geen sprake is van erfdienstbaarheid of als hij geen eigenaar zou zijn. Voor de volledigheid gaat de kantonrechter hierop wel in.
5.3.
De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van een erfdienstbaarheid. Vast staat dat geen erfdienstbaarheid is gevestigd in enige akte. Evenmin is sprake van erfdienstbaarheid door verjaring omdat niet is gebleken van bezit door [eiser] dat kenbaar was bij [gedaagden] of hun rechtsvoorgangers.
5.4.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan [eiser] wel worden aangemerkt als eigenaar van de rioleringsbuis die in de grond van het perceel van [gedaagden] ligt. Vast staat namelijk dat deze rioleringsbuis verbonden is met het rioolstelsel en de septictank die toebehoren aan [eiser] en dat deze rioleringsbuis daarvan niet zonder meer is af te scheiden. Het afsluiten is daarom in beginsel een onrechtmatige inbreuk door [gedaagden] op het eigendomsrecht van [eiser] .
5.5.
Aan de andere kant staat voldoende vast dat deze rioleringsbuis aan (het perceel van) [gedaagden] onrechtmatige hinder heeft toegebracht door het verspreiden van stank en wateroverlast. Op grond van de stukken is namelijk voldoende gebleken dat de rioleringsbuis op meerdere plaatsen is gebroken, is verstopt en niet op afschot naar het gemeenteriool ligt, waardoor er lekkages zijn ontstaan. De kantonrechter wijst op het rapport van Breman van 17 april 2023. [eiser] heeft niet (voldoende) gemotiveerd betwist dat dergelijke hinder zich heeft voorgedaan. De stelling van [eiser] dat [gedaagden] deze gebreken zelf hebben veroorzaakt door de graafwerkzaamheden, is geen betwisting van de gebreken en de hinder als zodanig. Daarbij heeft [eiser] op de zitting erkend dat hij op geen enkele manier kan aantonen dat [gedaagden] deze gebreken hebben veroorzaakt. Aan dit standpunt van [eiser] gaat de kantonrechter dan ook voorbij. Dit betekent dat [gedaagden] in beginsel een einde mochten maken aan deze hinder door de rioleringsbuis af te sluiten.
5.6.
De kantonrechter van oordeel dat het recht van [gedaagden] om een einde te maken aan deze hinder in dit geval zwaarder weegt dan het recht van [eiser] om de rioleringsbuis ongewijzigd te blijven gebruiken. Van belang hierbij is dat voldoende aannemelijk is geworden dat [eiser] een goed alternatief heeft voor de afvoer van rioolwater door een directe aansluiting te realiseren op het gemeenteriool over zijn eigen perceel. Bovendien is ook voldoende aannemelijk gemaakt dat de kosten van herstel van de rioleringsbuis hoger zijn dan de kosten van een aansluiting op het gemeenteriool. De kantonrechter overweegt als volgt.
5.7.
[gedaagden] ramen de totale aansluitingskosten op ten hoogste € 3.300 en stellen dat de herstelkosten van de rioleringsbuis hoger zijn. [eiser] betwist deze stelling en voert aan dat hij nooit in de gelegenheid is gesteld om de herstelkosten, die hij voor zijn rekening wilde nemen, zelf te onderzoeken. De kantonrechter volgt het betoog van [eiser] niet. Het is voor de kantonrechter duidelijk dat de kosten voor herstel van een acht meter lange rioleringsbuis uit de jaren ’30, die op meerdere plaatsen is gebroken, is verstopt en lekkage vertoond en ruim onder het niveau van het gemeenteriool ligt, de kosten van aansluiting op het gemeenteriool hoe dan ook overstijgen. De kantonrechter concludeert dat de afsluiting als zodanig van de rioleringsbuis door [gedaagden] in dit geval dan ook niet onrechtmatig is richting [eiser] . De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om [eiser] in de gelegenheid te stellen om de herstelkosten te onderzoeken.
5.8.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden] wel onrechtmatig richting [eiser] hebben gehandeld door hem onvoldoende gelegenheid te geven om tijdig maatregelen te nemen om een aansluiting op het gemeenteriool te realiseren. [gedaagden] hebben namelijk in de brief van 30 mei 2023 aangekondigd dat zij definitief tot afsluiting van de rioleringsbuis zullen overgaan en hebben hieraan twee dagen later al uitvoering gegeven. [gedaagden] stellen dat zij vanaf 2021 stank en wateroverlast ervaren, zodat niet goed valt in te zien waarom zij aan [eiser] geen ruimere termijn hebben gegund. Weliswaar blijkt uit de correspondentie tussen partijen dat [gedaagden] eerder hebben verklaard dat zij tot afsluiting van de rioleringsbuis zouden overgaan, maar niet wanneer of op welke termijn. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat er sprake was van een acute noodsituatie. In zoverre zal de gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen.
5.9.
Dit betekent verder dat [gedaagden] de schade moeten vergoeden die daardoor is ontstaan. Die schade betreft niet de aansluitingskosten op het gemeenteriool. Dat is namelijk geen schade die voortvloeit uit het niet gunnen van een langere termijn. Daarbij zijn, zoals hiervoor al is overwogen, deze kosten lager dan de herstelkosten, zodat [eiser] deze kosten hoe dan ook had moeten maken. De schade bestaat uit de extra kosten die [eiser] heeft moeten maken in de periode van de afsluiting van de rioleringsbuis tot de datum van de aansluiting op het gemeenteriool. Dat zijn de kosten voor de huur van het chemisch toilet, zijnde € 183,93. [gedaagden] moeten deze kosten vergoeden en zullen dan ook tot betaling daarvan worden veroordeeld.
5.10.
[eiser] heeft op de zitting verklaard dat hij ruim acht maanden van een chemisch toilet gebruik heeft moeten maken, dat hij het chemisch toilet elke drie dagen moest legen bij de kanovereniging aan de overzijde van de straat en in die periode geen gasten in zijn woning heeft kunnen ontvangen. Voor zover [eiser] meent dat hij hierdoor immateriële schade heeft geleden, ziet de kantonrechter geen aanleiding voor vergoeding daarvan. Niet is gesteld of gebleken dat [eiser] is aangetast in zijn persoon. Een gevoel van onbehagen is daartoe niet voldoende. Daarbij heeft [eiser] in dit verband ook geen concreet bedrag gevorderd.
5.11.
Vast staat dat [gedaagden] de kosten voor de huur van het chemisch toilet niet hebben betaald, zodat de gevorderde rente eveneens zal worden toegewezen, zoals hierna volgt.
5.12.
Aangezien de vordering van [eiser] voor het overgrote deel wordt afgewezen maar er in enige mate sprake is van onrechtmatig handelen van [gedaagden] , ziet de kantonrechter aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Dictum
De kantonrechter
6.1.
verklaart voor recht dat [gedaagden] onrechtmatig richting [eiser] heeft gehandeld door hem geen ruimere termijn te gunnen om maatregelen te nemen;
6.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan [eiser] van de schade van € 183,93, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele betaling;
6.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2025.
SJ
Zie artikel 3:4 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Zie artikel 5:37 BW.
Zie rand 39 van de conclusie van antwoord en productie 17 van [gedaagden]
Zie artikel 6:106 BW.
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11290160 \ CV EXPL 24-2418
Vonnis van 17 april 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. L.M. van Raalte,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [woonplaats] ,2. [gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. R.A.P. de Jager.
1De zaak in het kort
Eiser vordert een schadevergoeding van gedaagde in verband met het afsluiten van een rioleringsbuis. De kantonrechter oordeelt dat gedaagde een inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van eiser. Maar de kantonrechter vindt het belang van gedaagde om de onrechtmatige hinder, die de rioleringsbuis veroorzaakte, te stoppen door het afsluiten van de rioleringsbuis zwaarder wegen dan het belang van eiser bij ongewijzigd gebruik van de rioleringsbuis. Gedaagde heeft wel onrechtmatig gehandeld richting eiser door hem na aankondiging van de afsluiting een termijn van slechts twee dagen te gunnen om passende maatregelen te nemen. Alleen de schade die hieruit voortvloeit, komt voor vergoeding in aanmerking. Dat is de huur voor een chemisch toilet.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 14 november 2024
- de mondelinge behandeling van 19 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Feiten
3.1.
[eiser] is sinds 1985 eigenaar van de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] . [gedaagden] zijn sinds 2020 eigenaar van de woning aan de [adres 2] te [woonplaats] .
3.2.
De riolering van de woning aan de [adres 1] wordt afgevoerd op een septic tank, die in de grond van het perceel [adres 1] ligt. De rioleringsbuis van deze septic tank komt via het perceel [adres 3] en [adres 2] uit op het gemeentelijk riool. De woning aan de [adres 2] is direct aangesloten op het gemeentelijke riool.
3.3.
Op 3 april 2023 zijn [gedaagden] begonnen met graafwerkzaamheden in hun achtertuin. [eiser] heeft [gedaagden] gewezen op de aanwezigheid van de rioleringsbuis in de achtertuin van [gedaagden]
3.4.
Op 5 april 2023 hebben [gedaagden] aan [eiser] meegedeeld dat de rioleringsbuis van [eiser] lekt.
3.5.
Op 6 april 2023 zijn [eiser] en zijn broer [broer] (hierna: [broer] ) naar [gedaagden] gegaan om (nogmaals) aan te bieden om de rioolbuis te laten repareren.
3.6.
Uit het rapport van 17 april 2023 van Breman Rioolservice blijkt dat de rioleringsbuit van [eiser] op 12 april 2023 met een camera is geïnspecteerd. Geconstateerd is dat deze rioleringsbuis op verschillende punten is gebroken, niet op afschot ligt en verstopt is.
3.7.
In een WhatsApp-bericht van 11 mei 2023 heeft [broer] aan [gedaagden] geschreven dat de rioleringsbuis kan worden beschouwd als onderdeel van een erfdienstbaarheid.
3.8.
In een brief van 30 mei 2023 heeft de gemachtigde van [gedaagden] aan [eiser] geschreven dat [gedaagden] niet verplicht zijn te dulden dat rioolafval op hun erf wordt gestort, dat zij gerechtigd zijn om de lekkende rioleringsbuis af te sluiten en dat [eiser] geen belang heeft bij een vermeende erfdienstbaarheid.
3.9.
In een WhatsApp-bericht van 30 mei 2023 heeft [broer] aan [gedaagden] bericht dat de door de afsluiting ontstane schade op hen zal worden verhaald.
3.10.
Op 30 mei 2023 hebben [gedaagden] de rioleringsbuis van [eiser] afgesloten.
3.11.
In een brief van 31 mei 2023 heeft [eiser] aan de gemachtigde van [gedaagden] verzocht de afsluiting ongedaan te maken.
3.12.
Per 25 oktober 2023 heeft de woning van [eiser] een directe aansluiting op het gemeentelijk riool.
3.13.
In een brief van 19 maart 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagden] verzocht de schade van [eiser] te voldoen. In zijn reactie van 29 maart 2024 hebben [gedaagden] de aansprakelijkheid voor deze schade betwist.4. Het geschil
4.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [gedaagden] onrechtmatig hebben gehandeld richting hem. Verder vordert [eiser] dat de kantonrechter [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de geleden schade ten bedrage van € 5.793,57, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding en tot betaling van de proceskosten.
4.2.
[eiser] stelt – kort weergegeven – dat de rioleringsbuis al meer dan twintig jaar via de percelen [adres 3] en [adres 2] naar het gemeentelijk riool wordt afgevoerd en dat er daarom een erfdienstbaarheid door verjaring is ontstaan en dat het afsluiten van de rioleringsbuis door [gedaagden] daarom een onrechtmatige gedraging is. [eiser] stelt dat hij door de afsluiting schade heeft geleden en dat [gedaagden] deze schade moet vergoeden.
4.3.
[gedaagden] betwisten – kort weergegeven – dat er sprake is van een erfdienstbaarheid door verjaring. Voor zover er sprake is van een erfdienstbaarheid voeren [gedaagden] aan dat het belang bij de uitoefening daarvan is vervallen omdat de woning direct kan worden aangesloten op het gemeentelijk riool. Verder voeren [gedaagden] aan dat zij niet onrechtmatig hebben gehandeld door de lekkende rioleringsbuis af te sluiten. Zij hebben juist onrechtmatige hinder voorkomen, zodat de gevorderde schadevergoeding moet worden afgewezen.
4.4.
Op de standpunten van partijen zal – voor zover nodig voor de beoordeling van de zaak – hierna nader worden ingegaan.
Beoordeling
5.1.
[eiser] stelt zich op het standpunt – zo begrijpt de kantonrechter uit de verklaringen van (de gemachtigde van) [eiser] op de zitting – dat [gedaagden] door het afsluiten van de rioleringsbuis onrechtmatig richting hem hebben gehandeld omdat een erfdienstbaarheid op de rioleringsbuis rust die [gedaagden] moeten respecteren dan wel omdat [eiser] door natrekking eigenaar is geworden van de rioleringsbuis en [gedaagden] een inbreuk op zijn eigendomsrecht hebben gemaakt dan wel omdat [gedaagden] anderszins onrechtmatig hebben gehandeld richting [eiser] .
5.2.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan in feite in het midden blijven of sprake is van erfdienstdienstbaarheid of eigenaarschap omdat het afsluiten van de rioleringsbuis door [gedaagden] ook onrechtmatig richting [eiser] kan zijn als geen sprake is van erfdienstbaarheid of als hij geen eigenaar zou zijn. Voor de volledigheid gaat de kantonrechter hierop wel in.
5.3.
De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van een erfdienstbaarheid. Vast staat dat geen erfdienstbaarheid is gevestigd in enige akte. Evenmin is sprake van erfdienstbaarheid door verjaring omdat niet is gebleken van bezit door [eiser] dat kenbaar was bij [gedaagden] of hun rechtsvoorgangers.
5.4.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan [eiser] wel worden aangemerkt als eigenaar van de rioleringsbuis die in de grond van het perceel van [gedaagden] ligt. Vast staat namelijk dat deze rioleringsbuis verbonden is met het rioolstelsel en de septictank die toebehoren aan [eiser] en dat deze rioleringsbuis daarvan niet zonder meer is af te scheiden. Het afsluiten is daarom in beginsel een onrechtmatige inbreuk door [gedaagden] op het eigendomsrecht van [eiser] .
5.5.
Aan de andere kant staat voldoende vast dat deze rioleringsbuis aan (het perceel van) [gedaagden] onrechtmatige hinder heeft toegebracht door het verspreiden van stank en wateroverlast. Op grond van de stukken is namelijk voldoende gebleken dat de rioleringsbuis op meerdere plaatsen is gebroken, is verstopt en niet op afschot naar het gemeenteriool ligt, waardoor er lekkages zijn ontstaan. De kantonrechter wijst op het rapport van Breman van 17 april 2023. [eiser] heeft niet (voldoende) gemotiveerd betwist dat dergelijke hinder zich heeft voorgedaan. De stelling van [eiser] dat [gedaagden] deze gebreken zelf hebben veroorzaakt door de graafwerkzaamheden, is geen betwisting van de gebreken en de hinder als zodanig. Daarbij heeft [eiser] op de zitting erkend dat hij op geen enkele manier kan aantonen dat [gedaagden] deze gebreken hebben veroorzaakt. Aan dit standpunt van [eiser] gaat de kantonrechter dan ook voorbij. Dit betekent dat [gedaagden] in beginsel een einde mochten maken aan deze hinder door de rioleringsbuis af te sluiten.
5.6.
De kantonrechter van oordeel dat het recht van [gedaagden] om een einde te maken aan deze hinder in dit geval zwaarder weegt dan het recht van [eiser] om de rioleringsbuis ongewijzigd te blijven gebruiken. Van belang hierbij is dat voldoende aannemelijk is geworden dat [eiser] een goed alternatief heeft voor de afvoer van rioolwater door een directe aansluiting te realiseren op het gemeenteriool over zijn eigen perceel. Bovendien is ook voldoende aannemelijk gemaakt dat de kosten van herstel van de rioleringsbuis hoger zijn dan de kosten van een aansluiting op het gemeenteriool. De kantonrechter overweegt als volgt.
5.7.
[gedaagden] ramen de totale aansluitingskosten op ten hoogste € 3.300 en stellen dat de herstelkosten van de rioleringsbuis hoger zijn. [eiser] betwist deze stelling en voert aan dat hij nooit in de gelegenheid is gesteld om de herstelkosten, die hij voor zijn rekening wilde nemen, zelf te onderzoeken. De kantonrechter volgt het betoog van [eiser] niet. Het is voor de kantonrechter duidelijk dat de kosten voor herstel van een acht meter lange rioleringsbuis uit de jaren ’30, die op meerdere plaatsen is gebroken, is verstopt en lekkage vertoond en ruim onder het niveau van het gemeenteriool ligt, de kosten van aansluiting op het gemeenteriool hoe dan ook overstijgen. De kantonrechter concludeert dat de afsluiting als zodanig van de rioleringsbuis door [gedaagden] in dit geval dan ook niet onrechtmatig is richting [eiser] . De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om [eiser] in de gelegenheid te stellen om de herstelkosten te onderzoeken.
5.8.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden] wel onrechtmatig richting [eiser] hebben gehandeld door hem onvoldoende gelegenheid te geven om tijdig maatregelen te nemen om een aansluiting op het gemeenteriool te realiseren. [gedaagden] hebben namelijk in de brief van 30 mei 2023 aangekondigd dat zij definitief tot afsluiting van de rioleringsbuis zullen overgaan en hebben hieraan twee dagen later al uitvoering gegeven. [gedaagden] stellen dat zij vanaf 2021 stank en wateroverlast ervaren, zodat niet goed valt in te zien waarom zij aan [eiser] geen ruimere termijn hebben gegund. Weliswaar blijkt uit de correspondentie tussen partijen dat [gedaagden] eerder hebben verklaard dat zij tot afsluiting van de rioleringsbuis zouden overgaan, maar niet wanneer of op welke termijn. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat er sprake was van een acute noodsituatie. In zoverre zal de gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen.
5.9.
Dit betekent verder dat [gedaagden] de schade moeten vergoeden die daardoor is ontstaan. Die schade betreft niet de aansluitingskosten op het gemeenteriool. Dat is namelijk geen schade die voortvloeit uit het niet gunnen van een langere termijn. Daarbij zijn, zoals hiervoor al is overwogen, deze kosten lager dan de herstelkosten, zodat [eiser] deze kosten hoe dan ook had moeten maken. De schade bestaat uit de extra kosten die [eiser] heeft moeten maken in de periode van de afsluiting van de rioleringsbuis tot de datum van de aansluiting op het gemeenteriool. Dat zijn de kosten voor de huur van het chemisch toilet, zijnde € 183,93. [gedaagden] moeten deze kosten vergoeden en zullen dan ook tot betaling daarvan worden veroordeeld.
5.10.
[eiser] heeft op de zitting verklaard dat hij ruim acht maanden van een chemisch toilet gebruik heeft moeten maken, dat hij het chemisch toilet elke drie dagen moest legen bij de kanovereniging aan de overzijde van de straat en in die periode geen gasten in zijn woning heeft kunnen ontvangen. Voor zover [eiser] meent dat hij hierdoor immateriële schade heeft geleden, ziet de kantonrechter geen aanleiding voor vergoeding daarvan. Niet is gesteld of gebleken dat [eiser] is aangetast in zijn persoon. Een gevoel van onbehagen is daartoe niet voldoende. Daarbij heeft [eiser] in dit verband ook geen concreet bedrag gevorderd.
5.11.
Vast staat dat [gedaagden] de kosten voor de huur van het chemisch toilet niet hebben betaald, zodat de gevorderde rente eveneens zal worden toegewezen, zoals hierna volgt.
5.12.
Aangezien de vordering van [eiser] voor het overgrote deel wordt afgewezen maar er in enige mate sprake is van onrechtmatig handelen van [gedaagden] , ziet de kantonrechter aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Dictum
De kantonrechter
6.1.
verklaart voor recht dat [gedaagden] onrechtmatig richting [eiser] heeft gehandeld door hem geen ruimere termijn te gunnen om maatregelen te nemen;
6.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan [eiser] van de schade van € 183,93, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele betaling;
6.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2025.
SJ
Zie artikel 3:4 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Zie artikel 5:37 BW.
Zie rand 39 van de conclusie van antwoord en productie 17 van [gedaagden]
Zie artikel 6:106 BW.