Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-06-18
ECLI:NL:RBNHO:2025:7342
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,031 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8644775 \ CV EXPL 20-5830
Uitspraakdatum: 18 juni 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiseres]
wonende te [plaats]
eiseres
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
United Airlines, Inc.
gevestigd te Wilmington, Verenigde Staten
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigden: mr. R.L.S.M. Pessers en mr. B.E. Struijk
De zaak in het kort
De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd vanwege een vertraagde vlucht. Hierdoor heeft de passagier de overstap op haar aansluitende vlucht gemist. De vervoerder voert aan dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden, namelijk een sluiting van het platform op de luchthaven van New York tijdens een voorafgaande vlucht. Deze vertraging werkt volgens de vervoerder door op de vlucht in kwestie. Omdat de vervoerder echter niet heeft toegelicht wat de oorzaak van de rest van de vertraging van de vlucht in kwestie was en ook niet wat de minimumoverstaptijd voor de overstap van de passagier was, kan de kantonrechter niet beoordelen in hoeverre de passagier haar aansluitende vlucht nog had kunnen halen als de buitengewone omstandigheden zich niet hadden voorgedaan. Daarom slaagt het betoog van de vervoerder niet en wordt de vordering van de passagier toegewezen.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder haar op 16 mei 2018 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via New York, Verenigde Staten, naar Fort Lauderdale, Verenigde Staten, met vluchtcombinatie UA71 en UA377.
2.2.
De vervoerder heeft vlucht UA71 van Amsterdam naar New York (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagier is met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagier heeft daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
De passagier vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;- € 181,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagier baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder haar vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,-.
3.3.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming is aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar ook geen invloed op kon uitoefenen.
4.3.
Volgens de vervoerder was de vlucht in kwestie onderdeel van de rotatievlucht New York – Amsterdam – New York (vluchtnummers UA70 en UA71). Tijdens de geplande vertrektijd van vlucht UA70 van New York naar Amsterdam was er sprake van slechte weersomstandigheden op de luchthaven van New York, in de vorm van onweersbuien en mogelijk tornado’s. Daarom heeft de luchthaven besloten het platform van het vliegveld te sluiten en konden er geen vluchten worden afgehandeld door het personeel. Daardoor vertrok vlucht UA70 met 70 minuten vertraging. Deze vertraging werkte door op de vlucht in kwestie. Deze is uiteindelijk met een vertraging van 1 uur en 54 minuten uitgevoerd. Vanwege de vertraging dreigde de passagier de aansluitende vlucht te missen. Daarom is zij omgeboekt op een latere alternatieve vluchtcombinatie naar de eindbestemming. Ter onderbouwing verwijst de vervoerder onder meer naar vlucht- en weerrapporten.
4.4.
De passagier betwist dit. Zij voert onder meer aan dat andere vluchten rond de geplande vertrektijd van vlucht UA70 wel met slechts een korte vertraging konden vertrekken. Daaruit blijkt dat er geen sprake was van een sluiting, aldus de passagier.
4.5.
De vervoerder heeft daar tegenin gebracht dat de passagier geen vluchtrapport van de door haar genoemde vluchten heeft overgelegd, maar dat het waarschijnlijk is dat die vluchten al van de gate waren vertrokken toen het platform werd gesloten. Daarom konden deze nog vertrekken voor de sluiting werd afgekondigd, aldus de vervoerder.
4.6.
De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder met de door hem overgelegde stukken zijn toelichting daarop voldoende heeft onderbouwd dat de vertraging van vlucht UA70 van New York naar Amsterdam voor de duur van 70 minuten het gevolg was van een sluiting van het platform vanwege slechte weersomstandigheden op de luchthaven. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit een omstandigheid die niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij had daar ook geen invloed op. Daarom was de vertraging van vlucht UA70 voor de duur van 70 minuten het gevolg van buitengewone omstandigheden. De vervoerder heeft eveneens voldoende onderbouwd dat deze vertraging doorwerkte op de vlucht in kwestie. De vervoerder heeft echter onvoldoende toegelicht wat de oorzaak was van de overige vertraging van de vlucht in kwestie en waardoor deze uiteindelijk is opgelopen tot 1 uur en 54 minuten. Daarom kan niet worden geoordeeld dat de rest van de vertraging van de vlucht in kwestie eveneens het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden.
4.7.
Omdat de vertraging van de vlucht de vlucht deels door een buitengewone omstandigheid en deels door andere oorzaken is veroorzaakt, moet worden vastgesteld of de passagier haar aansluitende vlucht zou hebben gehaald zonder de buitengewone omstandigheid. De vlucht is met een vertraging van 1 uur en 54 minuten, om 13:29 uur, in New York aangekomen. Zonder de buitengewone omstandigheid van 70 minuten zou de vlucht dus om 12:19 uur in New York zijn aangekomen. De aansluitende vlucht stond gepland om om 13:35 uur te vertrekken. De vervoerder en de passagier hebben allebei niet gesteld dat de aansluitende vlucht op een ander moment dan gepland is vertrokken.
4.8.
De kantonrechter kan echter niet beoordelen in hoeverre de passagier deze overstap in dat geval gehaald zou hebben omdat vervoerder niet heeft gesteld wat de minimumoverstaptijd (MCT) op de luchthaven van New York bedraagt. Daarom kan ook niet worden geoordeeld dat de uiteindelijke langdurige vertraging van de passagier op de eindbestemming het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Dit betekent dat het verweer van de vervoerder niet slaagt en de vordering van de passagier wordt toegewezen.
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom eveneens toewijsbaar met ingang van de datum waarop de passagier schade heeft geleden, zijnde de datum waarop de passagiers op de eindbestemming hadden moeten aankomen. Het betreft hier een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade direct opeisbaar is. Het verzuim treedt dus zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf 16 mei 2018.
4.10.
De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft deze vordering betwist. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagier heeft voldoende onderbouwd dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Het primair gevorderde bedrag is hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. De kantonrechter zal de vordering daarom toewijzen tot het wettelijke tarief, namelijk € 108,90 (inclusief btw), en voor het overige.
4.11.
De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagier heeft daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Zij heeft niet gesteld dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum had.
4.12.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 708,90, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 600,00 vanaf 16 mei 2018, en over € 108,90 vanaf 20 april 2020, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 100,89;griffierecht € 236,00;salaris gemachtigde € 270,00
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 67,50 aan nakosten, voor zover de passagier daadwerkelijk nakosten zal maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Artikel 7 van de Verordening.
Artikel 5 lid 3 van de Verordening.
Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771.
Artikel 6:83 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW).