Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-09
ECLI:NL:RBNHO:2025:721
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,551 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 11300080 \ CV EXPL 24-2453
Uitspraakdatum: 9 januari 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap Infomedics B.V., mede handelend onder de namen Infomedics Factoring, UwNota.nl, DFA Services en Infomedics DFA
gevestigd te Almere
eiseres
gemachtigde: Bosveld Incasso en Gerechtsdeurwaarders
tegen
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde
procederend in persoon
De zaak in het kort
Eiseres vordert in deze zaak betaling van een factuur voor zorgkosten. De kantonrechter wijst de vordering toe, omdat gedaagde heeft erkend dat hij de factuur nog moet betalen. Gedaagde wordt ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten, omdat die kosten niet onnodig zijn gemaakt en ook niet onredelijk zijn.
1Het procesverloop
1.1.
Eiseres heeft bij dagvaarding van 14 augustus 2024 een vordering tegen gedaagde ingesteld. Gedaagde heeft mondeling en schriftelijk geantwoord.
1.2.
Eiseres heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna gedaagde een schriftelijke reactie heeft gegeven.
Feiten
2.1.
Gedaagde heeft een geneeskundige behandeling gehad bij Dentalzorg Tandheelkunde/ Mondzorg Adalat B.V. (hierna: Dentalzorg). Dentalzorg heeft de uit die behandeling voort-vloeiende vordering gecedeerd aan eiseres.
2.2.
Op 12 februari 2024 heeft eiseres voor de behandeling bij Dentalzorg een factuur ver-zonden aan gedaagde, ter hoogte van € 651,84. Ondanks sommaties heeft gedaagde de fac-tuur niet betaald.
3De vordering en het verweer
3.1.
Eiseres vordert dat de kantonrechter gedaagde veroordeelt tot betaling van € 651,84, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten. Aan de vordering legt eiseres ten grondslag – kort weergegeven – dat gedaagde de factuur van 12 februari 2024, ondanks sommaties, niet tijdig heeft betaald.
3.2.
Gedaagde voert verweer. Gedaagde erkent dat hij de factuur voor de zorgkosten nog moet betalen, maar hij vindt dat hij geen proceskosten hoeft te betalen. Volgens gedaagde zijn de proceskosten onnodig gemaakt, omdat de procedure voorkomen had kunnen worden als eiseres had gereageerd op zijn verzoeken om een betalingsregeling. Verder wijst ge-daagde erop dat hij door betalingsonmacht niet in één keer kan betalen.
Beoordeling
4.1.
Niet in geschil is dat gedaagde de factuur voor zorgkosten van € 651,84 nog moet betalen.
4.2.
Het verweer van gedaagde dat hij de factuur van eiseres niet in één keer kan betalen vanwege zijn financiële omstandigheden, kan niet slagen. Die financiële omstandigheden, hoe vervelend ook, komen voor rekening en risico van gedaagde en ontslaan hem niet van zijn betalingsverplichting.
4.3.
De kantonrechter zal gedaagde dus veroordelen tot betaling van de factuur van € 651,84.
4.4.
Gedaagde wordt ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten, omdat hij ongelijk krijgt.
4.5.
De kantonrechter volgt gedaagde niet in zijn verweer dat de proceskosten onnodig zijn gemaakt of onredelijk. Dat eiseres niet heeft gereageerd op verzoeken van gedaagde om een betalingsregeling, is op zichzelf geen reden om te oordelen dat de proceskosten onnodig of onredelijk zijn. Eiseres heeft immers geen wettelijke verplichting om in te stemmen met een betaling in gedeelten of met een betalingsregeling. Het stond eiseres daarom vrij om tot dag-vaarding over te gaan, nadat was gebleken dat gedaagde ondanks aanmaning niet tot betaling overging.
4.6.
Verder blijkt uit de stukken dat gedaagde met een e-mail van 3 juni 2024, gericht aan incassobureau CMIB, een betalingsregeling heeft voorgesteld, waarop door CMIB met een e-mail van 3 juli 2024 is gereageerd met de mededeling dat de vordering al was overgedragen aan de huidige gemachtigde van eiseres. Vervolgens heeft gedaagde pas op 21 augustus 2024 een e-mail heeft gestuurd aan de gemachtigde van eiseres, toen al tot dagvaarding was over-gegaan en overigens zonder dat daarbij een (nieuw) voorstel voor een betalingsregeling is gedaan. Van andere of eerdere voorstellen voor een betalingsregeling is niet gebleken. Er kan eiseres dus niet worden verweten dat zij voorafgaand aan de dagvaarding niet is ingegaan op een voorstel voor een betalingsregeling.
4.7.
De proceskosten van eiseres worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding € 113,54
- griffierecht € 328,00
- salaris gemachtigde € 270,00 (2 punten x € 135,00)
Totaal € 711,54.
4.8.
Gedaagde heeft de kantonrechter verzocht hem alsnog in de gelegenheid te stellen de vordering in termijnen te betalen. De wet biedt de kantonrechter echter niet de mogelijkheid om eiseres een betalingsregeling op te leggen. Voor het treffen van een regeling en het maken van afspraken daarover, moet gedaagde contact opnemen met (de gemachtigde van) eiseres.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van € 651,84, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 651,84 vanaf 2 juli 2024 tot de dag van de gehele betaling;
5.2.
veroordeelt gedaagde tot betaling van de proceskosten die tot en met vandaag voor eiseres worden vastgesteld op € 711,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Artikel 6:29 van het Burgerlijk Wetboek.