Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-08
ECLI:NL:RBNHO:2025:684
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,480 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/358587 / JU RK 24-1637
Datum uitspraak: 8 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen de GI, gevestigd te Haarlem,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van 29 oktober 2024 met bijlagen, ontvangen op 5 november 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder,
- [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont sinds 1 december 2024 bij de moeder en haar stiefvader in de [verblijfplaats] ( [verblijfplaats] ). [de minderjarige] verbleef daarvoor in het gezinshuis [gezinshuis] in [plaats] .
2.3.
[de minderjarige] is op 14 januari 2019 onder toezicht gesteld van de GI. Op 3 juni 2019 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend. De maatregelen zijn nadien steeds verlengd, laatstelijk tot 14 januari 2025.
2.4.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI om het gezag van de moeder over [de minderjarige] te beëindigen op 26 juli 2024 afgewezen.
2.5.
De moeder is ook de moeder van de tweeling [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] . [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] verblijven in het gezinshuis [gezinshuis] in [plaats] . De rechtbank heeft het gezag van de moeder over [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] op 26 juli 2024 beëindigd.
2.6.
De moeder is ook de moeder van de tweeling [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum] . [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] wonen bij de moeder en hun vader in de [verblijfplaats] .
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft hieraan ten grondslag gelegd dat [de minderjarige] , die sinds 2019 met [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] in het gezinshuis heeft gewoond, sinds kort weer bij de moeder woont. Bij de beschikking van 26 juli 2024 is voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] bepaald dat het perspectief bij het gezinshuis ligt, terwijl voor [de minderjarige] is bepaald dat haar perspectief bij de moeder ligt. Daarmee is tegemoet gekomen aan de langgekoesterde en consistente wens van [de minderjarige] om weer bij de moeder te wonen. De verlenging van de ondertoezichtstelling is nodig om de thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder te begeleiden om de kans op een duurzame hereniging te vergroten. [de minderjarige] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] zijn op 17 september 2024 in het gezinshuis door de moeder geïnformeerd over de perspectiefuitspraak van de kinderrechter. [de minderjarige] heeft daar blij op gereageerd. Ze vindt het fijn dat ze op haar huidige school kan blijven en begrijpt dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] in het gezinshuis blijven. De moeder verblijft in de [verblijfplaats] . De [verblijfplaats] biedt voor kinderen in de opvang het programma ‘Veerkracht’, gericht op de veiligheid en ontwikkeling van kinderen in de [verblijfplaats] . De [verblijfplaats] heeft in de herfstvakantie 2024 kennis gemaakt met [de minderjarige] en ondersteunt de moeder richting een eigen woning. Om een aanmelding voor een eigen woonplek te kunnen doen is één van de voorwaarden dat er twee jaar ambulante ondersteuning komt voor het gezin. Dit moet georganiseerd worden vanuit een samenwerkende/ingekochte partij. Aankomende tijd zal onderzocht worden of het Leger des Heils de ambulante ondersteuning op zich kan nemen. Het is nog onduidelijk wanneer de moeder kan uitstromen naar een eigen woning. De [verblijfplaats] ondersteunt de moeder ook op financieel vlak en werkt samen met het CJG. De hulpverlener van het CJG zal bij het volgende overleg aansluiten om te onderzoeken op welke termijn zij het stokje van de GI kunnen overnemen zodat de hulpverlening in het vrijwillig kader kan worden voortgezet.
Daarnaast is systemische gezinsondersteuning nodig voor [de minderjarige] . Vanaf het moment dat [de minderjarige] wist dat ze weer bij de moeder zou gaan wonen heeft ze zich afgezet tegen het gezinshuis. [de minderjarige] kreeg meer conflicten op school en in het gezinshuis, liet zich moeilijker sturen, verzorgde zich slechter en ging slechter eten. Dit kan een manier zijn om makkelijker los te komen van het gezinshuis, maar de verzorging en het eetgedrag van [de minderjarige] vraagt nog wel de nodige aandacht de komende periode. Sinds december 2024 woont [de minderjarige] volledig bij de moeder. Om de bovengenoemde systemische ondersteuning van de grond te krijgen is er afstemming met verschillende consortia geweest om te onderzoeken welke partij dit kan bieden. De inzet van deze ondersteuning blijkt een flinke puzzel te zijn daar de verschillende zorgaanbieders deze opdracht niet willen aannemen omdat zij teveel risico`s zien in deze thuisplaatsing. Dit maakt dat tot op heden deze ondersteuning nog niet van de grond is gekomen. Het gezin staat sinds november 2024 wel op de wachtlijst voor systemische gezinsondersteuning, naar verwachting duurt het nog een half jaar tot een jaar tot dit begint. Naast de opvoedbehoefte van [de minderjarige] is het belangrijk dat er aandacht is voor de draagkracht van de moeder. De moeder heeft een belaste voorgeschiedenis waarbij zij onvoldoende heeft geleerd haar emoties te hanteren. Bij de affectieve en pedagogische vaardigheden lijkt de moeder problemen te hebben met het afstemmen op de emotionele behoeftes van de kinderen. De moeder is hierin nog lerende. Een belemmerende factor hierbij is dat zij niet kan terugvallen op haar eigen affectieve ervaringen en niet geleerd heeft om op een emotioneel evenwichtig niveau aan te sluiten.
Het mag niet onderschat worden wat het van [de minderjarige] vraagt om afscheid te nemen van het gezinshuis, de zorg voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] volledig over te laten aan de gezinshuisouders en zich in een nieuw systeem te voegen waarbij er nog geen stabiele woonsituatie is en er ook nog geen zicht is op welke termijn er een woning beschikbaar komt. De combinatie van de huidige ondersteuningsbehoefte van [de minderjarige] hierin, de zorgen om haar coping mechanisme, de draagkracht van de moeder, waarbij zij nog lerende is in haar affectieve en pedagogische vaardigheden, en het ontbreken van hulpverlening die de moeder en [de minderjarige] systemisch kan ondersteunen maakt dat de GI het afsluiten van de ondertoezichtstelling onder de huidige omstandigheden nog niet passend vindt. De verwachting van de rechtbank, dat passende hulp tijdig ingezet zou worden, met een positief effect tot gevolg, is helaas niet uitgekomen. De GI hoopt de aankomende maanden de tijd te krijgen om met de moeder en [de minderjarige] te kunnen werken aan een hereniging waarbij er aandacht is voor de juiste ondersteuning en er met een goed borgingsplan toegewerkt kan worden naar hulpverlening in het vrijwillig kader.
4De standpunten
4.1.
De moeder is het niet eens met het verzoek van de GI. Het gezin wordt al uitvoering gemonitord door de [verblijfplaats] en de ambulante begeleiding zodat een ondertoezichtstelling niet meer nodig is. Als er zorgen zijn is er voldoende hulpverlening betrokken om dit op te pikken, de moeder wil niet nog meer hulpverlening. Als de ondertoezichtstelling wordt verlengd heeft de moeder dit liever voor een kortere periode.
4.2.
[de minderjarige] is heel blij dat ze weer bij de moeder woont. [de minderjarige] heeft de afgelopen vijf jaar zo veel hulpverleners gezien dat ze er nu wel klaar mee is. Ze is het daarom niet eens met de ondertoezichtstelling. [de minderjarige] vindt het heel belangrijk dat ze bij de moeder kan blijven wonen, daar is wat haar betreft geen hulpverlening bij nodig, maar ze zal er wel aan meewerken.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
De kinderrechter overweegt dat uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting blijkt van een concrete ontwikkelingsbedreiging, eruit bestaande dat [de minderjarige] moeite heeft met het reguleren van emoties zoals boosheid en angst, zij de laatste tijd zelfbepalend en externaliserend gedrag laat zien en er sprake is van hechtingsproblematiek. Daarnaast zijn er zorgen over haar coping mechanisme en haar zelfzorg. Daar komt bij dat [de minderjarige] nog maar net afscheid heeft genomen van het gezinshuis en van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] en zich nog maar kort bevindt in een nieuwe gezinssituatie bij de moeder, haar partner en de jongste tweeling [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] in de [verblijfplaats] , zonder zicht op een termijn waarop het gezin kan uitstromen naar een eigen woning. Deze gezinssituatie is ook nieuw voor de moeder die bovendien een beperkte draagkracht heeft en nog lerende is in haar affectieve en pedagogische vaardigheden. Vanwege de nieuwe gezinssituatie en de huidige woonsituatie is er systemische ondersteuning nodig.
5.3.
Een gedwongen kader is nu nog noodzakelijk om de terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder van de juiste ondersteuning te kunnen voorzien. De belangrijkste doelen binnen de ondertoezichtstelling zijn het opstarten van de ambulante ondersteuning voor [de minderjarige] en de systemische gezinsondersteuning en het voortzetten van de hulpverlening van de moeder. De hulpverlening is erop gericht om de hereniging tussen [de minderjarige] en de moeder zo goed mogelijk te laten verlopen, zodat [de minderjarige] daar tot haar volwassenheid kan blijven wonen en zich zo goed mogelijk kan ontwikkelen. Zodra de benodigde hulpverlening is gestart en positief verloopt kan wellicht met een borgingsplan worden toegewerkt naar hulpverlening in het vrijwillig kader.
5.4.
Ten slotte lijkt de verwachting gerechtvaardigd dat de moeder binnen een gelet op de persoon en ontwikkeling van de kinderen aanvaardbaar te achten termijn, in staat zal zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen.
5.5.
De kinderrechter verlengt gelet op de aard van de problematiek en de noodzakelijk in te zetten hulpverlening, de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de maatregel direct ingaat, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] , geboren [geboortedatum] , tot 14 januari 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2025 door mr. M.C.A Onderwater, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.E.J. van Schie als griffier, en op schrift gesteld op 22 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Artikel 1:260, eerste lid, BW.