Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-06-18
ECLI:NL:RBNHO:2025:6774
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,428 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11388009 \ CV EXPL 24-7768
Uitspraakdatum: 18 juni 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
wonende te [plaats]
eiser
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: mr. B.W. Floris (Yource B.V.)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Austrian Airlines AG
gevestigd te Wenen (Oostenrijk)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. J. Nooij & mr. N. van der Graaf (Russell Advocaten)
De zaak in het kort
De passagier heeft van de vervoerder (onder meer) compensatie gevraagd voor een meer dan drie uur vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden. De passagier heeft zijn vordering met betrekking tot de hoofdsom ingetrokken. De kantonrechter volgt de vervoerder in zijn stelling dat hij de passagier niet nodeloos heeft gedwongen tot het opstarten van deze procedure. Daarom worden de nevenvorderingen afgewezen.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek, tevens vermindering van eis;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hem op 15 mei 2024 moest vervoeren van Larnaca International Airport (Cyprus) via Vienna Airport (Wenen, Oostenrijk) naar Amsterdam-Schiphol Airport, met de vluchtcombinatie OS838 en OS375.
2.2.
De vervoerder heeft vlucht OS838 van Larnaca naar Wenen (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagier is met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagier heeft daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
De passagier vordert – na vermindering van eis – dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 72,60, althans een in redelijke justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
3.2.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
De passagier heeft bij conclusie van repliek erkend dat hij geen recht heeft op compensatie, omdat de vertraging op de eindbestemming is veroorzaakt door buitengewone omstandigheden. De passagier vordert nog wel de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij niet tot dagvaarding zou zijn overgegaan als hij voorafgaand aan de procedure door de vervoerder in kennis zou zijn gesteld van feiten en omstandigheden die pas in deze procedure bij hem bekend zijn geworden.
4.3.
De kantonrechter overweegt als volgt. De vervoerder heeft voldoende onderbouwd dat hij óók in de buitengerechtelijke fase (onder meer bij e-mail van 17 mei 2024) een beroep op buitengewone omstandigheden heeft gedaan. Het enkele feit dat de vervoerder zijn verweer niet reeds in de buitengerechtelijke fase met stukken heeft onderbouwd, leidt er niet per definitie toe dat de passagier daardoor nodeloos wordt gedwongen een procedure te starten. De passagier heeft ook niet gesteld welke concrete informatie de vervoerder, ondanks daartoe door de passagier te zijn verzocht, niet in de voorfase van de procedure heeft verstrekt maar eerst na het starten van deze procedure. Er is daarom onvoldoende grond voor de stelling dat deze procedure voorkomen had kunnen worden als de vervoerder in een eerder stadium meer informatie zou hebben gegeven. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen daarom worden afgewezen.
4.4.
De passagier zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Daarbij wordt de passagier ook veroordeeld tot betaling van nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de vervoerder worden gemaakt. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 15 dagen na betekening van dit vonnis.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 164,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder;
en veroordeelt de passagier tot betaling van € 41,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 15 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.3.
verklaart dit vonnis – voor wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter