Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-06-04
ECLI:NL:RBNHO:2025:6756
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
9,103 tokens
Inleiding
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/364664 / KG ZA 25-248
Vonnis in kort geding van 4 juni 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap CUSTOMIZED ENERGY SYSTEMS B.V.,
te Helmond,
eisende partij,
hierna te noemen: CES,
advocaat: mr. E.C.B. Adriaanse,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [woonplaats] ,
2. de besloten vennootschap ENDUSO NEDERLAND B.V.,
te Wieringerwerf,
hierna gedaagde sub 1 en sub 2 samen te noemen: [gedaagden sub 1+2] ,
advocaat: mr. E. Hennis,3. de besloten vennootschap [gedaagde sub 3],
te [woonplaats] ,4. [gedaagde sub 4],
te [woonplaats] ,
hierna gedaagde sub 3 en sub 4 samen te noemen: [gedaagden sub 3+4] .
advocaat: mr. M.G. Jansen,
gedaagde partijen,
en vonnis in kort geding van 4 juni 2025
in het incident tot vrijwaring van
1de besloten vennootschap [gedaagde sub 3] ,
te [woonplaats] ,2. [gedaagde sub 4],
te [woonplaats] ,
eisende partijen in vrijwaring,
hierna samen te noemen: [gedaagden sub 3+4] .
advocaat: mr. M.G. Jansen,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [woonplaats] ,
2. de besloten vennootschap ENDUSO NEDERLAND B.V.,
te Wieringerwerf,
gedaagde partijen in vrijwaring,
hierna samen te noemen: [gedaagden sub 1+2] ,
advocaat: mr. E. Hennis.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure in de
hoofdzaak blijkt uit:
- de dagvaardingen van 6 mei 2025 met producties 1-25,
- incidentele conclusie van [gedaagden sub 3+4] strekkende tot(voorwaardelijke) oproeping vrijwaring van [gedaagden sub 1+2]
-reactie van CES op het verzoek tot oproeping in vrijwaring van 8 mei 2025
- de akte tot exceptie van onbevoegdheid van [gedaagden sub 1+2] van 9 mei 2025,
- de reactie van CES op de exceptie van onbevoegdheid van 9 mei 2025,
- de reactie van [gedaagden sub 1+2] op het (voorwaardelijke) vrijwaringsverzoek van 9 mei 2025,
- vonnis in het incident tot vrijwaring van 9 mei 2025, waarbij het verzoek van [gedaagden sub 3+4] is toegestaan.
- de incidentele conclusie van [gedaagden sub 1+2] houdende voorwaardelijk verzoek tot oproeping in vrijwaring van [gedaagden sub 3+4]
- de reactie van CES op het incident tot vrijwaring van [gedaagden sub 1+2] tegen [gedaagden sub 3+4] van 12 mei 2025,
- de repliek van [gedaagden sub 1+2] in de exceptie van onbevoegdheid van 12 mei 2025,
- de reactie van [gedaagden sub 3+4] op het verzoek tot vrijwaring van [gedaagden sub 1+2] van 12 mei 2025,
- de (voorwaardelijke) conclusie van antwoord van [gedaagden sub 1+2] van 13 mei 2025,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [gedaagden sub 3+4] van 13 mei 2025 met producties 1-5.
vrijwaringszaak blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 mei 2025 met producties 1-7
in de hoofd- en vrijwaringszaak:
1.2.
De mondelinge behandeling op 14 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en door CES en [gedaagden sub 3+4] spreekaantekeningen zijn overgelegd.
1.3.
[gedaagden sub 1+2] heeft haar bevoegdheidsverweer ter zitting ingetrokken. Tevens heeft [gedaagden sub 1+2] heeft ter zitting desgevraagd medegedeeld het verzoek om [gedaagden sub 3+4] in vrijwaring op te roepen niet langer te handhaven onder de voorwaarde dat de inhoud van de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring wordt wél als herhaald en ingelast beschouwd. Partijen hadden geen bezwaar tegen deze voorwaarde.
2De uitgangspunten
in de hoofdzaak en in vrijwaring
2.1.
CES ontwikkelt, bouwt en levert oplossingen voor de opslag van energie om de transitie van fossiele energie naar hernieuwbare energiebronnen te ondersteunen. Eén van die oplossingen is een in een zeecontainer gebouwd energie opslag systeem dat bestaat uit een groot aantal in rekken geplaatste lithium-ion batterijen waarin met (onder andere) zonnepanelen gewonnen energie kan worden opgeslagen voor verder (eigen) gebruik en/of handel op de energiemarkt. Het energie opslag systeem vindt ook toepassing in de agrarische sector.
2.2.
Gedaagde sub 1 [gedaagde sub 1] is via zijn houdstervennootschap [houdstervennootschap] B.V. directeur/grootaandeelhouder van gedaagde sub 2, Enduso Nederland B.V.. Enduso Nederland B.V. richt zich op het opwekken, opslaan en verhandelen van op duurzame wijze opgewekte energie, door de vorming van energie hubs te begeleiden en daarover te adviseren.
2.3.
[gedaagden sub 3+4] exploiteert een onderneming onder de handelsnaam Bloomore, welke zich bezighoudt met de teelt van bloembollen en verwerking van groente en fruit.
2.4.
In vervolg op eerdere samenwerkingen offreert CES op 27 maart 2024 aan [gedaagden sub 1+2] , welke offerte op 28 maart 2024 door [gedaagde sub 1] . [e-mailadres] wordt ondertekend. De offerte ziet op de levering, plaatsing en inbedrijfstelling van een energieopslagsysteem (hierna: het systeem) voor € 552.516,08 (inclusief btw). De getekende offerte staat op naam van Enduso Bloomore BV io.
2.5.
CES levert het systeem eind april 2024 af op de [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] , welke grond in eigendom is van Veenakkers Holding B.V.. Op 30 april 2024 factureert CES het systeem aan Enduso Bloomore B.V. io, en vermeldt daarbij:
“100% aanbetaling D24O50 ivm directe levering” en “betaling binnen 30 dagen”.
2.6.
Op de koopovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van CES van toepassing verklaard. De algemene voorwaarden voorzien in de verschuldigdheid van de wettelijke handelsrente (artikel 12 lid 4), vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van 15% over het openstaande bedrag (artikel 12 lid 4) en een eigendomsvoorbehoud van CES totdat alle vorderingen van CES zijn voldaan met daarbij het recht van CES om het systeem buiten de macht van de opdrachtgever te brengen totdat al haar vorderingen volledig zijn voldaan. (artikel 12 lid 8).
2.7.
Enduso Nederland B.V. verricht in april 2024, augustus 2024 en februari 2025 enkele deelbetalingen aan CES. Van de hoofdsom staat nadien nog een bedrag van € 359.366,08 (inclusief btw) open.
2.8.
CES stuurt meerdere betalingsherinneringen. [gedaagden sub 1+2] zegt meermaals toe voor betaling zorg te dragen maar komt de toezeggingen niet na. Op 4 maart 2025 en 10 maart 2025 stuurt mr. Adriaanse namens CES betalingssommaties aan [gedaagden sub 1+2] . Ook dit heeft niet tot verdere betaling geleid. Op 18 maart 2025 kondigt CES bij [gedaagden sub 1+2] aan dat het systeem op 19 maart 2025 om 10.00 uur op afstand wordt uitgeschakeld, met een kopie aan [gedaagden sub 3+4] . Vanwege het uitblijven van een betaling schakelt CES het systeem op 19 maart 2025 uit.
2.9.
Op 26 maart 2025 kondigt CES bij [gedaagden sub 1+2] en [gedaagden sub 3+4] aan het systeem op te komen halen, en verzoekt zij te bevestigen dat het systeem uiterlijk 31 maart 2025 gereed staat om te worden opgehaald. Een bevestiging blijft uit. Een gemachtigde van Enduso Nederland B.V. reageert op 28 maart 2025 met de mededeling dat er een financieel geschil met [gedaagde sub 3] /Bloomore en dat partijen niet tot een vergelijk zijn gekomen.
in vrijwaring
2.10.
Op 11 maart 2024 stuurt Enduso Nederland B.V. een eerste factuur aan “Bloomore T.a.v. de heer [gedaagde sub 4] ” ter hoogte van € 484.000,00 (inclusief btw), gevolgd door een tweede factuur op 11 september 2024 voor een bedrag van € 30.250,00 inclusief btw, met daarop de vermelding “laatste betaling”. Als omschrijving staat vermeld: “Qwell batterij 1 MW / 1 MWh CIF”.
2.11.
Op 28 januari 2025 stuurt [gedaagde sub 4] (“ [gedaagde sub 4] /Bloomore”) een e-mail aan [gedaagde sub 1] waarin hij het volgende schrijft:“(…) De batterij is zoals afgesproken op basis van 50/50 van de 850K. In de 850K zit zoals besproken, interne aanpassing (Sercom), software (EMS), installatie, noodaggregraat ect ect. Jouw vraag aan ons is, om de gehele batterij over te nemen, ivm onze (juridische) samenwerking. (…) Wij hebben gekeken naar de financiële mogelijkheden. Aangezien de vraag, om Enduso, haar 50% over te nemen, recentelijk is gesteld en wij daar geen rekening mee hebben gehouden in onze begroting van 2025, heeft Bloomore geen ruimte het deel van Enduso over te nemen. (…)”
2.12.
Op 12 mei 2025 stuurt de advocaat van [gedaagden sub 3+4] een brief aan [gedaagden sub 1+2] waarin [gedaagden sub 1+2] wordt gesommeerd om zorg te dragen voor de restantbetaling aan CES.
Geschil
in de hoofdzaak
in conventie
3.1.
CES vordert samengevat:
I. veroordeling van [gedaagden sub 1+2] (hoofdelijk) tot betaling van € 455.774,09 inclusief omzetbelasting, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 359.366,08 vanaf 15 april 2025 tot de dag van algehele betaling en vermeerderd met de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 53.904,91 vanaf 6 mei 2025 tot de dag der algehele betaling,
II. te bevelen – op straffe van een dwangsom - dat elk van de gedaagden ( [gedaagden sub 1+2] en [gedaagden sub 3+4] ) onvoorwaardelijk en op eerste verzoek van CES meewerkt aan het ophalen en afvoeren van het systeem door een door CES, op kosten en voor risico van de gedaagden (hoofdelijk), in te schakelen installateur en transporteur,
III. machtiging te verstrekken aan CES om het voor vervoer gereedmaken en het opladen en vervoeren van het systeem als gevorderd onder II te bewerkstelligen met behulp van een deurwaarder en de sterke arm,
IV. veroordeling van gedaagden (hoofdelijk) in de proceskosten.
3.2.
CES legt aan de vordering het volgende ten grondslag.
Ten aanzien van de geldvordering:
CES en Enduso Bloomore B.V. io zijn op 28 maart 2024 een koopovereenkomst aangegaan op basis waarvan Enduso Bloomore B.V. io uiterlijk 30 mei 2024 een bedrag van € 552.516,08 (inclusief btw) aan CES moest voldoen. Tot heden is de koopsom niet tijdig en volledig voldaan, en staat er nog een bedrag van € 359.366,08 (inclusief btw) open. Daar komen de (handels)rente en buitengerechtelijke kosten nog bij, waardoor de totale vordering op dit moment neerkomt op € 455.774,09 (inclusief btw).
De opdrachtgever van CES was [gedaagde sub 1] , handelend onder de naam van Enduso Bloomore B.V. io. Omdat deze B.V. nimmer is opgericht, is [gedaagde sub 1] in privé hoofdelijk verbonden. Voor het geval mocht blijken dat niet [gedaagde sub 1] , maar Enduso Nederland B.V. opdrachtgever is geworden stelt CES de vordering tot betaling ook in tegen Enduso Nederland B.V..
Ten aanzien van de gevorderde medewerking tot afgifte van het systeem:
Op basis van het in de algemene voorwaarden opgenomen eigendomsvoorbehoud dient het systeem te worden afgegeven zolang er niet volledig is betaald. Dat [gedaagden sub 3+4] bezitter ter goeder trouw is volgt CES niet, omdat er geen sprake is van een rechtsgeldige levering en eigendomsoverdracht door CES dan wel [gedaagden sub 1+2] aan [gedaagden sub 3+4] . Bovendien heeft [gedaagde sub 1] (als opdrachtgever) het systeem bij CES gekocht, en lijkt [gedaagden sub 3+4] op de hoogte te zijn van de betalingsproblemen van [gedaagde sub 1] . Ook de samenwerkingsovereenkomst tussen [gedaagden sub 1+2] en [gedaagden sub 3+4] (waarop [gedaagden sub 3+4] zich beroept) maakt dit niet anders. Voor zover [gedaagden sub 3+4] aanvoert dat het systeem onroerend is geworden (wat CES betwist) leidt dat derhalve niet tot enig eigendoms- of vorderingsrecht van [gedaagden sub 3+4] , omdat het systeem volgens de instructies van [gedaagde sub 1] is afgeleverd op de grond van Veenakkers Holding B.V. en niet op de grond van [gedaagden sub 3+4] .
3.3.
[gedaagden sub 1+2] voert deels verweer en legt daaraan het volgende ten grondslag.
Ten aanzien van geldvordering:
[gedaagden sub 1+2] erkent de vordering onder I jegens Enduso Nederland B.V.. Voor het overige voert zij verweer en concludeert zij tot afwijzing. [gedaagden sub 3+4] en Enduso Nederland B.V. hebben [gedaagde sub 1] / Enduso Nederland B.V. opdracht gegeven om namens de door hen op te richten B.V. io het systeem te kopen van CES. [gedaagde sub 1] trad hierbij op als direct vertegenwoordiger van [gedaagden sub 3+4] en Enduso Nederland B.V.. Er is geen sprake van een rechtshandeling in eigen naam van [gedaagde sub 1] . Omdat de BV io uiteindelijk niet is opgericht zijn [gedaagden sub 3+4] en Enduso Nederland B.V. beiden partij bij de overeenkomst met CES.
Ten aanzien van de gevorderde medewerking aan afgifte van het systeem:
Deze vordering jegens [gedaagden sub 1+2] dient te worden afgewezen. Nu het systeem is afgeleverd en geïnstalleerd bij [gedaagden sub 3+4] , en [gedaagden sub 1+2] niet langer welkom is op het terrein van [gedaagden sub 3+4] , is [gedaagden sub 1+2] niet bij machte om medewerking te verlenen aan de afgifte van het systeem.
3.4.
[gedaagden sub 3+4] voert verweer en legt daaraan het volgende ten grondslag.
Ten aanzien van de gevorderde medewerking tot afgifte van het systeem:
Primair stelt [gedaagden sub 3+4] dat zij geen partij is bij de overeenkomst tussen CES en [gedaagden sub 1+2] . CES kan dan ook jegens [gedaagden sub 3+4] geen beroep doen op het met [gedaagden sub 1+2] overeengekomen eigendomsvoorbehoud. De vorderingen van CES jegens [gedaagden sub 3+4] dienen dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard of te worden afgewezen.
[gedaagden sub 3+4] heeft een overeenkomst gesloten met [gedaagden sub 1+2] voor de aanschaf van het systeem, en de koopprijs voldaan. Het systeem is vervolgens door CES bij [gedaagden sub 3+4] geleverd. [gedaagden sub 3+4] was niet op de hoogte van de afspraken, zoals het eigendomsvoorbehoud, tussen [gedaagden sub 1+2] en CES. Doordat de levering en plaatsing van het systeem door CES is verricht bij [gedaagden sub 3+4] , mocht zij ervan uitgaan dat alles in orde was en dat zij daarmee het volledig en onbezwaarde eigendom van het systeem heeft gekregen. [gedaagden sub 3+4] is dan ook rechtmatig eigenaar geworden, zodat het eigendomsvoorbehoud niet tegen haar worden ingeroepen.
Subsidiair stelt [gedaagden sub 3+4] dat het eigendomsvoorbehoud is vervallen, nu het geleverde systeem moet worden beschouwd als een onroerende zaak, welke door natrekking eigendom is geworden van de eigenaar van de gronden.
Meer subsidiair doet [gedaagden sub 3+4] een beroep op het retentierecht voor het geval CES jegens haar met succes een beroep doet op het eigendomsvoorbehoud. [gedaagden sub 3+4] mocht vertrouwen op de bevoegdheid van [gedaagden sub 1+2] tot levering. [gedaagden sub 3+4] heeft aan [gedaagden sub 1+2] uit hoofde van een koopovereenkomst een bedrag van € 425.000,- betaald. Als tegenprestatie is het systeem bij [gedaagden sub 3+4] geleverd.
in reconventie
3.5.
[gedaagden sub 3+4] verzoek CES in reconventie -op straffe van een dwangsom- te veroordelen tot het (weder) inschakelen van het systeem, zodat [gedaagden sub 3+4] hiervan volledig en ongehinderd gebruik kan maken. Zij is immers rechtmatig eigenaar geworden. Het is CES niet toegestaan om het systeem buiten werking te stellen. CES handelt op die manier onrechtmatig jegens [gedaagden sub 3+4] . Bovendien lijdt [gedaagden sub 3+4] door de uitschakeling van het systeem enorme schade.
3.6.
CES voert verweer en beroept zich op haar eigendomsvoorbehoud.
in de vrijwaring
3.7.
Voor het geval dat [gedaagden sub 3+4] wordt veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan de afdracht van het systeem, vordert [gedaagden sub 3+4] [gedaagden sub 1+2] te veroordelen tot het dragen van de kosten die gepaard gaan met het ophalen en afvoeren van het systeem. Verder vordert [gedaagden sub 3+4] [gedaagden sub 1+2] te veroordelen tot terugbetaling van het volledige bedrag dat [gedaagden sub 3+4] aan Enduso Nederland B.V. heeft betaald ter voldoening van de facturen van 11 maart 2024 en 11 september 2024, met veroordeling van [gedaagden sub 1+2] hoofdelijk in de kosten van het geding van de hoofdzaak en de kosten van het geding in vrijwaring.
Beoordeling
in de hoofdzaak
in conventie
betaling geldsom ad € 455.774,09 inclusief btw
4.1.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagden voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de rechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
4.2.
Enduso Nederland B.V. heeft de vordering erkend, zodat de vordering jegens haar toewijsbaar is. De vraag die resteert is of [gedaagde sub 1] in privé ook contractspartij is bij de overeenkomst met CES, zoals gesloten op 28 maart 2024 en hij uit dien hoofde kan worden aangesproken op betaling van het nog openstaande bedrag. De voorzieningenrechter is van oordeel van niet, en hij legt hierna uit hoe hij tot deze beslissing is gekomen.
4.3.
De offerte van CES was gericht aan Enduso Bloomore B.V. io. Bij de Kamer van Koophandel blijkt geen vennootschap bekend met de naam Enduso Bloomore B.V. noch is een onderneming met die handelsnaam ingeschreven. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat de B.V. nimmer is opgericht. Omdat de offerte door [gedaagde sub 1] is ondertekend, stelt CES dat [gedaagde sub 1] in persoon opdrachtgever van CES was, en daarmee hoofdelijk verbonden is voor de namens de vennootschap in oprichting verrichte rechtshandelingen (artikel 2:203 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW). Voorshands is de voorzieningenrechter van oordeel dat [gedaagde sub 1] niet in privé namens Enduso Bloomore B.V. io de offerte heeft getekend. Er zijn immers voldoende aanwijzingen waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde sub 1] in hoedanigheid van (indirect) bestuurder van Enduso Nederland B.V. heeft getekend en dat CES dat redelijkerwijs ook zo heeft moeten begrijpen. Zo heeft [gedaagde sub 1] de offerte ondertekend met vermelding van zijn e-mailadres bij Enduso, te weten: [e-mailadres] en zijn de deelbetalingen op de hoofdsom aan CES allen verricht vanaf de bankrekening van Enduso Nederland B.V.. CES heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat [gedaagde sub 1] in persoon de bedoelde offerte heeft getekend.
4.4.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering tot betaling van de geldsom van € 455.774,09 (inclusief btw) tegen Enduso Nederland B.V. zal worden toegewezen en de vordering tegen [gedaagde sub 1] zal worden afgewezen.
afgifte van het systeem
4.5.
CES vordert ook afgifte van het systeem. De vraag die hierbij dient te worden beantwoord, is wie op dit moment als eigenaar heeft te gelden van het systeem.
4.6.
CES stelt eigenaar te zijn gebleven. Vanwege het uitblijven van betaling van het restant van de hoofdsom doet zij een beroep op het in de algemene voorwaarden bij de offerte bedongen eigendomsvoorbehoud. In artikel 12 lid 8 van haar algemene voorwaarden staat het volgende opgenomen:
“8. Totdat de opdrachtgever al het door hem aan EXIDE-CES verschuldigde volledig heeft voldaan, blijft EXIDE-CES eigenaar van alle door EXIDE-CES aan de opdrachtgever geleverde goederen (…) EXIDE-CES heeft het recht de goederen (…) geheel of gedeeltelijk buiten de macht van de opdrachtgever te brengen totdat al haar vorderingen volledig zijn voldaan.”.
4.7.
Ook [gedaagden sub 3+4] stelt het eigendom te hebben en beroept zich hierbij op meerdere gronden. [gedaagden sub 3+4] stelt primair dat [gedaagden sub 1+2] het systeem aan haar heeft verkocht en geleverd en dat zij daardoor te goeder trouw eigenaar is geworden van het systeem. Anders dan [gedaagden sub 3+4] stelt, is de voorzieningenrechter van oordeel, dat uit de overgelegde facturen van Enduso Nederland B.V. aan [gedaagden sub 3+4] van 11 maart 2024 en 11 september 2024 niet kan worden afgeleid dat er sprake is van een koopovereenkomst tot verkoop van het systeem aan [gedaagden sub 3+4] . [gedaagden sub 1+2] heeft in dit verband én betwist dat de facturen niet volledig zijn betaald (€ 65.000,- staat nog open) én betwist dat zij het systeem aan [gedaagden sub 3+4] heeft verkocht. Daarbij heeft [gedaagden sub 1+2] tegenover CES in een e-mail van 28 februari 2025 aangegeven dat Enduso eigenaar is en dat er geen contract met [gedaagden sub 3+4] of Bloomore is (zie productie 22 aan de zijde van CES). Bovendien strookt de stelling van [gedaagden sub 3+4] dat zij eigenaar is geworden van het systeem door betaling van een koopsom niet met de inhoud van de e-mail aan [gedaagde sub 1] van 28 januari 2025 waarin [gedaagde sub 4] heeft aangegeven dat zij beiden voor 50% eigenaar zijn van het systeem en dat hij het aandeel van [gedaagden sub 1+2] in de batterij niet kan overnemen omdat daarvoor geen financiële ruimte is (zie hierboven onder 2.11 waarin de e-mail van 28 januari 2025 volledig wordt weergegeven). Dat brengt mee dat [gedaagden sub 3+4] zichzelf ook niet als (volledig) eigenaar van het systeem zag en hij zich dus ook als bezitter te goeder kan beschouwen. Hooguit is hij houder van het systeem. Dat er nadien andere afspraken zijn gemaakt tussen [gedaagden sub 1+2] en [gedaagden sub 3+4] is niet inzichtelijk gemaakt, en kan dan ook niet zonder nader onderzoek worden vastgesteld. Hiervoor is in een kort geding geen plaats. In dit geding moet de voorzieningenrechter het ervoor houden dat [gedaagden sub 3+4] geen bezitter te goeder trouw is die bescherming verdient tegenover CES.
4.8.
Verder stelt [gedaagden sub 3+4] zich op het standpunt dat zij eigenaar is geworden omdat het systeem moet worden aangemerkt als een onroerende zaak. Door natrekking is het systeem daarmee eigendom geworden van de eigenaar van de grond waarop het systeem zich bevindt.
4.9.
Artikel 3:3 lid 1 BW bepaalt dat als onroerend onder meer moet worden aangemerkt de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken.
4.10.
De vraag die dient te worden beantwoord is of het systeem duurzaam met de grond is verenigd. Hierbij zijn de maatstaven uit het Portacabin-arrest leidend. De Hoge Raad heeft daarin bepaald dat:
a. een gebouw duurzaam met de grond verenigd kan zijn in de zin van artikel 3:3 BW, doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Niet van belang is dan meer dat technisch de mogelijkheid bestaat om het bouwsel te verplaatsen;
b. bij beantwoording van de vraag of een gebouw of een werk bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten kenbaar is;
c. de bestemming van een gebouw of een werk om duurzaam ter plaatse te blijven naar buiten kenbaar dient te zijn;
d. dat de verkeersopvattingen - anders dan voor de vraag of iets een bestanddeel van een zaak is in de zin van artikel 3:4 BW - niet kunnen worden gebezigd als een zelfstandige maatstaf voor de beoordeling van de vraag of een zaak roerend of onroerend is.
Conclusie
4.14.
Op grond van de algemene voorwaarden is CES eigenaar van het systeem tot dat het volledig is betaald. Vaststaat dat er niet volledig is betaald. Niet gesteld of gebleken is dat het beroep van CES op haar algemene voorwaarden onredelijk is of in strijd met de redelijkheid en billijkheid. CES doet dan ook een gerechtvaardigd beroep op het eigendomsvoorbehoud en is daarmee gerechtigd om het systeem uit de macht te brengen van degene die het onder zich heeft. [gedaagden sub 3+4] dan wel Enduso Nederland B.V. zullen als houder van het systeem (zij zijn geen eigenaar of bezitter te goeder trouw) het eigendomsvoorbehoud tegen zich moeten laten gelden. De voorzieningenrechter zal de vorderingen ten aanzien van de gevorderde medewerking tot afgifte van het systeem dan ook toewijzen, behoudens de vordering jegens [gedaagde sub 1] in privé.
dwangsom en machtiging hulp deurwaarder en sterke arm
4.15.
De gevorderde dwangsom, die als hierna vermeld zal worden gemaximeerd, zal als prikkel tot nakoming worden toegewezen. Voor het geval partijen geen medewerking verlenen aan de afgifte van het systeem, zal naast de financiële prikkel, ook de gevorderde machtiging voor tenuitvoerlegging met hulp van de deurwaarder en inschakeling van de sterke arm worden toegewezen
proceskosten
4.16.
Enduso Nederland B.V. en [gedaagden sub 3+4] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CES worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
123,08
- griffierecht
€
6.861,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
8.269,08
4.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.18.
De veroordelingen worden (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
in reconventie
4.19.
Omdat CES een geslaagd beroep op haar eigendomsvoorbehoud toekomt, zal de vordering in reconventie worden afgewezen.
in de (voorwaardelijke) vrijwaring
4.20.
De voorwaarde waaronder [gedaagden sub 1+2] door [gedaagden sub 3+4] in vrijwaring is opgeroepen is vervuld zodat de voorzieningenrechter de vorderingen van [gedaagden sub 3+4] tegen [gedaagden sub 1+2] zal dienen te beoordelen.
4.21.
De vorderingen van [gedaagden sub 3+4] tegen [gedaagden sub 1+2] vinden hun grondslag in de gestelde koopovereenkomst van een Qwell 1 MW/ 1 MH CIFbatterij. [gedaagden sub 3+4] stelt zich op het standpunt dat [gedaagden sub 1+2] zich jegens haar te kort schiet in de nakoming van de koopovereenkomst als het aan haar verkochte systeem wordt weggehaald door CES. Reeds bij voorbaat heeft [gedaagden sub 3+4] de ontbinding van de koopovereenkomst ingeroepen en maakt om die reden ook aanspraak op terugbetaling van hetgeen zij aan [gedaagden sub 1+2] heeft betaald.
4.22.
[gedaagden sub 1+2] heeft betwist dat zij het systeem aan [gedaagden sub 3+4] heeft verkocht. Zij stelt zich op het standpunt dat zij het systeem heeft gekocht als vertegenwoordiger van [gedaagden sub 1+2] en [gedaagden sub 3+4] die samen een vennootschap zouden oprichting waar het systeem zou worden ingebracht en de totaalkosten van het systeem (€ 850.000,-) gelijkelijk zouden worden gedeeld. Volgens [gedaagden sub 1+2] is [gedaagden sub 3+4] haar verplichtingen uit de samenwerkingsovereenkomst niet nagekomen.
4.23
De voorzieningenrechter constateert dat partijen het over essentiële stellingen niet eens zijn (de inhoud van de samenwerking en de vraag of het systeem door [gedaagden sub 3+4] is gekocht van [gedaagden sub 1+2] ). Het antwoord op de vraag wat er is afgesproken over de samenwerking tussen partijen, wie voor wie het systeem zou aanschaffen bij CES en op grond van welke afspraken [gedaagden sub 3+4] betalingen aan [gedaagden sub 1+2] heeft gedaan naar aanleiding van een tweetal facturen kan in dit kort geding niet met voldoende zekerheid worden gegeven. Daarvoor is nader onderzoek en bewijs nodig waar dit geding zich niet voor leent. Een bodemprocedure is daarvoor de aangewezen weg. Om die reden zal de voorzieningenrechter de vorderingen in vrijwaring afwijzen.
proceskosten
4.24
Vanwege het aandeel van zowel [gedaagden sub 3+4] als [gedaagden sub 1+2] in zowel de hoofdzaak als in vrijwaring, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten van partijen in vrijwaring te compenseren. Ook de vordering van [gedaagden sub 3+4] tot veroordeling van [gedaagden sub 1+2] in de proceskosten van de hoofdzaak, zal om die reden worden afgewezen.
Dictum
De voorzieningenrechter
in de hoofdzaak
5.1.
veroordeelt Enduso Nederland B.V. om aan CES te betalen een bedrag van € 455.774,09 inclusief omzetbelasting, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 359.366,08 vanaf 15 april 2025 tot de dag van algehele betaling en voorts te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 53.904,91 vanaf 6 mei 2025 tot de dag van algehele betaling,
5.2.
beveelt Enduso Nederland B.V., [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] ieder onvoorwaardelijk en op eerste verzoek van CES mee te werken aan het ophalen en afvoeren van het systeem door een door CES daartoe op kosten en voor risico van Enduso Nederland B.V., [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] , hoofdelijk, in te schakelen transporteur, en daartoe eerst door een erkend en deskundig installateur, op kosten en voor risico van Enduso Nederland B.V., [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] , hoofdelijk:
het systeem aan de zijde van de transformator los te (laten) koppelen, zodat dit spanningsloos is, alsmede
de vermogenskabels van het systeem los te (laten) koppelen, alsmede
eventuele beperkingen rondom het systeem, zoals aanrijd beveiligingen, hekken, plantenbakken en/of andere mogelijke obstakels te (laten) verwijderen, zodanig dat een kraan met dieplader en/of een sideloader ongehinderd het systeem kan opladen en vervoeren, alsmede
alles te doen en na te laten en zodanige maatregelen te treffen dat het systeem op de door CES nader aan te geven datum en tijdstip geheel gereed is om ongehinderd en onbelemmerd te worden opgeladen en vervoerd naar een bestemming ter vrije keuze van CES,
en vervolgens de door CES daartoe aangewezen transporteur, op de door CES daartoe aan te geven datum en tijdstip, ongehinderd en onvoorwaardelijk algehele toegang te verlenen tot het terrein waar het systeem zich alsdan bevindt, teneinde het systeem op kosten en voor risico van Enduso Nederland B.V., [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] (hoofdelijk) op te laden en af te voeren naar een door CES daartoe aangewezen locatie,
5.3.
veroordeelt Enduso Nederland B.V., [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] ieder hoofdelijk om aan CES een dwangsom te betalen van € 50.000,00 indien Enduso Nederland B.V., [gedaagde sub 3] of [gedaagde sub 4] , alleen of gezamenlijk, één of meer van de bevelen onder 5.2., zowel gezamenlijk als elk onderdeel daarvan apart, niet tijdig of niet volledig nakomt, vermeerderd met een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Enduso Nederland B.V., [gedaagde sub 3] of [gedaagde sub 4] , alleen of gezamenlijk, één of meer van de bevelen onder 5.2. niet tijdig of niet volledig nakomt, tot een maximum van in totaal € 100.000,00 is bereikt,
5.4.
machtigt CES om het voor vervoer gereed maken en het opladen en vervoeren van het systeem zoals bevolen onder 5.2., zowel alle onderdelen daarvan gezamenlijk als elk onderdeel daarvan afzonderlijk, te bewerkstelligen met behulp van de deurwaarder en de sterke arm, door zich toegang te (doen) verstrekken tot het adres waar het systeem zich bevindt,
5.5.
veroordeelt Enduso Nederland B.V., [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] , hoofdelijk, in de proceskosten van € 8.269,08, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt Enduso Nederland B.V., [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] , hoofdelijk, tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in vrijwaring
5.8.
wijst de vorderingen af,
5.9.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak en in vrijwaring
5.10.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Blokland en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2025.
MKI/JB
Artikel 2:203 lid 2 Burgerlijk Wetboek
HR 31 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2478