Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-06-19
ECLI:NL:RBNHO:2025:6717
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,744 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/5557
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. L.M. Ravestijn),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, het college
(gemachtigde: mr. V. van Toledo).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de last onder dwangsom die aan eisers is opgelegd wegens het oneigenlijk gebruik van een stuk gemeentegrond achter hun tuin en het invorderingsbesluit van 25 oktober 2024. Eisers zijn het niet eens met deze beslissingen. Aan de hand van de beroepsgronden van eisers beoordeelt de rechtbank of het college de last onder dwangsom heeft mogen opleggen en of het college van invordering had moeten afzien.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat sprake is van strijd met het bestemmingsplan waardoor het college in beginsel bevoegd en verplicht is om handhavend op te treden. Het standpunt van eisers dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden van het desbetreffende stuk grond is niet relevant voor de vraag of het college kan handhaven wegens strijd met het bestemmingsplan. Verder is de rechtbank van oordeel dat handhaving in dit geval niet onevenredig is. Niet is gebleken dat sprake is van strijd met het rechtszekerheids- of het gelijkheidsbeginsel. Ook het feit dat eisers het stuk grond al 16 jaar in gebruik hebben is niet voldoende om af te zien van handhaving. Tot slot hebben eisers geen dusdanig bijzondere omstandigheden aangedragen dat het college van de invordering van de dwangsom had moeten afzien. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 20 januari 2022 heeft een controle plaatsgevonden op het perceel van eisers aan de [adres] in [plaats] . Bij die controle is gebleken dat eisers een stuk gemeentegrond achter hun perceel bij hun tuin hebben getrokken. Eisers hebben het stuk gemeentegrond voorzien van tegels, kunstgras en een trampoline en omsloten met een taxushaag.
2.1.
Op 28 maart 2022 heeft het college aan eisers bekend gemaakt dat het voornemens is om een last onder dwangsom op te leggen.
2.2.
Op 2 augustus 2023 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd. De last houdt in dat eisers de overtreding moeten beëindigen op uiterlijk 1 november 2023 door de trampoline, het kunstgras en tegels en de taxushaag te verwijderen. Als eisers niet binnen de termijn aan de last voldoen, wordt een dwangsom van in totaal € 11.000,- verbeurd.
2.3.
Op 13 september 2023 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 augustus 2022.
2.4.
Bij besluit van 4 oktober 2023 is de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de bekendmaking van het bestreden besluit.
2.5.
Met het bestreden besluit van 12 juli 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven.
2.6.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.7.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
Bij besluit van 25 oktober 2024 heeft het college eiser bericht tot invordering van de van rechtswege verbeurde dwangsom van € 11.000,- over te gaan.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2025 op zitting behandeld. Beide partijen hebben zich op de zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Beoordeling
Het bestreden besluit
3. In het bestreden besluit stelt het college zich op het standpunt dat het bezwaar van eisers ongegrond is. Het college verwijst voor de motivering van deze beslissing naar het advies van de vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften van 9 juli 2024. Volgens de adviescommissie is het huidige gebruik van het stuk grond in strijd met het geldende bestemmingsplan ‘ [plaats] ’. Het perceel heeft namelijk de openbare bestemming ‘Groen’ en omdat eisers de grond gebruiken als tuin is er volgens de adviescommissie sprake van een overtreding. Daarnaast is het huidige gebruik van de grond ook in strijd met artikel 6.1 van de Verordening fysiek domein Haarlemmermeer 2024 waarin is bepaald dat het verboden is om een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. Omdat sprake is van een overtreding is het college volgens de adviescommissie in beginsel verplicht om te handhaven. Hiervan wordt alleen afgeweken indien er concreet zicht op legalisatie is of indien handhaving om andere redenen onevenredig zou zijn. Volgens de adviescommissie is hiervan geen sprake in het onderhavige geval. Het college blijft daarom bij het besluit van 2 augustus 2023 waarin de last onder dwangsom is opgelegd.
Toetsingskader
Overgangsrecht in de Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat de overtreding heeft plaatsgevonden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing. Dat betekent dat in dit geval niet de Omgevingswet maar de Wabo zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Bestemmingsplan ‘ [plaats] ’
5. Volgens artikel 18.1 van het bestemmingsplan ‘ [plaats] ’ zijn de voor ‘Groen’ aangewezen gronden bestemd voor:
groen;
wandel- en fietspaden;
speelvoorzieningen;
een evenemententerrein ter plaatse van de aanduiding ‘evenemententerrein’;
en kinderboerderij ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van cultuur en ontspanning – kinderboerderij’;
maatschappelijke voorzieningen ter plaatse van de aanduiding ‘maatschappelijk’;
een parkeerterrein ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’;
bergbezinkbassin;
watergangen;
waterhuishoudkundige voorzieningen;
met daaraan ondergeschikt:
in- en uitritten ten behoeve van de ontsluiting van aanliggende percelen;
uitingen van beeldende kunst.
Verordening fysiek domein Haarlemmermeer 2024
6. Volgens het eerste lid van artikel 6.1 is het verboden zonder vergunning een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
Staat de vraag of eisers door verjaring eigenaar zijn geworden in de weg aan handhaving?
7. Primair stellen eisers zich op het standpunt dat ze door verjaring eigenaar zijn geworden van het desbetreffende stuk grond waardoor het college niet langer bevoegd is om handhavend op te treden. Eisers stellen dat zij de grond al sinds 2007 op dezelfde manier in gebruik hebben.
7.1.
De rechtbank stelt ten eerste vast dat de vraag of eisers eigenaar zijn geworden van de grond niet door de bestuursrechter kan worden beantwoord. Dit is een civielrechtelijke aangelegenheid die uitsluitend door de civiele rechter kan worden beoordeeld en waarover een aparte procedure gevoerd moet worden. Hetzelfde geldt voor de vraag of het college verplicht is de grond aan eisers te verkopen. Omdat dit civielrechtelijke vraagstukken zijn vallen de gronden die daarop betrekking hebben buiten de omvang van het geding en zal de rechtbank deze verder buiten beschouwing laten.
7.2.
Gelet op het voorgaande staat niet vast dat eisers door verjaring eigenaar zijn geworden van het desbetreffende stuk grond. Dit is niet onderbouwd met bijvoorbeeld een civielrechtelijke uitspraak en wordt uitdrukkelijk weersproken door het college. Bovendien heeft het college er terecht op gewezen dat de vraag wie eigenaar is van de grond niet relevant is voor handhaving wegens strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank verwijst voor de onderbouwing van dit oordeel naar rechtsoverweging 3.2. van de uitspraak van 9 februari 2022 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Dit betekent dat, ook als eisers worden gevolgd in hun standpunt dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden van de grond, het huidige gebruik van de grond nog altijd in strijd is met de geldende bestemming ‘Groen’. Daar komt bij dat eisers niet hebben bestreden dat het huidige gebruik in strijd is met de geldende bestemming. Alleen al daarom is het college bevoegd om handhavend op te treden. Eisers worden evenmin gevolgd in de stelling dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan handhaving wegens strijd met het bestemmingsplan in de weg staat. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Het rechtszekerheidsbeginsel
8. Eisers stellen verder dat het handelen van het college ten aanzien van het desbetreffende stuk grond weinig consequent is geweest in de afgelopen jaren. Volgens eisers is het college al ten minste acht jaar op de hoogte van het huidige gebruik en heeft het genoeg gelegenheid gehad om eerder handhavend op te treden. Zo hebben in 2015 grootschalige werkzaamheden plaatsgevonden aan de gemeentelijke groenstrook en is hierbij amper omgekeken naar het stuk grond in kwestie. Voorts hebben eisers in 2019 een verzoek gedaan tot de koop van het stuk gemeentegrond. Dit verzoek is op 9 oktober 2019 afgewezen waarbij eisers zijn verzocht de grond binnen 6 weken te ontruimen. Vervolgens heeft het college tot januari 2022 niets meer van zich laten horen. Volgens eisers heeft het college hiermee de huidige situatie impliciet en expliciet gedoogd waardoor er geen sprake kan zijn van strijd met het bestemmingsplan. Dat het college nu wel wil handhaven is daarom volgens eisers in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt ook niet. De rechtbank wijst er ten eerste op dat uit niets wat eisers hebben aangedragen blijkt dat het college de huidige situatie expliciet heeft gedoogd. Zo is niet gebleken dat er letterlijke toezeggingen gedaan jegens eisers dat niet zou worden gehandhaafd. De rechtbank wijst er verder op dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling de omstandigheid dat het college niet eerder handhavend heeft opgetreden geen grond vormt voor het oordeel dat eisers erop mochten vertrouwen dat het college niet tot handhaving zou overgaan. Dat de gemeente mogelijk al in 2015 op de hoogte was van het strijdige gebruik en niet eerder heeft gehandhaafd, betekent dus niet dat eisers erop mochten vertrouwen dat het college niet zou handhaven of dat het college deze bevoegdheid hiermee heeft prijsgegeven. Het tijdsverloop tussen de eerste constatering van een overtreding en handhaving is daarom niet zonder meer in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
Heeft het college voldoende gemotiveerd welk algemeen belang wordt gediend door te handhaven?
9. Eisers stellen dat er een motiveringsgebrek kleeft aan het bestreden besluit omdat niet is uitgelegd welk algemeen belang er wordt gediend met het opleggen van de last onder dwangsom. Volgens eisers in het juist in het algemeen belang om niet te handhaven omdat de grond nu goed wordt onderhouden.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en de last onder dwangsom en het invorderingsbesluit in stand blijven. Eisers krijgen het griffierecht niet terug en krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2022:418.
Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 7.1 van de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2101.
ECLI:NL:RVS:2025:678.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
Beoordeling
Naar het oordeel van de rechtbank hoeft het college niet in ieder geval afzonderlijk te motiveren welk algemeen belang er is gediend bij handhaving. De veronderstelling is namelijk dat bij handhaving het algemeen belang wordt gediend dat is gelegen in de rechtszekerheid dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025.Het uitgangspunt is daarom dat het college bij een overtreding in beginsel verplicht is tot handhaving tenzij dit onevenredig is. De vraag of handhaving in een concreet geval evenredig is, wordt beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval en zal de rechtbank hieronder beantwoorden.
Het evenredigheidsbeginsel
10. Eisers stellen dat de belangenafweging ontegenzeggelijk in hun voordeel moet uitvallen. Volgens eisers is hun belang evident, namelijk het blijven gebruiken van het stuk grond als tuin zoals zij al 16 jaar doen. Volgens eisers is ook het algemeen belang hierbij gediend omdat het stuk grond nu goed onderhouden wordt en nog steeds deel uitmaakt van het groenbeeld van de publieke leefomgeving. Voor zover er datakabels aanwezig zijn onder het stuk grond, stellen eisers dat zij zelf ook toegang kunnen gegeven tot de grond indien onderhoud aan deze kabels nodig is. Het is daarom onevenredig om eisers te dwingen om de grond te ontruimen.
10.1.
Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Zoals hiervoor is overwogen, is het college in beginsel verplicht om te handhaven en kan hiervan alleen worden afgezien indien dit onevenredig is. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen hiervoor aanleiding geven. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. In dit geval is er geen concreet zicht op legalisatie omdat het college heeft aangegeven hieraan niet te willen meewerken en daarnaast omdat er geen aanvraag tot legalisatie voorligt. Verder is het feit dat eisers de grond al 16 jaar in gebruik hebben, volgens de rechtbank geen dusdanig zwaarwegend belang dat alleen op grond daarvan moet worden afgezien van handhaving.
Het gelijkheidsbeginsel
11. Eisers stellen zich tot slot op het standpunt dat het college in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel door in het geval van de buren op Leden 10 wel een stuk gemeentegrond te verkopen. Eisers wijzen er nogmaals op dat het college hun verzoek tot koop van de grond op 9 oktober 2019 heeft afgewezen. Deze beslissing, samen met het bestreden besluit om handhavend op te treden, achten eisers in strijd met het gelijkheidsbeginsel nu hun buren wel de mogelijkheid is geboden om het stuk gemeentegrond achter hun tuin te kopen. Het enkele feit dat in het stuk gemeentegrond achter de tuin van eisers datakabels aanwezig zijn, is naar de mening van eiser geen reden om het stuk grond niet aan hen te kunnen verkopen.
11.1.
Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Het college heeft gewezen op haar beleid “Kaders en uitgangspunten aanpak oneigenlijk gebruik van gemeentegrond Haarlemmermeer 2023” waaruit volgt dat de gemeentegrond alléén kan worden verkocht als de gemeentegrond nu en in de toekomst niet (meer) nodig is voor gemeentelijke taken of belangen. Uit het beleid volgt ook dat de gemeente geen gemeentegrond verkoopt waarin kabels of leidingen liggen. In het geval van de buren op Leden 10 kon het desbetreffende stuk gemeentegrond volgens het college wel worden verkocht, onder andere omdat er geen kabels of leidingen aanwezig zijn. Dit is anders in het geval van eisers. Gelet hierop is geen sprake van gelijke gevallen waardoor het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen.
De hoogte van de dwangsom
12. In hetgeen hierover voor het eerst ter zitting is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat deze, zoals in de last is uitgelegd voor wat betreft de opbouw daarvan in de drie te onderscheiden delen alsook de bepaling van de hoogte, onjuist is vastgesteld.
Het invorderingsbesluit
13. Het beroep tegen de last onder dwangsom heeft ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking op het invorderingsbesluit, voor zover belanghebbende dit besluit betwist. Eisers hebben ter zitting bevestigd tegen het invorderingsbesluit geen afzonderlijke gronden te richten. Voor zover eisers daarbij tevens hebben verwezen naar de hiervoor beoordeelde gronden zoals gericht tegen de last onder dwangsom, ziet de rechtbank daarin geen aanleiding voor het oordeel dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien.