Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-05-08
ECLI:NL:RBNHO:2025:6633
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
9,844 tokens
Inleiding
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: ALK 23/4321
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Hoefs),
en
de Dienst Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft bij beschikking van 10 augustus 2021 het verzoek van eiser om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) over de jaren 2015 en 2016 afgewezen en heeft bij beschikking van eveneens 10 augustus 2021 het bedrag aan compensatie voor de jaren 2017, 2018 en 2019 definitief vastgesteld op € 33.176.
Eiser heeft tegen de beschikkingen bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift vervatte beslissingen op bezwaar van 7 juni 2023 is verweerder gebleven bij de afwijzing van het verzoek om compensatie over de jaren 2015 en 2016 en heeft verweerder het bedrag aan compensatie voor de jaren 2017, 2018 en 2019 verhoogd tot € 36.113.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissingen op bezwaar. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2025 te Alkmaar. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam 1] en door mr. [naam 2] , kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 3] en [naam 4] .
Overwegingen
Feiten
1. Voor de kinderen van eiser en mevrouw [naam 1] (hierna ook tezamen aangeduid als: eisers) is in de jaren 2015 tot en met 2019 kinderopvangtoeslag aangevraagd en ontvangen.
2. Eiser heeft over de jaren 2015 tot en met 2019 eerst voorschotbedragen kinderopvangtoeslag ontvangen. Aan eiser zijn vervolgens definitieve beschikkingen kinderopvangtoeslag en herzieningsbeschikkingen opgelegd. Dit zorgde ervoor dat eiser de teveel uitbetaalde bedragen aan kinderopvangtoeslag moest terugbetalen en te weinig uitbetaalde bedragen aan kinderopvangtoeslag alsnog heeft ontvangen.
3. Op 17 maart 2020 heeft de partner van eiser bij verweerder een verzoek ingediend tot een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2015 tot en met 2019.
4. Bij brief van 21 november 2020 is wegens het te lang moeten wachten op
een herbeoordeling eenmalig een bedrag van € 750,- toegekend aan eiser.
5. Verweerder heeft een beoordeling gemaakt van de individuele institutionele vooringenomenheid en heeft zijn voorlopige conclusie voorgelegd aan de Commissie van Wijzen. De voorlopige conclusie van verweerder is dat er geen sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen in de toeslagjaren 2015 en 2016 en dat voor het toeslagjaar 2019 vanaf 26 oktober van dat jaar geen recht bestond op kinderopvangtoeslag. De compensatieregeling is daarom voor 2015, 2016 en 2019 (vanaf 26 oktober) niet van toepassing.
6. Op 3 mei 2021 heeft de Commissie van Wijzen die voorlopige conclusie van de Dienst Toeslagen onderschreven. De beoordeling – voor zover hier relevant – luidt als volgt:
“[...] 3.1. De Commissie stelt voorop dat de compensatieregeling alleen van toepassing is als de Belastingdienst/Toeslagen institutioneel vooringenomen heeft gehandeld.
3.2.
Van institutioneel vooringenomen handelen is geen sprake als de Belastingdienst/Toeslagen een controle heeft ingesteld naar de naleving van de wettelijke regels voor de toepassing van de kinderopvangtoeslag en daarbij de beginselen van behoorlijk bestuur in acht heeft genomen. De wettelijke regels stellen hoge eisen aan ouders die aanspraak maken op kinderopvangtoeslag. Dat betekent dat het instellen van een controle onvoldoende is om te concluderen dat vooringenomen is gehandeld. Daarvoor is meer nodig.
3.3.
Uit de motivering van de voorlopige conclusie en de daarbij gevoegde stukken blijkt niet dat de Belastingdienst/Toeslagen bij de controle over de toeslagjaren 2015 en 2016 in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Uit de stukken blijkt dat voor 2015 de kinderopvangtoeslag bij de herziene definitieve beschikking is vastgesteld op basis van het werkelijke aantal uren opvang en op basis van het vastgestelde toetsingsinkomen van alleen belanghebbende zelf. Ten aanzien van 2016 blijkt dat na 6 augustus 2016 geen opvang heeft plaatsgevonden bij een geregistreerde instelling en dat belanghebbende de kinderopvangtoeslag op 23 augustus 2016 per 29 september 2016 heeft stopgezet; het voorschot kinderopvangtoeslag voor 2016 is op basis hiervan herzien. De definitieve beschikking voor 2016 is gebaseerd op de door belanghebbende aangeleverde gegevens en de jaaropgaven van de BSO's, die nogmaals zijn gecontroleerd. Bij beslissing op bezwaar is de toeslag € 17 hoger vastgesteld. Van institutioneel vooringenomen handelen is aldus voor de jaren 2015 en 2016 geen sprake.
3.4.
Ten aanzien van het toeslagjaar 2019 blijkt dat belanghebbende de kinderopvangtoeslag op 2 oktober 2019 per 26 oktober 2019 heeft stopgezet. Er bestond derhalve geen recht op
kinderopvangtoeslag vanaf de datum van stopzetting. De compensatieregeling is derhalve niet van toepassing vanaf 26 oktober 2019.
3.5.
Voor toepassing van de hardheidsregeling bestaat voor de jaren 2015 en 2016 en voor de periode na 26 oktober 2019 geen aanleiding,
3.6.
Voor de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019 tot 26 oktober is de compensatieregeling wel van toepassing, aldus luidt de voorlopige conclusie van de Belastingdienst/Toeslagen. (…)
4. Gelet op het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt stelt dat voor de toeslagjaren 2015 en 2016 geen sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen. Voor het toeslagjaar 2019 is terecht geconcludeerd dat vanaf 26 oktober van dat jaar geen recht bestond op kinderopvangtoeslag. De compensatieregeling van artikel 49b van de Awir is daarom voor 2015, 2016 en 2019 vanaf 26 oktober van dat jaar niet van toepassing […]”
7. Bij beschikking van 15 juni 2021 heeft verweerder aan (de partner van) eiser voor de jaren 2017, 2018 en 2019 een voorlopige compensatie van € 83.296 toegekend op grond van artikel 49b van de Awir.
8. Bij definitieve beschikking van 10 augustus 2021 heeft verweerder beslist dat (de partner van) eiser niet aanmerking komt voor compensatie van kinderopvangtoeslag voor de jaren 2015 en 2016, omdat bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag voor deze jaren geen fouten zijn gemaakt door verweerder. Verweerder komt tot deze conclusie omdat voor 2015 de kinderopvangtoeslag is vastgesteld op basis van het werkelijke aantal uren opvang en op basis van het vastgestelde toetsingsinkomen. In 2016 is de kinderopvangtoeslag vastgesteld op basis van gegevens die de partner van eiser heeft aangeleverd en de jaaropgaven van de BSO's, die in de bezwaarfase nogmaals door verweerder zijn gecontroleerd. Bij beslissing op het bezwaar is de toeslag € 17 hoger vastgesteld.
9. Bij definitieve beschikking van eveneens 10 augustus 2021 heeft verweerder beslist dat (de partner van) eiser in aanmerking komt voor compensatie van kinderopvangtoeslag voor de 2017 tot en met 25 oktober 2019, omdat bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag voor deze jaren fouten zijn gemaakt door verweerder. Het definitieve compensatiebedrag is door verweerder bepaald op € 33.176. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat bij de berekening van het voorlopige compensatiebedrag fouten zijn gemaakt. De partner van eiser heeft daarom als voorlopige compensatie meer geld gekregen (namelijk € 83.296) dan het bedrag van € 33.176 waar volgens verweerder recht op bestond. De partner van eiser hoefde het teveel ontvangen bedrag niet terug te betalen, ‘omdat de fout door verweerder zelf is gemaakt.’
10. Tegen de definitieve beschikkingen van 10 augustus 2021 heeft (de partner van) eiser bezwaar gemaakt. Eisers zijn het er niet mee eens dat voor de jaren 2015 en 2016 geen compensatie is toegekend en vinden dat het compensatiebedrag voor de jaren 2017 tot en met 2019 te laag is vastgesteld.
11. Op 20 juli 2022 heeft de hoorzitting plaatsgevonden waarbij namens eisers de bezwaren mondeling zijn toegelicht.
12. Op 18 augustus 2022 heeft de bezwaarschriftenadviescommissie (BAC) advies uitgebracht aan de uitvoeringsorganisatie herstel toeslagen (UHT) van verweerder. Het advies – voor zover hier relevant – luidt als volgt:
“[…] Beoordeling bezwaar/overwegingen
Definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag
Dit bezwaar is alleen gericht tegen de weigering van compensatie over het jaar 2016. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij haar kot over 2016 niet zelf heeft beperkt tot de maanden januari t/m augustus, en dat haar ten onrechte geen persoonlijke betalingsregeling is aangeboden.
De definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag over 2016 heeft geleid tot een terugvordering van het te veel betaalde voorschot als gevolg van (l) het verschil tussen aangevraagde en afgenomen uren kinderopvang en (2) het verschil tussen het vooraf geschatte en achteraf vastgestelde toetsingsinkomen.
Motivering
UHT heeft dit in de paragrafen 6.7, 6.8 en 6.9 van haar schriftelijke reactie als zodanig
erkend en toegezegd de compensatie ten aanzien van de vergoeding voor immateriële
schade en de toegekende rente opnieuw te zullen berekenen. Daarbij zal worden
uitgegaan van het tijdvak van l februari 2019, de datum van de eerste neerwaartse
correctie, tot 10 augustus 2021.
Ook de Commissie is van oordeel dat het bezwaar van belanghebbende doel treft. De
Commissie adviseert UHT om de compensatieberekening aan te passen zoals door haar is
toegezegd, Daarbij geldt bij de forfaitaire vergoeding voor de immateriële schade dat
deze dient te worden berekend tot de datum van de beslissing op bezwaar. Ook de
aanvullende vergoeding van 1% over het subtotaal van het compensatiebedrag dient te
worden aangepast. Voorts adviseert de Commissie om in de beslissing op bezwaar te
benadrukken dat deze aanpassingen niet zullen leiden tot een nabetaling, daar eerder
per abuis een hogere uitbetaling heeft plaatsgevonden.
Samenvatting en advies
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om in de beslissing op bezwaar:
- te onderzoeken waarom belanghebbende een persoonlijke betalingsregeling over
het toeslagjaar 2016 is geweigerd;
- de afwijzingsbeschikking over 2015-2016 zo nodig te herroepen en in een nieuw
besluit belanghebbende nader te compenseren;
- de berekening van de compensatiebeschikking over 2017-2019 aan te passen; en
een proceskostenvergoeding toe te kennen van twee procespunten met elk een
wegingsfactor twee, tegen het hoogste tarief per procespunt.”
13. In de beslissingen op bezwaar van 7 juni 2023 zijn de bezwaren van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard. Het verzoek om compensatie over de jaren 2015 en 2016 is door verweerder afgewezen en de compensatie voor de jaren 2017, 2018 en 2019 is door verweerder verhoogd tot € 36.113. De verhoging van het definitieve compensatiebedrag levert echter geen nabetaling op, omdat eiser eerder teveel compensatie heeft ontvangen (zie onder 9.).
Geschil
14. In geschil is of eiser recht heeft op compensatie kinderopvangtoeslag voor de jaren 2015 en 2016 en of de compensatie kinderopvangtoeslag voor de jaren 2017, 2018 en 2019 tot de juiste hoogte is vastgesteld. Daarnaast is in geschil of het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel zijn geschonden.
15. Eiser stelt dat de Dienst Toeslagen ook in de jaren 2015 en 2016 fouten heeft gemaakt bij het beoordelen van het recht op kinderopvangtoeslag, zodat hij in aanmerking komt voor compensatie met betrekking tot deze jaren. Hij is van mening dat verweerder bij het beoordelen van zijn recht op kinderopvangtoeslag vooringenomen heeft gehandeld danwel dat het stelsel in zijn geval te hard heeft uitgewerkt. Eiser kan zich ook niet vinden in de hoogte van het definitieve toegekende compensatiebedrag voor de jaren 2017 tot en met 2019. Het is volgens eiser onduidelijk welke overwegingen aan de berekening van het compensatiebedrag ten grondslag hebben gelegen. Eiser is tot slot van mening dat verweerder de beslissing op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd en dat de beslissing op bezwaar op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uitspraak op bezwaar. Verder verzoekt eiser om schadevergoeding voor de door hem geleden immateriële schade, om vergoeding van de wettelijke rente op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en om proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase.
16. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser voor de toeslagjaren 2015 en 2016, niet in aanmerking komt voor compensatie omdat in het geval van eiser in die jaren geen sprake was van institutionele vooringenomen of hardheid van het systeem. De compensatie voor de jaren 2017 tot en met 2019 is volgens verweerder op de juiste bedragen bepaald. Verweerder meent dat de beslissing op bezwaar op zorgvuldige wijze en deugdelijk gemotiveerd tot stand is gekomen en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
17. Voor de volledige weergave van de standpunten van partijen en de onderbouwing daarvan, verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Overwegingen
Wat is het toetsingskader?
18. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie (Wht) volgt dat verweerder compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem vóór 23 oktober 2019 werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiser daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid die heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening.
19. In de memorie van toelichting bij artikel 2.1 van de Wht (Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 70-71) worden vijf aspecten van institutionele vooringenomenheid benoemd: (1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde; (2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren; (3) zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbreken bewijsstukken, al dan niet met een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden; (4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken; (5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, net zomin als het ontbreken van een van deze aspecten wijst op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid, zo blijkt uit de memorie van toelichting.
20. In artikel 2.1, vierde lid, van de Wht is bepaald dat een aanvraag van een kinderopvangtoeslag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, niet in aanmerking komt voor compensatie van schade met betrekking tot een berekeningsjaar waarover minder dan € 1.500 aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of het recht op kinderopvangtoeslag met minder dan € 1.500 is verlaagd.
2015
21. Tussen partijen is niet in geschil dat over het jaar 2015 door verweerder minder dan het in artikel 2.1, vierde lid, van de Wht, genoemde bedrag van € 1.500 euro is teruggevorderd van eiser. Namens eiser is ter zitting verklaard dat hij begrijpt dat hij daarom voor het jaar 2015 daarom niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wht. Eiser verzoekt de rechtbank om hem desondanks aan te merken als gedupeerde. Ten eerste omdat dit eiser de verlangde erkenning biedt dat er ook in het jaar 2015 fouten zijn gemaakt door verweerder en daarnaast omdat dit hem een rechtsingang biedt bij de Commissie Werkelijke Schade.
22. In de voorlopige zienswijze heeft verweerder meegenomen dat met betrekking tot het jaar 2015 door eiser met ingang van l juli 2015 kinderopvangtoeslag is aangevraagd. De voorschotbeschikking bedraagt € 8.487 op basis van 228 uur dagopvang in de periode l juli tot en met 31 december 2015 en op basis van een geschat toetsingsinkomen van € 0. Op 11 augustus 2017 wordt het recht definitief vastgesteld op € 7.151 op basis van 195 uur dagopvang in de periode l juli tot en met 31 december 2015. De definitieve beschikking is daarna herzien naar € 7.259 op basis van een werkelijk toetsingsinkomen van € 10.960. De terugvordering wordt volgens verweerder veroorzaakt doordat minder uren zijn afgenomen dan aangevraagd en omdat sprake is van een hoger werkelijk toetsingsinkomen dan vooraf is ingeschat.
23. Eiser heeft ter zitting gewezen op Handboek Integrale Beoordeling (hierna: het Handboek) dat wordt gebruikt door beoordelaars van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen. Eiser stelt dat in het Handboek staat dat er sprake is van vooringenomen handelen als de Dienst Toeslagen uitgaat van de gegevens in de KOI-viewer, zonder navraag te doen bij de ouder, terwijl er bij de Dienst Toeslagen andere gegevens bekend zijn die niet in overeenstemming zijn met de KOI-viewer. Eiser stelt zich op het standpunt dat hiervan sprake is, nu door eiser een aanvraag is ingediend met de juiste gegevens, zodat bij verweerder conflicterende gegevens bekend waren en de kinderopvangtoeslag niet zonder nadere uitvraag had mogen worden herzien.
24. De rechtbank overweegt dat in het Handboek (in paragraaf 3.1.1) is opgenomen dat het in beginsel niet vooringenomen is als de KOT zonder voorafgaande uitvraag is verlaagd naar aanleiding van de uren zoals opgenomen in de KOI-viewer. Dat kan anders zijn als de Dienst Toeslagen in redelijkheid had moeten twijfelen aan de gegevens in de KOI-viewer. De toets of de Dienst Toeslagen had moeten twijfelen aan de KOI-viewer, wordt gedaan met de informatie die op het moment van aanpassing op basis van KOI-viewer beschikbaar was.
25. Een van de elementen die volgens het handboek meewegen bij de vraag of in redelijkheid getwijfeld had moeten worden aan de gegevens in de KOI-viewer, is de vaststelling dat er andere gegevens bij de Dienst Toeslagen bekend zijn, die conflicteren met de KOI-viewer (zoals bewijsstukken, verklaringen van een KOI, etc.). Naar het oordeel van de rechtbank is de eigen aanvraag van eiser niet aan te merken als in het handboek bedoelde conflicterende informatie, omdat eiser in de aanvraag een opgave doet van de aangevraagde uren voor kinderopvang, en de KOI-viewer een overzicht bevat van de daadwerkelijk afgenomen uren. Het is voorts niet aannemelijk geworden dat verweerder beschikte over conflicterende gegevens met betrekking tot de daadwerkelijk afgenomen uren. In zoverre behoefde verweerder niet te twijfelen aan de gegevens in de KOI-viewer, zodat het niet doen van een uitvraag van informatie bij eiser naar het oordeel van de rechtbank geen blijk geeft van vooringenomen handelen van verweerder en ook niet van het handelen in strijd met het eigen beleid van verweerder.
26. Eiser heeft voorts gesteld dat er een concept definitieve beschikking kinderopvangtoeslag 2015 overeenkomstig de door eiseres aangeleverde gegevens klaarstond in het systeem van verweerder. In eerste instantie bestond er kennelijk voor verweerder geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de gegevens in de aanvraag van eiser. Dat de definitieve beschikking desondanks lager is vastgesteld op basis van de gegevens uit de KOI-viewer, is volgens eiser te wijten aan het aangescherpte toezicht op de toeslagen. Deze handelswijze geeft blijkt van vooringenomen handelen van de Dienst Toeslagen, aldus eiser.
27. De rechtbank overweegt dat het de Dienst Toeslagen vrij staat om aanvragen voor toeslagen te controleren en ook om het toezicht op toeslagen aan te scherpen. Het besluit van de Dienst Toeslagen om de aanvraag van eiser te controleren is dus in beginsel niet onrechtmatig. Dat zou anders kunnen zijn als de controle voortvloeit uit een risicoselectie, een verwerking van persoonsgegevens in een databank of een gebruik van een databank waarin persoonsgegevens zijn opgeslagen, op basis van een criterium dat jegens de ouder leidt tot een schending van een grondrecht, zoals een schending van het verbod op discriminatie naar afkomst, geaardheid of geloofsovertuiging (vgl het arrest van de Hoge Raad in de belastingzaak van 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748). Het is niet aannemelijk geworden dat hiervan sprake was in het geval van eiser.
Conclusie
52. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten en griffierecht
53. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in de beroepsfase. Voor de in bezwaar gemaakte proceskosten heeft eiser reeds een vergoeding van verweerder ontvangen.
54. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op in totaal € 907 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 0,5 nu de proceskostenvergoeding uitsluitend wordt toegekend vanwege de immateriële schadevergoeding, vgl. Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660). De rechtbank bepaalt voorts dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 50 vergoedt.
55. Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000 aan eiser voor de overschrijding van de redelijke termijn;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907; en
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Snitker, rechter, in aanwezigheid van
mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is per post aan partijen verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Overwegingen
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet stond opgenomen in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) en dat er geen sprake was van (ten onrechte vastgestelde) opzet of grove schuld-kwalificatie (O/GS-kwalificatie) en ook overigens zijn er geen omstandigheden gesteld of aannemelijk geworden waaruit volgt dat de controle van de aanvraag van eiser onrechtmatig zou zijn geweest. Ook in zoverre is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van vooringenomen handelen door verweerder.
28. Daarnaast overweegt de rechtbank dat, ingeval er wel sprake zou zijn van vooringenomen handelen door verweerder, meespeelt of de verlaging op basis van de KOI-viewer achteraf gezien correct was. Omdat in het geval van eiser niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat het in de KOI-viewer vermelde aantal daadwerkelijk afgenomen uren kinderopvang, en de daarop gebaseerde herziene beschikking van de kinderopvangtoeslag die door verweerder is vastgesteld, niet juist waren, en er voor het overige geen bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, kan niet worden gezegd dat eiser schade heeft geleden door en de dupe is geworden van vooringenomen handelen door verweerder.
29. De rechtbank acht derhalve voor het jaar 2015 niet aannemelijk dat sprake is van institutionele vooringenomenheid van de kant van verweerder. Uit de gang van zaken blijkt ook niet dat sprake is geweest van onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid die aan de toepassing van het wettelijke systeem werd gegeven.
2016
30. Tussen partijen is niet in geschil dat over het jaar 2016 door verweerder meer dan het in artikel 2.1, vierde lid, van de Wht, genoemde bedrag van € 1.500 euro is teruggevorderd van eiser. Namens eiser is ter zitting verklaard dat hij begrijpt dat hij daarom in beginsel in aanmerking kan komen voor compensatie op grond van de Wht, maar dat de uitspraak van de rechtbank waarschijnlijk niet zal leiden tot een concrete uitbetaling, omdat een eventuele compensatie op grond van de Wht zal worden verrekend met het door eiser te veel ontvangen voorschotbedrag. Eiser verzoekt de rechtbank om hem desondanks aan te merken als gedupeerde. Ten eerste omdat dit eiser de verlangde erkenning biedt dat er ook in het jaar 2016 fouten zijn gemaakt door verweerder en daarnaast omdat dit hem een rechtsingang biedt bij de Commissie Werkelijke Schade.
31. Eiser heeft betoogd dat het weigeren van een persoonlijke betalingsregeling in 2016 aan eiser gelijk gesteld kan worden aan een situatie van onterechte O/GS dan wel een situatie van hardheid. Eiser wijst erop dat de BAC in haar advies terecht heeft overwogen dat verweerder de brief van 24 september 2018 en de daarin geuite noodkreet had moeten herkennen als een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling. Dit geldt temeer nu, zoals nog niet hij de commissie bekend was, op 24 februari 2019 nogmaals is aangegeven door de vrouw van eiser dat zij het termijnbedrag niet konden betalen. Omdat deze boodschap tweemaal in nog geen zes maanden is afgegeven, had verweerder dit moeten opvatten als een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling en verweerder heeft ten onrechte nagelaten om aan deze verzoeken tegemoet te komen. Eiser wijst erop dat de BAC deze handelswijze van verweerder heeft aangemerkt als onbehoorlijk bestuur. Omdat verweerder niet op het verzoek heeft gereageerd en geen gegronde redenen heeft aangedragen om het verzoek af te wijzen is er volgens eiser sprake van hardheid. Daarnaast volgt de hardheid van het toeslagenstelsel uit het feit dat aan eiser een veel te hoge automatische betalingsregeling is opgelegd en dat daarnaast alle te ontvangen bedragen aan toeslagen ook direct werden verrekend met de nog openstaande bedragen.
32. Verweerder voert aan dat in geval van eiser geen sprake is van hardheid of onterechte O/GS-kwalificatie. Het wijzigen van een betalingsregeling is geen wettelijke regeling, zodat er ook geen sprake kan zijn van hardheid bij het uitvoeren daarvan. Ook heeft verweerder niet vooringenomen gehandeld, want er is geen sprake van (bijvoorbeeld) het overvragen van de ouder. Het uitvoeren van de regeling van de kinderopvangtoeslag heeft niet geleid tot een onbillijke uitkomst door een onterechte O/GS-kwalificatie, want aan eiser is in dit geval geen opzet of grove schuld verweten. Volgens verweerder is eiser bovendien geen betalingsregeling geweigerd, maar is er (slechts) geen verzoek in behandeling genomen dat strekt tot het verkrijgen van een betalingsregeling. Dus er is niet aan de voorwaarden voor compensatie voldaan, aldus verweerder.
33. Verweerder wijst erop dat eiser pas bij het indienen van het bezwaarschrift heeft gesteld dat de betaaltermijnen te hoog waren. Verweerder is van mening dat hij dit niet heeft moeten opvatten als een aanvraag om persoonlijke betalingsregeling voor het betalen van het bedrag dat bij het primaire besluit is vastgesteld. Verweerder meent voorts dat iemand bij het doen van een aanvraag duidelijk moet aangeven wat hij wil. Daarnaast is volgens verweerder bij de acceptgiro aangegeven wat de werkwijze is om een persoonlijke betalingsregeling te treffen en eiser heeft die werkwijze niet gevolgd, maar in het bezwaarschrift aangegeven dat hij de bedragen van de betalingsregeling niet kon betalen.
34. Tot slot heeft verweerder op zitting verklaard dat hij denkt dat de betalingsregeling – als hij in behandeling zou zijn genomen – niet zou zijn toegewezen. Verweerder voert daartoe aan dat door eiser in de brief van 2 september 2018 is aangegeven dat de betalingsregeling te zwaar was, maar dat per 4 mei 2018 het gezinsinkomen van € 25.000 is gestegen naar meer dan € 55.000 (meer dan twee keer modaal). Eiser heeft daartegen ingebracht dat hij is gestopt met zijn opleiding en is gaan werken om te kunnen helpen met het afbetalen van de toeslagen. Dat het gezin van eiser dus uiteindelijk met veel moeite de bedragen van de terugvorderingen heeft kunnen ophoesten, betekent niet dat verweerder niet verkeerd heeft gehandeld en dat eiser daardoor niet gedupeerd is.
35. De rechtbank overweegt dat een aanvraag een aanduiding moet bevatten van de beschikking die wordt gevraagd. Die aanduiding moet voldoende specifiek zijn. In dit geval hebben eisers een standaard betalingsregeling aangeboden gekregen, die zij wilden laten omzetten in een persoonlijke betalingsregeling met een lager termijnbedrag. Die aanvraag is als volgt verwoord: “(…) Ik heb een betalingsregeling aangevraagd omdat ik de hele bedrag niet kan betalen. Ik heb de eerste termijn al betaald, maar zelfs de termijn bedrag is op dit moment voor mij te hoog, Ik hoop dat de belastingdienst, goed nagaat waarom ik deze bedrag moet betalen en dat er goed wordt gekeken naar mijn situatie in 2016 (…)” Verweerder heeft deze aanvraag niet herkend als een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling en heeft de aanvraag dan ook niet als zodanig in behandeling genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat op zichzelf beschouwd niet onbehoorlijk. Omdat een reactie van verweerder uitbleef, lag het op de weg van eiser om verweerder eraan te herinneren dat binnen een redelijke termijn op hun aanvraag moest worden beslist. Dat hebben eisers echter niet gedaan, in plaats daarvan bleven zij de termijnen van de standaard betalingsregeling voldoen. De rechtbank ziet in het een en ander onvoldoende reden voor nader onderzoek naar mogelijke onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem eisers getroffen heeft.
2017 tot en met 2019
36. Eiser stelt in het beroepschrift dat het reeds verstrekte bedrag aan compensatie kinderopvangtoeslag (veel) te laag is vastgesteld, zonder te motiveren welke componenten van de toegekende compensatie volgens hem onjuist zijn. Volgens verweerder is de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019 correct vastgesteld overeenkomstig artikel 2.3 van de Wht.
Overwegingen
Verweerder heeft nog opgemerkt dat aan eiser per abuis een bedrag van € 47.183 aan compensatie teveel is uitbetaald, welk bedrag eiser niet hoeft terug te betalen en dat een eventueel hoger vast te stellen compensatiebedrag daarmee verrekend dient te worden.
37. Verweerder heeft eiser gewezen op de mogelijkheid om aanvullende compensatie te verzoeken op grond van artikel 2.1, derde lid van de Wht, als hij van mening is dat de toegekende compensatie weliswaar op de juiste wijze is berekend, maar dat de werkelijk geleden schade hoger is. Ter zitting is naar voren gekomen dat eiser zich reeds heeft gemeld bij de Commissie Werkelijke Schade en de Stichting (Gelijk)waardig Herstel.
37. De rechtbank ziet in het door eiser aangevoerde geen aanleiding om het compensatiebedrag voor de jaren 2017, 2018 en 2019 hoger vast te stellen. Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
39. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing op bezwaar onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarvoor onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt. Uit de stukken komt naar voren dat verweerder de beslissing op bezwaar heeft voorbereid aan de hand van alle hem tot dan ter beschikking staande gegevens, en in de beslissing op bezwaar komt voldoende duidelijk naar voren waarom verweerder de bezwaren ongegrond achtte. Verweerder heeft daarbij een berekening gevoegd van het bedrag aan compensatie kinderopvangtoeslag waar eiser in de jaren 2017, 2018 en 2019 recht op heeft. Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet.
Verzoek om schadevergoeding
40. Eiser heeft verzocht om vergoeding van de door eiser en zijn partner geleden schade (waaronder de wettelijke rente) op grond van artikel 8:88 van de Awb. Bij eiser bestaat veel ongenoegen over de handelwijze van verweerder.
41. Verweerder is van mening dat het verzoek dient te worden afgewezen, omdat verweerder geen onrechtmatig besluit heeft genomen en niet onrechtmatig heeft gehandeld.
42. De rechtbank overweegt dat op een tot de belastingrechter gericht verzoek om de Dienst Toeslagen tot schadevergoeding te veroordelen artikel 8:88 van de Awb niet van toepassing is, maar het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten op 1 juli 2013 (zie de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2471).
43. Op grond van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb (oud) kan de rechtbank, indien zij het beroep gegrond verklaart en daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij de door haar aangewezen rechtspersoon veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.
44. Nu er geen sprake is van een gegrond beroep komt eiser voor een schadevergoeding niet in aanmerking. Het verzoek van eiser om een schadevergoeding moet daarom worden afgewezen.
Vergoeding van immateriële schade
45. Eiser heeft in het nader stuk van 13 februari 2025 een verzoek gedaan om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak.
46. Op basis van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, wordt verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie, wanneer de redelijke termijn is overschreden. Hierbij geldt dat de redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en de beroepsprocedure tezamen meer dan twee jaar hebben geduurd. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.
47. Het bezwaar is op 3 september 2021 door verweerder ontvangen. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 7 juni 2023. De rechtbank doet heden uitspraak. Daarmee is in beginsel de redelijke termijn voor de beslechting van het geschil met afgerond 20 maanden overschreden (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252), tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen.
48. Tot de bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van bedoelde termijnen, worden onder meer gerekend de invloed van de belanghebbende op de duur van het proces, bijvoorbeeld door het doen van herhaalde verzoeken om verlening van gestelde termijnen of om uitstel voor het (voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen. Een bijzondere omstandigheid doet zich niet voor indien de rechter op verzoek van een partij de zitting voor de eerste keer uitstelt (Hoge Raad 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1461).
49. Eiser is door de rechtbank voor het eerst uitgenodigd voor een zitting op 25 januari 2024. Door de gemachtigde is uitstel voor de zitting gevraagd in verband met verhindering van de gemachtigde, welk verzoek door de rechtbank is gehonoreerd. Vervolgens is eiser uitgenodigd voor een zitting op 22 mei 2024. Gemachtigde heeft vanwege zijn verhindering op die dag een verzoek ingediend voor uitstel van de zitting, welk verzoek door de rechtbank is gehonoreerd. De rechtbank heeft eiser vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 16 oktober 2024. Gemachtigde heeft wederom vanwege verhindering een uitstelverzoek ingediend, welk verzoek door de rechtbank is gehonoreerd. Op de uitnodiging voor de zitting van 25 februari 2025 zijn door de rechtbank geen uitstelverzoeken van partijen ontvangen.
50. De rechtbank heeft getracht partijen meerdere malen uit te nodigen voor een zitting om het geschil te beslechten. Eiser heeft meerdere malen een uitstelverzoek ingediend. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de termijn te verlengen. Door het handelen van eiser is de zitting meerdere malen uitgesteld en kon de rechtbank niet eerder uitspraak doen. De rechtbank zal de termijn daarom met negen maanden verlengen. De redelijke termijn is dan met afgerond elf maanden overschreden.
51. In verband met de overschrijding van de redelijke termijn heeft eiser recht op een vergoeding van € 1.000. De overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan verweerder. De rechtbank zal verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000 voor de overschrijding van de redelijke termijn.