Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-05-28
ECLI:NL:RBNHO:2025:6549
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,491 tokens
Inleiding
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/364202 / HA ZA 25-228
Vonnis in incident van 28 mei 2025
in de zaak van
1 [eiser sub 1] ,2. [eiseres sub 2] ,
beiden te [woonplaats] ,
eisende partijen in het verzet,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. T.H. Liebregts,
tegen
1 [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2] ,
beiden te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in het verzet,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. S. Hamerling.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verstekvonnis van 12 februari 2025, met zaaknummer / rolnummer C/15/360876 / HA ZA 25-24 (hierna: het verstekvonnis),
- de verzetdagvaarding tevens inhoudende incidentele vordering tot het nemen van een voorlopige voorziening ex 223 Rv van 1 april 2025, met producties 1-3;
- de brief van 24 april 2025 van [gedaagden] ,
- het bericht van 6 mei 2025 van [eisers]
1.2.
Ten slotte is vonnis in het incident bepaald.
Beoordeling
2.1.
[eisers] vorderen dat de rechtbank de executie van het tegen hen gewezen verstekvonnis van 12 februari 2025 schorst tot aan de datum van betekening van het eindvonnis in de verzetprocedure. Ook vorderen zij opheffing van eventueel genomen executiemaatregelen en/of het staken van in voorbereiding zijnde executiemaatregelen tot aan de datum van betekening van het verstekvonnis, op kosten van [gedaagden] Tot slot vorderen [eisers] [gedaagden] te veroordelen in de kosten van het incident.
2.2.
[gedaagden] hebben de rechtbank op 24 april 2025 bericht dat zij vrijwillig de executie van het verstekvonnis schorsen gedurende de verzetprocedure.
2.3.
Op 6 mei 2025 hebben [eisers] de rechtbank verzocht hun vorderingen toe te wijzen, in ieder geval aangaande de proceskosten. [gedaagden] heeft volgens [eisers] namelijk op 31 maart 2025 per e-mail aangezegd dat de tenuitvoerlegging niet zou worden opgeschort, op grond waarvan [eisers] zich genoodzaakt voelden om deze incidentele vordering in te stellen. [eisers] stellen hierdoor veel stress te hebben ondervonden en kosten te hebben gemaakt.
2.4.
De rechtbank stelt voorop dat het verstekvonnis van 12 februari 2025, waarin [eisers] is veroordeeld tot betaling van een geldsom, uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Ingevolge artikel 145 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) schorst het door [eisers] ingestelde verzet de tenuitvoerlegging van een uitvoer bij voorraad verklaard verstekvonnis niet. Op grond van artikel 223 Rv kan de uitvoerbaarheid bij voorraad van een vonnis worden geschorst als voorlopige voorziening voor de duur van het geding. De beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad is in het verstekvonnis niet gemotiveerd. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis totdat in het verzet uitspraak is gedaan is dan toewijsbaar als er omstandigheden zijn die meebrengen dat het belang van [eisers] daarbij zwaarder weegt dan het belang van [gedaagden] om tot tenuitvoerlegging van het vonnis over te gaan. Verder geldt dat de kans van slagen van het verzet bij de belangenafweging buiten beschouwing blijft. Wel kan de rechter bij de beoordeling betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing op een kennelijke misslag berust.
2.5.
Uit de stellingen van [eisers] , die [gedaagden] niet hebben weersproken, volgt dat zij belang hebben bij schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis. [gedaagden] zijn bereid tot schorsing van de tenuitvoerlegging over te gaan. De rechtbank zal de gevorderde schorsing van de executie van het verstekvonnis daarom toewijzen.
2.6.
Aangezien niet is gebleken dat [gedaagden] reeds executiemaatregelen hebben genomen dan wel dat zij voornemens zijn executiemaatregelen te nemen, wijst de rechtbank de gevorderde opheffing van de executiemaatregelen en/of staking van in voorbereiding zijnde executiemaatregelen af. Bovendien heeft [eisers] geen belang meer bij deze vordering, omdat de rechtbank de schorsing van de executie van het verstekvonnis toewijst.
2.7.
[eisers] hebben in de verzetdagvaarding gesteld dat [gedaagden] voorafgaand aan de betekening daarvan niet hebben willen toezeggen om gedurende de verzetprocedure van de executie van het verstekvonnis af te zien. [gedaagden] hebben dit niet betwist. De rechtbank zal [gedaagden] daarom veroordelen in de kosten van het incident, die worden begroot op € 614,- aan salaris advocaat.
Dictum
De rechtbank
in het incident
3.1.
schorst de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis, gewezen op 12 februari 2025 in de zaak met het kenmerk C/15/360876 / HA ZA 25-24 tot in de onderhavige verzetprocedure zal zijn beslist,
3.2.
veroordeelt [gedaagden] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eisers] begroot op € 614,-,
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst af het meer of anders gevorderde,
in de hoofdzaak
3.5.
verwijst de zaak naar de rol van 11 juni 2025 voor beraad,
3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Boots en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2025.
Vgl. HR 20-12-2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.