Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-06-11
ECLI:NL:RBNHO:2025:6428
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,461 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10907609 \ CV EXPL 24-762
Uitspraakdatum: 11 juni 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1
[eiser 1]
2. [eiser 2]
3. [eiser 3]
4. [eiser 4]
allen wonende te [plaats 1]
5. [eiser 5]
6. [eiser 6]
beiden wonende te [plaats 2]7. [eiser 7]8. [eiser 8]beiden wonende te [plaats 1]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R. Bos (ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Royal Air Maroc
gevestigd te Casablanca, Marokko
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. T. Teke (Warendorf Advocaten en Notarissen)
De zaak in het kort
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd vanwege een vertraagde vlucht. Omdat de vervoerder dit onvoldoende heeft weersproken, wordt de gevorderde compensatie toegewezen. Daarnaast is er geen sprake van rauwelijks dagvaarden.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 21 juli 2022 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Nador, Marokko, met vlucht AT1681 (hierna: de vlucht).
2.2.
De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [plaats 2] zal worden tot betaling van:- € 3.600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, te rekenen direct na de vertraging tot aan de dag der algehele voldoening;- € 485,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de nakosten.
3.2.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat passagier sub 6 het eventuele vorderingsrecht van haar minderjarige kind aan zichzelf heeft overgedragen. Het kind vloog ook mee met de vlucht. De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,- per persoon.
3.3.
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling van het geschil.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
De vervoerder betwist dat de passagiers Aviclaim hebben gemachtigd om hen in deze procedure te vertegenwoordigen. Hij voert aan dat de handtekeningen op de overgelegde volmachten afwijken van de handtekeningen in de paspoorten van de passagiers. Dit betekent ook dat passagier sub 6 het eventuele vorderingsrecht van haar minderjarige kind niet (geldig) aan zichzelf heeft overgedragen, aldus de vervoerder.
4.3.
Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De kantonrechter oordeelt dat de passagiers met het overleggen van de boekingsbescheiden, de kopieën van de paspoorten van de passagiers en omdat de vervoerder niet heeft betwist dat de passagiers een bevestigde boeking hadden voor de vlucht, voldoende hebben onderbouwd dat zij Aviclaim hebben gemachtigd om namens hen te procederen en dat passagier sub 6 het eventuele vorderingsrecht van haar minderjarige kind aan zichzelf heeft overgedragen. De kantonrechter ziet hierin aanleiding om aan het verzoek om een mondelinge behandeling van de passagiers voorbij te gaan.
4.4.
Voor zover de vervoerder heeft aangevoerd dat de stelling van de passagiers dat zij met een vertraging van ruim drie uur op de bestemming zijn aangekomen, onduidelijk zou zijn of onvoldoende door hen zou zijn onderbouwd, gaat de kantonrechter hieraan voorbij. De vervoerder heeft immers niet betwist dat zij met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder daarom compenseren. Nu de vervoerder voor het overige geen vervoer heeft gevoerd tegen de door de passagiers gevorderde hoofdsom, zal deze worden toegewezen.
4.5.
De passagiers hebben wettelijke rente over de hoofdsom gevorderd vanaf de datum van de vlucht. Het betreft hier een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade terstond opeisbaar is. Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De werkwijze en proceshouding van de passagiers – waar hierna op in zal worden gegaan – doen hier niet aan af. De wettelijke rente over de hoofdsom wordt daarom toegewezen vanaf de datum van de vlucht.
4.6.
Ten slotte heeft de vervoerder aangevoerd dat hij rauwelijks is gedagvaard. De vervoerder heeft aangevoerd dat de onderhavige procedure onnodig aanhangig is gemaakt omdat de passagiers een procedure hadden kunnen voorkomen door de vordering op de juiste wijze in te dienen (via zijn website). De gemachtigde van de passagiers heeft op 2 en 5 september en 14 november 2022 aanmaningen namens de passagiers verstuurd naar een e-mailadres van de vervoerder. Hierop is een automatisch antwoord verstuurd dat verwijst naar de website. De passagiers hebben hun vordering volgens de vervoerder niet via deze website ingediend. De aanmaningen waren ook niet voorzien waren van de bijbehorende stukken, zodat hij niet in staat was om de vordering te beoordelen, aldus de vervoerder.
4.7.
De kantonrechter overweegt dat de vervoerder heeft erkend dat de aanmaningen van 2 en 5 september en 14 november 2022 hem per e-mail hebben bereikt. De omstandigheid dat de passagiers de vordering niet (ook) via de website van de vervoerder hebben ingediend, maakt dit niet anders. Met betrekking tot het ontbreken van de bijbehorende stukken geldt dat de vervoerder niet heeft gesteld dat hij daarom voorafgaand aan de procedure heeft gevraagd, zodat deze stelling naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd is. Van rauwelijks dagvaarden is dan ook geen sprake.
4.8.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft deze vordering betwist. Met name heeft hij betwist dat hij de overige door de passagiers overgelegde aanmaningen heeft ontvangen. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben, gelet op de betwisting door de vervoerder, onvoldoende onderbouwd gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
4.9.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden [plaats 2] in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 3.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 21 juli 2022 tot aan de dag van voldoening van dit bedrag;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 135,97;griffierecht € 248,00;salaris gemachtigde € 542,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 135,00 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Artikel 7 van de Verordening.
Artikel 6:83 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW).