Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-05-21
ECLI:NL:RBNHO:2025:6355
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,197 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/364307 / JU RK 25-539
Datum uitspraak: 21 mei 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 april 2025;
het advies van de Raad van 1 mei 2025;
de e-mailberichten met bijlagen van de moeder van 20 mei 2025 en 21 mei 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 mei 2025. Hierbij zijn verschenen en gehoord:
- de moeder;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 6 december 2023 heeft de kinderrechter van deze rechtbank
[de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 6 december 2024, welke ondertoezichtstelling daarna is verlengd tot 6 juni 2025.
2.3.
Bij beschikking van 6 december 2023 heeft de kinderrechter tevens een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg dan wel een (netwerk)pleeggezin voor de duur van zes maanden. Bij beschikking van 3 juni 2024 heeft de kinderrechter deze machtiging verlengd, in die zin dat [de minderjarige] tot medio juli 2024 zou verblijven bij haar toenmalig netwerkpleeggezin en vervolgens, vanaf medio juli 2024 of zoveel eerder als mogelijk, bij de accommodatie van jeugdhulpaanbieder [accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] te [plaats] . Deze uithuisplaatsing is daarna verlengd en duurt nog tot 6 juni 2025.
2.4.
Op grond van laatstgenoemde beschikking verblijft [de minderjarige] sinds 20 juli 2024 bij het
gezinshuis [accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] .
3Het verzoek
3.1.
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in de accommodatie van jeugdhulpaanbieder [accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] te [plaats] te verlengen voor de duur van een jaar. De GI heeft verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI onder meer naar voren gebracht dat er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging nu [de minderjarige] al veel heeft meegemaakt in haar leven en getraumatiseerd is. Er is bij de moeder sprake van verslavingsproblematiek en [de minderjarige] heeft huiselijk geweld meegemaakt vanuit de ex-partner van de moeder. Daarnaast is [de minderjarige] uit huis geplaatst geweest op jonge leeftijd en daarna heen en weer verhuisd tussen de ouders. Ook is er geen onderlinge communicatie tussen de ouders en [de minderjarige] zit klem tussen hen. [de minderjarige] verblijft sinds 20 juli 2024 bij het gezinshuis [accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] te [plaats] . Dit verloopt relatief goed en [de minderjarige] geeft aan steeds meer te wennen aan [plaats] . Zij heeft soms moeite met de regels, vooral met betrekking tot haar telefoon. Het opbouwen van een vertrouwensband tussen [de minderjarige] en de gezinshuisouder [gezinshuisouder] is lastig en kost tijd. [de minderjarige] is twee keer weggelopen, maar herstelt daarna wel. Op dit moment zijn er aanhoudende zorgen over [de minderjarige] vanwege automutilatie, de manier waarop zij boosheid voelt en uit, haar zelfbeeld en de ingewikkelde relatie met haar ouders. Zij hoopte lang terug te keren bij de moeder, maar zij ziet dat het de moeder niet lukt om de noodzakelijke behandeling aan te gaan. [de minderjarige] verblijft om het weekend en in de vakanties bij de tante (van moederszijde, hierna: mz). Verder heeft zij wekelijks op vrijdag omgang met de moeder. De moeder is niet altijd beschikbaar als [de minderjarige] bij haar is, vanwege haar slechte conditie, waardoor zij op bed ligt of pijn heeft. Ook valt zij soms terug in middelengebruik en lukt het haar soms niet om [de minderjarige] thuis te brengen. [de minderjarige] vindt dit vervelend en wil dat de moeder beschikbaar voor haar is. Ook met de vader was een omgangsregeling afgesproken, maar deze is stopgezet en er is ingezet op een vaste afspraak, waarbij [de minderjarige] en de vader samen iets (kleins) ondernemen. Deze afspraak heeft incidenteel plaatsgevonden en het is niet gelukt een vaste afspraak te maken. Dit is wel de wens van [de minderjarige] , maar als dit niet lukt zou zij in elk geval graag haar halfbroertje willen blijven zien, wat ook lastig van de grond komt. Wanneer [de minderjarige] bij de vader aangeeft dat zij hem mist, weerkaatst hij dit namelijk door te zeggen dat [de minderjarige] hier zelf initiatief in kan tonen. [de minderjarige] heeft aangegeven dat ze het contact met de vader een beetje heeft opgegeven en zij wil dat het ook van zijn kant komt. Daarnaast spreekt de vader negatief over de moeder, de GI en de tante (mz). Hierdoor zit [de minderjarige] klem tussen hen. Op school gaat het goed, maar zij wordt wel met regelmaat op haar gedrag aangesproken. Ook is zij een dag geschorst vanwege een fysiek incident met een medeleerling.
3.3.
Sinds oktober 2024 is [behandelaar] van Family Supporters betrokken voor de behandeling van [de minderjarige] die zich richt op het verwerken van het verleden, het creëren van een positief zelfbeeld, de emoties die zij ervaart en daarbij horende automutilatie en suïcide gedachten. In maart 2025 gaf [de minderjarige] aan dat ze geen klik voelt en de behandeling wil stoppen. Zij gaf echter hetzelfde aan over haar vorige behandeling van Prins & Paard. De moeder heeft ook een patroon van het stopzetten van behandeling of hulpverlening om deze reden. [behandelaar] heeft aangegeven goede gesprekken te hebben met [de minderjarige] , wanneer zij dit toelaat. Wanneer [behandelaar] met [de minderjarige] tot een diepere laag wil komen, lukt dit [de minderjarige] echter onvoldoende en krijgt zij weerstand jegens de behandeling. Mogelijk sluit een laagdrempelige aanpak (bijvoorbeeld inzet van een coach) beter aan. Desondanks zal toch geprobeerd worden om de behandeling door te zetten, gezien de forse zorgen. Dit is nog niet met [de minderjarige] besproken.
3.4.
Verder heeft de GI in februari 2025 het voorgenomen perspectiefbesluit met [de minderjarige] en de ouders gedeeld. [de minderjarige] zag al aankomen dat zij niet terug kan naar de moeder. Het gaat namelijk slechter met de moeder. De moeder is het niet (geheel) eens met het voorgenomen perspectiefbesluit. De moeder gaf aan dat zij het zwaar heeft, zij af en toe drinkt en de neiging om drugs te gebruiken dan sterker is. Zij denkt dan ook dat [de minderjarige] nog niet terug kan, maar vindt het heftig als dit tot [de minderjarige] haar achttiende verjaardag vaststaat. De vader vindt het goed als [de minderjarige] niet bij de moeder gaat wonen, maar vindt het bij het gezinshuis ook niet goed gaan, nu er veel schoolverzuim is en [de minderjarige] de therapie bij Family Supporters heeft stopgezet.
3.5.
Daarnaast heeft de GI onderzoek gedaan naar het voortzetten van de uithuisplaatsing in het vrijwillig kader. Vanwege de wisselende mening van de moeder omtrent het terugkeren van [de minderjarige] naar huis en de emoties die hierbij komen kijken, is de GI van mening dat het voortzetten in het vrijwillig kader onstabiel is. Er is een risico dat de moeder [de minderjarige] terug in huis zal nemen als het beter gaat, terwijl nog niet alle gestelde doelen behaald zijn. [de minderjarige] zou dan worden blootgesteld aan een instabiele thuissituatie en niet toekomen aan haar eigen behandeling. De GI heeft hierover geen contact met de vader kunnen krijgen. Nu de gronden voor de ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn en het van belang is dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] geborgd wordt acht de GI verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk.
3.6.
De GI heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat het begrijpelijk is dat de ouders zorgen hebben over [de minderjarige] en dat zij hulp nodig heeft. Het is echter lastig om [de minderjarige] te dwingen om te praten. Het is de tweede keer dat [de minderjarige] aangeeft dat er geen klik is met de therapeut, terwijl de behandelaren aangaven dat er wel een klik was. Het moment dat ze bij haar gevoel komen, blokkeert [de minderjarige] en trekt zij een muur op. De GI heeft daarom geen andere behandelaar gezocht, maar systeemtherapie opgestart, om te werken aan de verhoudingen tussen de belangrijke personen in [de minderjarige] leven.
Beoordeling
Ten aanzien van het perspectiefbesluit
6.1.
De GI heeft op 17 april 2025 een perspectiefbesluit genomen, waarin de GI zich op het standpunt stelt dat [de minderjarige] niet bij de ouders kan opgroeien en dat er daarom niet meer aan thuisplaatsing zal worden gewerkt. Volgens de GI ligt haar opgroeiperspectief elders.
6.2.
De kinderrechter overweegt dat uit het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148) volgt dat de wet niet voorziet in een zelfstandige rechtsgang waarin een perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. In dat arrest heeft de Hoge Raad echter ook overwogen dat de rechter een perspectiefbesluit wel zal moeten beoordelen als dit noodzakelijk is in verband met beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van de minderjarige. In dit geval speelt dit bij de beoordeling van het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlengen.
6.3.
Daartoe wordt allereerst vastgesteld dat de aanvaardbare termijn waarin [de minderjarige] in onzekerheid kan verkeren over haar opgroeiperspectief reeds is verstreken. Het is voor haar welzijn en ontwikkeling dan ook van belang dat zij duidelijkheid krijgt hierover.
6.4.
Verder blijkt uit de stukken en wat ter zitting is besproken het volgende. [de minderjarige] is op 6 december 2023 uithuisgeplaatst, omdat de ouders haar geen veilige en stabiele opvoedomgeving met structuur konden bieden en niet emotioneel beschikbaar waren voor haar. Zij woont al enige tijd in het gezinshuis [accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] . Daar krijgt zij de rust, ruimte, structuur en veiligheid die zij nodig heeft. De gezinshuisouder is voor haar een betrouwbare en fysiek en emotioneel beschikbare opvoeder. De moeder kampt met langdurige verslavings- en traumaproblematiek, waarvoor zij behandeling en therapie moet volgen. Er zijn in het verleden meerdere hulpverleningstrajecten door de moeder stopgezet en het is haar niet gelukt om de zorgen te verminderen. De moeder ziet zelf in dat het op dit moment niet goed gaat en zij de zorg voor en opvoeding van [de minderjarige] niet zelfstandig kan dragen. [de minderjarige] ziet dat het, sinds de uithuisplaatsing, slechter met de moeder gaat en dat haar moeder haar niet kan bieden wat zij als kind nodig heeft. Duidelijk is ook dat de relatie tussen [de minderjarige] en de vader al langdurig problematisch is. De vader heeft aangegeven dat [de minderjarige] nog niet bij hem kan wonen en legt de verantwoordelijkheid voor het verbeteren van de situatie (ten onrechte) geheel bij [de minderjarige] neer. Daarnaast is het niet haalbaar dat [de minderjarige] bij de tante en oom (mz) kan opgroeien.
6.5.
Gelet op de langdurige verslavings- en traumaproblematiek van de moeder, waarvoor zij behandeling en therapie nodig heeft, en haar behandelverleden, is het niet aannemelijk dat de moeder binnen een aanvaardbare termijn in staat zal zijn tot een duurzame verbetering van de situatie te komen en de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] weer zelfstandig op zich te nemen. Hetzelfde geldt voor de vader, nu er al twee keer is geprobeerd om systeemtherapie (met de vader) op te starten ter verbetering van de verstandhouding tussen hem en [de minderjarige] , maar dit niet van de grond is gekomen. Gelet op de ervaringen uit het verleden is de verwachting niet gerechtvaardigd dat de situatie tussen hen binnen een aanvaardbare termijn zodanig zal veranderen dat zij bij de vader zal kunnen wonen/opgroeien.
6.6.
Gelet op het voorgaande onderschrijft de kinderrechter dan ook het perspectiefbesluit, in die zin dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] niet langer bij de moeder ligt, en evenmin bij de vader, maar in een perspectief biedend gezinshuis. De kinderrechter acht het door de GI genomen perspectiefbesluit in het licht van al het voorgaande – anders dan is betoogd door de moeder – ook zorgvuldig voorbereid en tevens voldoende onderbouwd dan wel gemotiveerd. Er bestaat dan ook geen aanleiding om – zoals verzocht door de moeder – nader onderzoek te laten verrichten naar de opvoedmogelijkheden van de moeder of het perspectiefbesluit te schorsen dan wel te heroverwegen. Die verzoeken van de moeder worden derhalve afgewezen.
6.7.
De kinderrechter begrijpt dat de zorg van de moeder met name gelegen is in het feit dat zij wil dat er een mogelijkheid tot terugkeer bij haar is in het geval de situatie in de toekomst wezenlijk verbetert. Deze mogelijkheid wordt met het perspectiefbesluit niet ontnomen. Voor de komende periode is het echter van belang voor [de minderjarige] dat zij weet dat zij bij het gezinshuis mag opgroeien en daarin duidelijkheid en rust ervaart, zodat zij (beter) in staat wordt gesteld om zich aan de gezinshuisouder te hechten en te werken aan haar problematiek. Dit doet niets af aan de band die zij met de ouders heeft, en meer specifiek, de liefde die zij vanuit de moeder voelt.
Ten aanzien van het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing
6.8.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [de minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Er zijn aanhoudende zorgen over [de minderjarige] vanwege automutilatie, de manier waarop zij boosheid voelt en uit, haar zelfbeeld en de ingewikkelde relatie met haar ouders. Zoals hiervoor reeds overwogen, ligt het opgroeiperspectief van [de minderjarige] niet bij de ouders, wat maakt dat er niet meer gewerkt gaat worden aan een thuisplaatsing bij een van de ouders. [de minderjarige] verblijft sinds 20 juli 2024 bij het gezinshuis [accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] te [plaats] en dit gaat relatief goed. Hoewel [de minderjarige] heeft aangegeven dat zij zich niet geheel thuis voelt bij het gezinshuis, lijkt dit wel de beste plek voor haar om op te groeien. De moeite die [de minderjarige] heeft om zich te hechten aan de gezinshuisouder lijkt voort te komen uit haar persoonlijke problematiek. Voor dit gevoel van [de minderjarige] zal de GI de komende periode aandacht blijven houden. Duidelijk is wel dat het gezinshuis haar de rust, structuur en aandacht biedt die zij nodig heeft om te werken aan haar problematiek en om tot een gezonde ontwikkeling te komen. Daarnaast verloopt het contact tussen de gezinshuisouder en beide ouders positief. Dit biedt [de minderjarige] rust en draagt bij aan het behouden van haar band met de ouders.
6.9.
Uit het voorgaande volgt dat nog steeds is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. Gelet op de aanwezige problematiek, in te zetten hulpverlening en gestelde of te stellen doelen, zal de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling verlengen met een jaar.
6.10.
Uit het voorgaande volgt ook dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding en tot onderzoek van haar geestelijke gesteldheid (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). Met deze maatregel wordt haar huidige verblijf voldoende geborgd. Gelet op bovenstaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen met een jaar.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 6 juni 2026;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in de accommodatie van jeugdhulpaanbieder [accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] te [plaats] tot 6 juni 2026;
7.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
wijst de verzoeken van de moeder af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2025 door mr. S. Ok, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Brouwer als griffier, en op schrift gesteld op 4 juni 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Feiten
Twee keer eerder is de systeemtherapie niet van de grond gekomen bij de vader en de GI hoopt dat dit nu lukt. Met betrekking tot het perspectiefbesluit is de GI van mening dat dit nu genomen moet worden, zodat [de minderjarige] duidelijkheid krijgt. [de minderjarige] heeft aangegeven dat ze bij de vader veiligheid heeft en bij de moeder liefde. De moeder redt het op dit moment echter niet om de volledige zorg en opvoeding te dragen. Verder heeft de vader nu aangegeven dat [de minderjarige] welkom is, maar dat is wisselend, wat schadelijk is voor [de minderjarige] . Ook legt de vader de verantwoordelijkheid bij [de minderjarige] door te zeggen dat zij welkom is als zij er klaar voor is, maar hij dient ook naar zichzelf te kijken. Daarnaast worden de veiligheidsafspraken niet nageleefd, nu de vader negatief blijft spreken over de moeder. Wat betreft de zorgen van de moeder over het perspectiefbesluit geldt dat de GI nu niet actief zal werken aan terugplaatsing bij de moeder, maar dit neemt niet weg dat zij dit kunnen doen als het weer beter gaat met de moeder. Met betrekking tot het gezinshuis ziet de GI dat de gezinshuisouder haar best doet om een band op te bouwen met [de minderjarige] . Mogelijk is [de minderjarige] hiertoe niet in staat is vanwege hechtingsproblematiek. De gezinshuisouder heeft goed contact met de ouders, wat positief is. Er is besloten dat [de minderjarige] niet elk weekend naar de oom en tante (mz) gaat, omdat de gezinshuisouder merkt dat [de minderjarige] erg onrustig thuiskomt en het is van belang dat zij landt bij het gezinshuis. De GI heeft ook besproken of [de minderjarige] bij de oom en tante (mz) kan wonen, maar dit is niet mogelijk.
4De standpunten
4.1.
De moeder heeft ter zitting en in de mails die zij heeft gestuurd aangegeven dat zij het eens is met de verzoeken om verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, maar dat zij het niet eens is dat het perspectiefbesluit vaststaat tot [de minderjarige] volwassen is. Zij vindt het op dit moment niet realistisch dat [de minderjarige] bij haar kan wonen vanwege haar verslavingsproblematiek en lichamelijke klachten. Het is echter mogelijk dat het in de toekomst – na behandeling – beter gaat met de moeder en [de minderjarige] wel weer bij haar kan wonen. Zij vraagt daarom om schorsing of heroverweging van het perspectiefbesluit en om benoeming van een gedragsdeskundige voor onderzoek naar haar opvoedmogelijkheden. De moeder is achter de schermen hard aan het werk. Zij woont nog in het oude huis waar zij een trauma heeft opgelopen en als zij een EMDR-behandeling start en vervolgens terugkeert in het huis werkt dat niet. Zij heeft echter geregeld dat zij binnenkort naar een afkickkliniek in Limburg gaat, waar zij tevens een EMDR-behandeling zal krijgen. Verder is de moeder van mening dat er voor [de minderjarige] hulp gezocht moet worden, nu zij zichzelf snijdt. Zij ziet ook dat [de minderjarige] weerstand heeft tegen hulpverlening.
4.2.
In het verzoekschrift is de schriftelijke reactie van de vader opgenomen, waarin hij aangeeft dat hij het eens is dat [de minderjarige] niet bij de moeder woont. Bij de gezinshuisouder gaat het echter ook niet goed, en er zit weinig verschil in of zij hier of bij de moeder woont. De vader gaf als voorbeeld dat [de minderjarige] veel schoolverzuim heeft en haar therapie heeft stopgezet.
5De mening van de minderjarige
5.1.
[de minderjarige] begrijpt dat de GI van mening is dat de verlenging nodig is en het perspectief van [de minderjarige] bij het gezinshuis [accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] ligt. De moeder is verslaafd en het lukt haar daardoor niet altijd om een moeder te zijn. [de minderjarige] vindt het jammer dat het haar moeder niet gelukt is om de behandeling aan te gaan, maar neemt haar dit niet kwalijk. [de minderjarige] heeft echter nog geen klik met de gezinshuisouder en de andere kinderen bij het gezinshuis. Ook heeft ze moeite met de regels. Zij vindt het wel fijn dat het dicht bij [plaats] is, maar ziet zichzelf niet op deze plek opgroeien. [de minderjarige] gaat een keer per twee weken naar haar oom en tante (mz) en dit voelt fijner en hier heeft zij meer vrijheid. Zij zou hier graag elk weekend verblijven, maar de gezinshuisouder vindt dat te veel. [de minderjarige] kan niet bij de oom en tante (mz) wonen. De vader heeft aangegeven dat ze in de toekomst bij hem kan wonen als ze er echt klaar voor is. Ze zijn het contact nog aan het opbouwen en misschien kan het wonen daar als het goed gaat tussen [de minderjarige] en haar broertje. [de minderjarige] zag de vader weinig en had het gevoel dat hij geen moeite doet, maar ze hebben nu weer wat meer contact. [de minderjarige] is gestopt met de therapie die zij kreeg, omdat dit nu te veel is voor haar.