Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-03
ECLI:NL:RBNHO:2025:6095
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,496 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/360489 / JU RK 24-1956
Datum uitspraak: 3 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd te Alkmaar,
hierna te noemen: de GI.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[partner van de moeder]
, partner van de moeder,
[echtgenote van de vader]
, echtgenote van de vader.
1Het procesverloop
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de moeder, met bijlagen, van 23 december 2024, binnengekomen bij de rechtbank op 24 december 2024;
- de e-mail van de GI, met bijlagen, van 3 januari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader en zijn echtgenote;
- de moeder en haar partner;
- [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
Bij beschikking van 28 februari 2024 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 28 februari 2025.
2.4.
De GI heeft op 24 december 2024 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
“-Moeder/ [partner van de moeder] werkt volledig mee aan de behandeling van NiCare, inclusief de tijdelijke omgangsregeling startend op 6-1-2025;
-Moeder/ [partner van de moeder] doet geen melding/aangifte bij de politie van onttrekking aan ouderlijk gezag door de vader/DJGB, op 6-1-2025 of een andere datum;
-Moeder/ [partner van de moeder] stopt met de bezwaren tegen en kritiek op de werkwijze van DJGB; er worden geen (klacht/bemiddeling)gesprekken meer aangevraagd als voorwaarde voor voortzetting van het proces;
-Moeder/ [partner van de moeder] werkt volledig mee aan de uitvoering van alle adviezen die op grond van de behandeling van NiCare mogelijk gegeven worden;
-Moeder/ [partner van de moeder] werkt mee aan een blijvende, definitieve uitbreiding van de omgang van [de minderjarige] met de vader na de behandeling bij NiCare, toewerkend naar een regeling waarbij [de minderjarige] de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader is, als dit dan nog steeds in het belang van [de minderjarige] geacht wordt door DJGB en/of hulpverlening.”
3Het verzoek
3.1.
De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI van 24 december 2024 geheel, dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren.
3.2.
De moeder is het niet eens met de inhoud van de schriftelijke aanwijzing, de wijze waarop deze tot stand gekomen is, en de onderbouwing daarvan. Zij geeft aan dat deze aanwijzing zonder overleg en tegen eerdere afspraken in is opgelegd.
3.3.
De moeder heeft in haar verzoekschrift aangegeven dat zij wel degelijk bereid is mee te werken aan afspraken die nodig zijn om de ondertoezichtstelling goed uit te voeren. Echter behoort het eenzijdig wijzigen van de omgangsregeling door de GI niet tot de doelen van de ondertoezichtstelling. De moeder wijst erop dat was afgesproken dat [de minderjarige] na de kerstvakantie, op 6 januari 2025 na school zou terugkeren naar de moeder. In de tussentijd werd overlegd over een startdatum voor een behandeling bij NiCare en een tijdelijke omgangsregeling met een bijbehorend tijdelijk ouderschapsplan. De GI had geadviseerd dat een startdatum voor de behandeling bij Nicare op 20 januari 2025 geschikter zou zijn voor [de minderjarige] . Echter, de volgende dag werd ineens, zonder overleg, medegedeeld dat de behandeling op 6 januari zou beginnen en [de minderjarige] dus op 6 januari 2025 bij de vader zou blijven. Pas op 19 december 2024 ontving de moeder ineens per mail een aankondiging van de schriftelijke aanwijzing van 24 december 2024.
3.4.
De moeder is verbaasd dat de GI hierbij ook de school heeft geïnformeerd dat de moeder [de minderjarige] op 6 januari niet mag ophalen. De moeder vindt het onwenselijk dat de school bij dit conflict wordt betrokken. Zij benadrukt dat er eerder mondelinge afspraken zijn gemaakt, onder andere in aanwezigheid van een gedragswetenschapper, waarin duidelijk werd gesteld dat wijzigingen in de omgangsregeling alleen in gezamenlijk overleg en met instemming van beide ouders kunnen plaatsvinden. Ondanks deze afspraken heeft de GI toch zelfstandig een wijziging opgelegd. Daarnaast verwijst de moeder naar herhaalde problemen met mondelinge afspraken, die regelmatig door de vader niet worden nageleefd, wat tot spanningen tussen de ouders leidt. Om herhaling van deze conflicten te voorkomen, hebben zij meermaals voorgesteld om duidelijke en schriftelijke afspraken vast te leggen in een tijdelijk ouderschapsplan. Dit voorstel heeft echter geen overeenstemming opgeleverd. De moeder stelt dat deze gang van zaken het vertrouwen in het overlegproces met de GI ondermijnt en dat het eenzijdig opleggen van de gewijzigde regeling niet in het belang van [de minderjarige] is. Daarom verzoekt zij de kinderrechter om de schriftelijke aanwijzing (gedeeltelijk) te laten vervallen, zodat er alsnog gezamenlijk en in overleg passende afspraken kunnen worden gemaakt voorafgaand aan de start van de behandeling bij NiCare.
3.5.
De moeder heeft hier op de zitting aan toegevoegd dat ze ontevreden is over de manier waarop de schriftelijke aanwijzing tot stand gekomen is. De moeder wijst erop dat er onduidelijkheid is over de duur en de aard van de behandeling, en dat er niet altijd wordt gereageerd op haar voorstellen en verzoeken, zoals het concept ouderschapsplan dat ze had gestuurd. De moeder heeft steeds aangedrongen op duidelijkere afspraken over de omgangsregeling en de communicatie, en ze wil dat de beslissingen met meer zorgvuldigheid en in afstemming met haar, worden genomen. De moeder vindt dat ze recht heeft op bepaalde acties, zoals het doen van aangifte als zij vindt dat sprake is van onttrekking van ouderlijk gezag. Hieraan maakt de vader zich volgens de moeder schuldig als hij op 6 januari [de minderjarige] bij zich houdt.
3.6.
De moeder heeft verder aangegeven dat haar partner [partner van de moeder] geen gezaghebbende ouder betreft zodat de GI hem niet kan betrekken in de schriftelijke aanwijzing alsmede dat de GI haar niet kan verbieden om aangifte te doen als zij dat wenst.
4De standpunten
Het standpunt van de GI
4.1.
De GI heeft tijdens de zitting aangegeven dat er op 11 december 2024 een kerstvakantie regeling overeengekomen was waarbij [de minderjarige] tot 6 januari bij de vader zou blijven. De moeder is hier, weliswaar met bedenkingen, min of meer mee akkoord gegaan.
Ten gevolge van de behandeling van Nicare is vervolgens de regeling inderdaad in die zin aangepast dat [de minderjarige] een paar dagen langer bij de vader blijft. Dit is geen verandering van de eerdere regeling noch een eenzijdige wijziging door de GI van de reguliere omgang maar slechts een toevoeging.
4.2.
De GI heeft hiertoe besloten omdat er al lange tijd wordt geprobeerd om de behandeling van [de minderjarige] en de vader bij NiCare op te starten. Dit komt echter niet van de grond. NiCare had inmiddels laten weten dat de behandeling zo snel mogelijk opgestart moest worden en zij zich anders zouden terugtrekken. Voor de behandeling is het noodzakelijk dat [de minderjarige] een langere periode achtereen bij de vader verblijft zodat NiCare de interactie en opvoedvaardigheden van de vader kan monitoren en zo kan adviseren over een mogelijke uitbreiding van de omgang tussen [de minderjarige] en de vader. De GI heeft besloten om dit vast te leggen in een aankondiging schriftelijke aanwijzing, omdat inmiddels duidelijk was dat de moeder zich niet kon vinden in een uitbreiding van de omgang van meer dan
2 dagen rondom het weekend. De GI wilde dat de behandeling zo snel mogelijk van start kon gaan en voorkomen dat er wederom iets tussen zou komen.
4.3.
Omdat de moeder dreigde [de minderjarige] 6 januari toch van school op te halen heeft de GI zich genoodzaakt gezien om de school te benaderen. Immers zou dit strijd tussen de ouders op kunnen leveren waar [de minderjarige] dan getuige van zou zijn hetgeen schadelijk voor haar is.
Beoordeling
5.1.
Op grond van artikel 1:263, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van een minderjarige indien dit noodzakelijk is om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Op grond van artikel 1:264, eerste lid, BW kan de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren, waarbij de kinderrechter een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.
5.2.
Voor de inhoudelijke beoordeling van het verzoek is van belang dat de schriftelijke aanwijzing valt aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene Wet Bestuursrecht, zodat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn. Dat betekent concreet dat de kinderrechter moet beoordelen of bij de besluitvorming door de GI de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (bijvoorbeeld het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel) in acht zijn genomen en of de GI in redelijkheid tot de schriftelijke aanwijzing heeft kunnen komen. Bij de beoordeling daarvan kan de kinderrechter rekening houden met gewijzigde omstandigheden (toetsing ex nunc).
5.3.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing van de GI van 24 december 2024 voldoende zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd en dat deze noodzakelijk geacht moet worden in het belang van [de minderjarige] . De kinderrechter heeft bij haar beslissing het volgende overwogen.
5.4.
Uit hetgeen door de GI naar voren is gebracht is naar het oordeel van de kinderrechter duidelijk dat de aanwijzing betrekking heeft op de behandeling van de vader en [de minderjarige] bij NiCare en niet op een eenzijdige wijziging van de (tijdelijke) omgangsregeling door de GI. Dat [de minderjarige] hierdoor een paar dagen langer aaneengesloten bij de vader verblijft doet hier niet aan af. Vast staat ook dat de behandeling bij Nicare noodzakelijk is en in [de minderjarige] haar belang is.
5.5.
Uit hetgeen door de GI naar voren is gebracht acht de kinderrechter verder afdoende duidelijk geworden dat er al lange tijd wordt getracht de behandeling op te starten en dit nu echt op korte termijn moest gebeuren. Dit geldt eveneens voor de stelling van de GI dat de moeder vooralsnog niet, althans onvoldoende, medewerking heeft verleend aan het opstarten van het behandelingstraject van NiCare.
5.6.
De kinderrechter stelt vast dat de schriftelijke aanwijzing als doel heeft dat de moeder meewerkt aan de behandeling van het NiCare traject vanaf 6 januari en de daaruit volgende tijdelijke omgangswijziging. De kinderrechter is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing geen moment opname betreft, maar moet worden gezien in het grotere geheel. Er is al langere tijd sprake van een noodzakelijke behandeling van NiCare om de opvoedvaardigheden van de vader te beoordelen bij een uitbreiding van de omgang, maar er is geen vooruitgang geboekt in het vinden van een werkbare oplossing om deze behandeling te laten starten. NiCare heeft bij de GI aangegeven dat het belangrijk is om op
6 januari, of uiterlijk 13 januari te beginnen, omdat NiCare anders niet meer wil starten met de behandeling. De kinderrechter deelt de visie van de GI dat het starten op 13 januari niet in het belang van [de minderjarige] is, omdat dit zou leiden tot een extra wisselmoment.
De kinderrechter acht daarom de keuze van de GI om, in samenspraak met NiCare, de behandeling te starten op 6 januari het meest in het belang van [de minderjarige] begrijpelijk. De kinderrechter wijst het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing van de GI in die zin, vervallen te verklaren daarom af.
5.7.
De kinderrechter ziet wel aanleiding om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren voorzover deze betreft de afspraken over het doen van aangifte bij de politie, het stoppen van bezwaren en kritiek op de werkwijze van de GI in het algemeen en het meewerken aan een blijvende en definitieve uitbreiding van de omgang van [de minderjarige] met de vader. Hoewel een goede samenwerking tussen alle betrokkenen, en in het bijzonder de moeder en de GI, verreweg de voorkeur verdient en je kan afvragen of het doen van aangifte een constructieve bijdrage oplevert aan het maken van afspraken, is zowel het doen van aangifte als het hebben van kritiek op de werkwijze van de GI, een recht van ouders wat hen niet in een schriftelijke aanwijzing kan worden ontzegd.
5.8.
Wat betreft het meewerken aan een blijvende omgangsregeling merkt de kinderrechter op dat dit nog niet aan de orde is en aldus het doel van de schriftelijke aanwijzing overstijgt.
5.9.
Ten aanzien van de opmerking van de moeder dat [partner van de moeder] geen gezaghebbende ouder is en dus niet in de schriftelijke aanwijzing opgenomen zou moeten worden merkt de kinderrechter op dat dit formeel juist is. Gezien het feit dat door alle betrokkenen, inclusief de moeder en [partner van de moeder] zelf, naar voren is gebracht dat [partner van de moeder] zowel in de begeleiding van de moeder als bij de opvang van [de minderjarige] binnen het gezin een belangrijke rol vervult ziet de kinderrechter aanleiding om [partner van de moeder] tussen haakjes (( )) op te nemen in de schriftelijke aanwijzing.
5.10.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek van de moeder tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing van 24 december 2024 gedeeltelijk toe;
6.2.
laat de schriftelijke aanwijzing van 24 december 2024 in stand wat betreft de navolgende afspraken:
“-Moeder ( [partner van de moeder] ) werkt volledig mee aan de behandeling van NiCare, inclusief de tijdelijke omgangsregeling startend op 6-1-2025;
-Moeder( [partner van de moeder] ) vragen geen (klacht/bemiddeling)gesprekken meer aan als voorwaarde voor voortzetting van het proces met betrekking tot de behandeling door NiCare;
-Moeder( [partner van de moeder] ) werkt volledig mee aan de uitvoering van alle adviezen die op grond van de behandeling van NiCare mogelijk gegeven worden.”
6.3.
verklaart de schriftelijke aanwijzing van 24 december 2024 vervallen voor wat betreft de volgende afspraken:
“-Moeder/ [partner van de moeder] doet geen melding/aangifte bij de politie van onttrekking aan ouderlijk gezag door de vader/DJGB, op 6-1-2025 of een andere datum;
-Moeder/ [partner van de moeder] stopt met de bezwaren tegen en kritiek op de werkwijze van DJGB;
-Moeder/ [partner van de moeder] werkt mee aan een blijvende, definitieve uitbreiding van de omgang van [de minderjarige] met de vader na de behandeling bij NiCare, toewerkend naar een regeling waarbij [de minderjarige] de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader is, als dit dan nog steeds in het belang van [de minderjarige] geacht wordt door DJGB en/of hulpverlening.”
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2025 door
mr. N. Cuvelier, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Groot als griffier, en op schrift gesteld op 14 januari 2025.