Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-05-28
ECLI:NL:RBNHO:2025:5934
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
3,338 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2092
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 mei 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. R.A. Bos),
en
de burgemeester van de gemeente Haarlemmermeer
(gemachtigde: C. Bakkum).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] voor de duur van zes maanden. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
3. Met het bestreden besluit van 15 april 2025 heeft de burgemeester medegedeeld de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] voor de duur van zes maanden te sluiten.
4. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De burgemeester heeft toegezegd geen uitvoering te geven aan de sluiting totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de burgemeester.
Beoordeling
6. De voorzieningenrechter ziet in de aangekondigde woningsluiting een voldoende spoedeisend belang zoals dat voor het treffen van een voorlopige voorziening is vereist. Nu verzoeker een spoedeisend belang heeft, zal de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening inhoudelijk beoordelen.
7. De voorzieningenrechter kan bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen, beoordelen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Daarnaast kan de voorzieningenrechter de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de algemene belangen, c.q. de belangen waar de burgemeester voor staat, die pleiten tegen het treffen daarvan, in zijn afweging betrekken. Ook dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Feiten
9. Verzoekster is (samen met haar echtgenoot) eigenaar van de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] .
10. De burgemeester heeft op 21 maart 2025 van de politie eenheid Noord-Holland een bestuurlijke rapportage ontvangen. Hieruit volgt dat de politie de zoon van verzoekster op 14 maart 2025 op heterdaad heeft aangehouden op verdenking van, bezit van, en handel in harddrugs. De waarneming van (vermoedelijke) drugshandel werd gedaan op [adres 2] in [plaats 2] . In het voertuig van de zoon van verzoekster vond de politie in een verstopte sok in een binnenruimte van de middenconsole en handelshoeveelheid harddrugs (35 ponypacks met (vermoedelijk) cocaïne en 6 gripzakjes met (vermoedelijk) crack).
11. Naar aanleiding van de aanhouding heeft de politie op diezelfde dag onderzoek gedaan in de woning van verzoekster. In de slaapkamer van de zoon van verzoekster zijn de volgende goederen aangetroffen:
Contant geld (€ 21.990,-)
Zak wit poeder (vermoedelijk cocaïne)
Zak met ponypacks 43x
Geldtelmachine
Kluis met:
o Zak XTC pillen 100x
o Vermaalapparaat
o Zak met ponypacks 214x
o Blok cocaïne 110 gram
o Gevulde gripzakjes met cocaïne 8x
o Gripzakje met cocaïne 37 gram
o Blender met witte aanslag
o Zak met Manitol (versnijdingsmiddel) 100 gram
o Koffiefilters 3x
Weegschaaltjes 3x
Steelpan met wit snijgruis
Bestekmes met witte aanslag snijvlak
Zak kristallen (mogelijk MDMA)
Zak muntgeld € 390,-
Blok cocaïne 2x
Half blok cocaïne 1x
Inositol europowder (vernijdingsmiddel) 100 gram
Blokjes gebroken cocaïne 3x
Vuurwerk (cobra’s) 4x
In een tweede kamer, gebruikt als kleedkamer, zijn twee blokken cocaïne (van 1 kg en 0,5 kg) aangetroffen. In totaal heeft de politie ruim 3,5 kg aan verdovende middelen in de woning aangetroffen.
12. Naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage heeft de burgemeester op 1 april 2025 een brief aan verzoekster gestuurd met het voornemen de woning voor zes maanden te sluiten. In het voornemen wordt verzoekster in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen.
13. Bij brief van 8 april 2025 heeft verzoekster een zienswijze ingediend. Bij besluit van 15 april 2025 heeft de burgemeester besloten de woning te sluiten voor een periode van zes maanden, ingaande één week na verzending van het besluit.
Wat vindt verzoekster?
14. Verzoekster is het met de sluiting niet eens. In haar bezwaarschrift stelt verzoekster zich op het standpunt dat de sluiting van de woning niet noodzakelijk is. Daartoe voert zij – kort samengevat – aan dat zij geen verdachte is in het strafrechtelijk onderzoek en dat er geen antecedenten zijn. Er zijn bovendien geen indicaties dat de drugs vanuit de woning werden verkocht of dat de woning kan worden aangemerkt als drugspand. Niet gebleken is dat er dealers en/of gebruikers aanwezig zijn geweest in de woning. De zoon van verzoekster zit op dit moment vast en op het moment dat hij vrij komt dient hij per direct een andere woning te zoeken. De woning speelt daarmee geen rol meer in de georganiseerde drugshandel.
15. Voorts stelt verzoekster zich op het standpunt dat de sluiting van de woning niet evenredig is. Kort samengevat stelt verzoekster dat haar geen verwijt kan worden gemaakt. Ook de gevolgen van de sluiting dienen meegewogen te worden in het kader van de evenredigheid. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat het voor haar niet mogelijk is om voor een periode van zes maanden bij familie of vrienden te verblijven. Ook beschikt zij niet over de financiële middelen om te betalen voor een hotel of Airbnb. Hierdoor zal verzoekster bij het sluiten van de woning op straat komen te staan. Dit is gelet op haar slechte gezondheid verre van wenselijk. Zij kampt met depressie, astma, hartfalen, borstkanker en diabetes mellitus gerelateerde klachten. Zij zal hierdoor extra lijden onder het sluiten van haar woning. Daarnaast kan verzoekster door voetklachten niet pijnvrij lopen, wat het zeer complex zal maken om dakloos te zijn.
Was de burgemeester bevoegd om de schuur te sluiten?
16. De burgemeester heeft invulling gegeven aan de bevoegdheid die haar op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet toekomt. De vondst van de drugs en de vastgestelde hoeveelheid worden door verzoekster niet betwist. Dat leidt ertoe dat de burgemeester in beginsel bevoegd moet worden geacht om toepassing te geven aan artikel 13b van de Opiumwet.
17. Aan de voorzieningenrechter ligt ter beoordeling voor of de burgemeester in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van haar bevoegdheid om tot sluiting van de woning over te gaan. Hij neemt daarbij de vaste jurisprudentie en het beleid van de burgemeester in acht en beoordeelt de noodzakelijkheid en de evenredigheid van de maatregel.
Is sluiting van de woning noodzakelijk?
18. Uit vaste rechtspraak volgt dat bij de beoordeling van de noodzaak van de sluiting de vraag aan de orde is of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Aan de hand van de ernst en de omvang van de overtreding dient te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Voor de beoordeling van de ernst en omvang van de overtreding is van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Met een sluiting wordt bekendheid van het pand als drugspand weggenomen en wordt de “loop” naar het pand eruit gehaald. Daarmee wordt beoogd om het pand aan het drugscircuit te onttrekken. Dat drugs in of vanuit het pand werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van een grote hoeveelheid drugs en/of attributen die duiden op handel vanuit het pand. Als er geen of weinig aanwijzingen zijn dat in of vanuit het pand drugs worden verhandeld en dit ook niet of onvoldoende door de burgemeester wordt onderbouwd, zal er doorgaans een mindere mate van of geen overlast zijn in de omgeving van het pand en wordt de openbare orde in mindere mate of niet verstoord. Voorts zijn er een aantal aanvullende omstandigheden die de noodzaak tot sluiting groter kunnen maken, bijvoorbeeld de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs, een recidivesituatie of de ligging van een woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk. Ook kan de vraag van belang zijn of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld.
19. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van de burgemeester dat er – gelet op de aangetroffen hoeveelheid drugs en attributen – aangenomen mag worden dat er sprake is van handel door de zoon van verzoekster. De voorzieningenrechter constateert echter dat er geen feitelijke handel vanuit de woning waargenomen is en ook geen sprake is van ‘loop’ naar de woning. De burgemeester heeft ter zitting ook erkend dat er geen concrete aanwijzingen zijn op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat de zoon van verzoekster niet alleen vanuit de auto heeft gehandeld, maar dat er ook bij de woning gehandeld zou zijn. De voorzieningenrechter constateert voorts dat – in tegenstelling tot wat de burgemeester heeft geoordeeld in het bestreden besluit – de twee (aanvullende) MMA-meldingen die in de bestuurlijke rapportage zijn opgenomen niet zien op de woning van verzoekster.
Conclusie
24. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit tot sluiten van de woning wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Damoclesbeleid gemeente Haarlemmermeer 2023.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912 en 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910.
Uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.
Uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912, r.o. 4.2.2.