Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-09
ECLI:NL:RBNHO:2025:5869
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,599 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/360295 / JU RK 24-1910
Datum uitspraak: 9 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te Almere,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 december 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] .
2.3.
De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad heeft [de minderjarige] bij beschikking van 19 oktober 2021 onder toezicht gesteld, welke steeds is verlengd en voortduurt tot 13 januari 2025.
2.4.
De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad heeft bij beschikking van 28 oktober 2021 de machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een 24-uursvoorziening voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, tot 19 januari 2022.
2.5.
De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere heeft bij beschikking van 19 september 2023 een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 13 januari 2024. De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere heeft bij beschikking van 9 januari 2024 de machtiging verlengd om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 13 januari 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar.
De GI verzoekt de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI motiveert het verzoek als volgt. Er zijn nog steeds zorgen over de ontwikkeling en de veiligheid van [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft een belast verleden. De GI vindt het weliswaar positief om te zien dat [de minderjarige] , de moeder en de opa zich hebben opengesteld voor de systeembehandeling en dat dit geresulteerd heeft in contactherstel, maar [de minderjarige] heeft nog altijd een plek nodig met duidelijke regels en structuur. Daarnaast is het belangrijk dat [de minderjarige] een groepsleiding om zich heen heeft die hem ziet en steunt en daarnaast oog heeft voor zijn belaste verleden. Dit krijgt [de minderjarige] bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Verder hoopt de GI dat de groepsleiding [de minderjarige] door middel van steun en sturing kan helpen om zich te herpakken op school. Ook is het voor [de minderjarige] van belang dat de woongroep hem kan blijven steunen in het strafproces aangezien [de minderjarige] voor de rechter moest verschijnen vanwege een verdenking van een nieuw strafbaar feit gepleegd tijdens zijn proeftijd. Bovendien hebben zowel de moeder als [de minderjarige] uitgesproken dat het perspectief van [de minderjarige] niet thuis ligt. Op dit moment lijkt er daarom geen andere plek te zijn dan [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , waar [de minderjarige] de juiste, continue ondersteuning aangeboden krijgt. Daarnaast dient de intensieve behandeling in de vorm van systeemtherapie en (trauma)behandeling gecontinueerd te worden om langzaamaan te leren vertrouwen op mensen om hem heen, denkfouten te leren herkennen en helpende copingvaardigheden aan te leren.
De GI wil de komende periode werken aan de volgende doelen:- [de minderjarige] groeit op in een veilige, gestructureerde omgeving waar hij ruimte krijgt om zich te
ontplooien;- [de minderjarige] staat open voor behandeling gericht op traumaverwerking en emotieregulatie;- [de minderjarige] zijn band met zijn moeder en zijn opa is hersteld naar wensen/behoefte van beiden;- [de minderjarige] heeft duidelijkheid over zijn toekomstperspectief;- [de minderjarige] komt niet opnieuw in aanraking met politie en justitie;- [de minderjarige] heeft een positieve dag- en vrijetijdsbesteding in de vorm van school, sport en werk;- [de minderjarige] zijn drugsgebruik heeft geen invloed op zijn dagelijkse positieve bezigheden;- [de minderjarige] kan omgaan met de traumatische gebeurtenissen uit het verleden die de kans op
herhaling van het plegen van een nieuw strafbaar feit vergroten.
3.2.
De GI heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat het goed gaat met [de minderjarige] . De combinatie van de rust en regelmaat doordeweeks op de groep en daarna een gezellig weekend bij de moeder zorgt dat [de minderjarige] zich kan ontwikkelen. De hulp bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] draagt in grote mate bij aan deze ontwikkeling. Verder benoemt de GI dat [de minderjarige] niet op de zitting aanwezig is omdat hij een tentamen heeft. Dit laat zien dat [de minderjarige] zijn school weer heeft herpakt en dat is een positieve ontwikkeling. Ondanks dat de GI ziet dat de motivatie van [de minderjarige] vooral ligt bij werken en geld verdienen om zijn boetes en schadevergoeding te betalen, heeft hij inmiddels bijna zijn niveau 1 gehaald. Ook heeft [de minderjarige] zijn scooterrijbewijs gehaald waardoor hij makkelijker naar school kan gaan. De GI wijst er verder op dat het de kracht is van [de minderjarige] dat hij zich altijd kan herpakken waardoor er niet meteen paniek is als het even minder gaat. De GI vindt een verlenging van de ondertoezichtstelling echter nog wel nodig om deze prille ontwikkeling te continueren en te monitoren. Bovendien moet de systeemtherapie nog voor drie maanden worden voortgezet en wil de GI werken aan de uitbreiding van het contact met de familie. Daarnaast heeft [de minderjarige] de wens om zelfstandig te gaan wonen. De GI wil hem daarop voorbereiden en in kaart brengen wat hiervoor geregeld moet worden. Ook is de strafzaak van [de minderjarige] aangehouden omdat de advocaat niet bij de zitting kon zijn, waardoor dit ook nog loopt.
4De standpunten
De moeder heeft ter zitting aangegeven dat zij onlangs naar [plaats] is verhuisd waardoor zij nu dichterbij [de minderjarige] woont. [de minderjarige] heeft bij de moeder een eigen kamer en een tv. De moeder ziet dat [de minderjarige] zijn leven nu beter op orde heeft en betere keuzes maakt. De recente positieve ontwikkelingen zijn goed voor het zelfvertrouwen van [de minderjarige] . Het zou voor de moeder echter te veel zijn als [de minderjarige] weer thuis zou komen wonen. De moeder heeft de hulp van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] nog nodig en [de minderjarige] zit bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] goed op zijn plek. Het geeft de moeder daarnaast een gevoel van veiligheid dat [de minderjarige] bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] verblijft. De moeder heeft gelet op de veranderde thuissituatie ook verzocht om de systeemtherapie langer voort te laten duren. De moeder is blij met de situatie zoals die nu is. Zij is het daarom eens met het verzoek.
Beoordeling
Ondertoezichtstelling
5.1.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [de minderjarige] zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreigingen bestaan uit het feit dat de positieve ontwikkelingen nog pril zijn en het daarvoor niet goed ging met [de minderjarige] . Er waren veel zorgen over de schoolgang, het plegen van strafbare feiten, onverwerkte trauma’s, het gebrek aan contact met de familie en softdrugsgebruik. Het is positief dat [de minderjarige] stappen vooruit heeft gezet waardoor deze zorgen aanzienlijk zijn verminderd en hij weer beter contact heeft met zijn moeder, broer en opa, maar de kinderrechter acht het van belang dat de GI betrokken blijft om te zorgen dat de zorgen niet opnieuw gaan spelen. De GI dient in dit kader ook te kijken of er nog andere hulpverlening nodig is. Ook kan de komende periode benut worden om [de minderjarige] voor te bereiden op zelfstandig wonen.
5.2.
Tevens blijkt dat de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is in dit geval ook nu niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, omdat het de moeder en [de minderjarige] nog niet is gelukt om de situatie zelfstandig onder controle te krijgen en te houden.
5.3.
Alhoewel [de minderjarige] en zijn moeder hebben uitgesproken dat het perspectief van [de minderjarige] niet thuis bij de moeder ligt en de verwachting vooralsnog niet gerechtvaardigd is dat de ouder die het gezag uitoefent binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen, acht de kinderrechter het in het belang van [de minderjarige] en zijn ontwikkeling noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd.
5.4.
Gelet op de aanwezige problematiek en de gestelde of te stellen doelen zal de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling verlengen met een jaar. Uithuisplaatsing
5.5.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [de minderjarige] verblijft bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en dat het daar beter met hem gaat. De rust en regelmaat die hij doordeweeks op de groep ervaart en de hulp die hij daar krijgt zorgen ervoor dat [de minderjarige] zich positief kan ontwikkelen. [de minderjarige] gaat weer naar school, werkt, heeft zijn scooterrijbewijs gehaald en maakt betere keuzes. Het verblijf bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] zorgt er ook voor dat [de minderjarige] in het weekend een prettig verblijf kan hebben bij de moeder. [de minderjarige] en de moeder zijn het erover eens dat het goed is dat hij een eigen plek heeft waar hij rust ervaart. Dit komt het contact tussen [de minderjarige] en de familie ten goede. Het is op dit moment dan ook niet in het belang van [de minderjarige] dat hij terugkeert naar de moeder. Voor de moeder is dit nog te veel. Het contactherstel tussen [de minderjarige] en zijn moeder en broer is namelijk nog in ontwikkeling en ze zijn nog bezig met systeemtherapie. Het is daarom in het belang van [de minderjarige] om bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] te blijven en zijn ontwikkeling daar voort te zetten.
5.6.
Uit het voorgaande volgt dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter zal de uithuisplaatsing daarom verlengen met de duur van een jaar. De kinderrechter geeft de GI hierbij in overweging om na te denken over het nemen van een beslissing over het perspectief van [de minderjarige] . Ter zitting is namelijk gebleken dat de GI, de moeder en [de minderjarige] het erover eens zijn dat [de minderjarige] niet meer thuis zal gaan wonen.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 13 januari 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 13 januari 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2025 door mr. G.D. de Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R. Moes als griffier, en op schrift gesteld op 22 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.