Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-05-09
ECLI:NL:RBNHO:2025:5581
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,569 tokens
Inleiding
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/1851
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 mei 2025 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.A. Biermasz),
en
de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, verweerder.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 24 maart 2025.
Verweerder heeft bij besluit van 20 december 2024 een vergunningaanvraag van eiseres voor de uitvoer van afsluiters naar een afnemer in China afgewezen.
Bij beslissing op bezwaar van 24 maart 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen voornoemd besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Zij heeft verzocht om versnelde behandeling van de zaak op grond van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft dat verzoek ingewilligd, omdat de zaak spoedeisend is.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2025.
Namens eiseres zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door gemachtigde en haar kantoorgenote mr. [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. drs. [naam 4] , mr. [naam 5] en [naam 6] MSc.
De onderhavige zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met het nummer HAA 25/1913.
Alles wat in die zaak is verklaard en overgelegd wordt voor zover relevant voor deze zaak, geacht ook te zijn verklaard en overgelegd in deze zaak.
Feiten
1. Op 9 oktober 2024 heeft eiseres bij de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer (hierna: CDIU) een individuele vergunning aangevraagd voor de uitvoer van afsluiters van SG-post 2B350.g.1, en GN-onderverdelingen 8481 8079 en 8481 3099. Eiseres heeft het eindgebruik van de afsluiters als volgt omschreven: “Deze afsluiters worden gebruikt in de zuurstofleiding van een chemische eenheid voor de omzetting van steenkool in vergassing om de zuurstofstroom af te sluiten of te openen.”2. De afsluiters werden geleverd aan [bedrijf 1] , onder de leveringsconditie “EXW”. De eindgebruiker in China is [eindgebruiker] ., gevestigd te [stad] in China (hierna ook: [eindgebruiker] of eindgebruiker). De rechtstreekste levering aan [eindgebruiker] zou worden verzorgd door [bedrijf 1] .
3. Tot de stukken van het geding behoren drie end-userverklaringen.- een verklaring van BISIEC, MOFCOM, P.R. China van 30 september 2024:
“The importer and end-user have undertaken that commodities listed below are for the stated end-use, and will not divert, transship or reexport them to another destination without approval of the Ministry of Commerce of the People’s Republic of China”.
- een verklaring [eindgebruiker] van 25 februari 2025: “We certify that the [eiseres] produced valves being ultimately supplied to [eindgebruiker] (…) will exclusively be used by [eindgebruiker] for civil purposes (specifically processing coal to hydrogen). The valves will not be used directly or indirectly in the manufacture of munitions, or for any other military end-uses. (…) the supplied globe and check valves will be used exclusively for oxygen lines in coal-to-hydrogen units. The coal-to-hydrogen unit is designed to produce hydrogen. Hydrogen will be used to improve oil products in petroleum refining through hydrogenation. The coal to hydrogen units are part of a refining and chemical integration project with production capacity of 15 million tons/year of oil refining, 1.65 million tons/year of ethylene and 2 million tons/year of p-xylene.”
- een verklaring van [eindgebruiker] , op briefpapier van [bedrijf 2] (het concern waartoe eiseres behoort), uit januari 2025: “…products acquired from and/or products serviced by [bedrijf 2] , or any of the applicable technology, will not be exported, re-exported, sold, transferred, diverted, or otherwise disposed of in violation of any (a) export or re-export regulations specific to the U.S., E.U., U.K., or other country; (…) (f) laws associated with “dual-use” items that may have military and civilian applications (…). I certify that the products will not be used in any government, military, and educational institution, or in nuclear weapons, missiles, chemical or biological weapons, or in electronic or information warfare.”
4. Tot de stukken van het geding behoren verwijzingen naar diverse internetsites waarop de samenwerking tussen westerse ondernemingen en [eindgebruiker] wordt genoemd:- [website 1] , een bericht van 18 mei 2021: “[ [eindgebruiker] ] has signed contracts with [bedrijf 3] a subsidiary of [bedrijf 4] for the license, basic engineering, and technical services for a new combined IsoTherming® kerosene/diesel hydrotreater (KDHT). The grassroots hydrotreater is one of many units included as part of the greenfield fully integrated refining and petrochemical complex that will be located in [district] , [stad] , [provincie] , China.”
Een gelijkluidend bericht van dezelfde datum is opgenomen op de site van [bedrijf 4] .
- [website 2] , een bericht van 29 juli 2021: “[ [eindgebruiker] ] has let contracts to [bedrijf 21] LLC and [bedrijf 6] – [bedrijf 8] – to license process technologies for two new plants to be installed as part of the operator’s proposed grassroots integrated refining and petrochemical complex in [district] , [stad] , [provincie] , China”
- [website 3] , een bericht 30 juli 2021: “ [bedrijf 21] and [bedrijf 6] ) has announced multiple technology contracts from [eindgebruiker] . for a grassroots refinery and petrochemical complex in [provincie] , China.”
- [website 4] , een bericht van 10 maart 2022: "..." taken the final investment decision to participate in the development of a major integrated refinery and petrochemical complex in [regio] . [bedrijf 5] ( [bedrijf 5] ), a joint venture between [bedrijf 5] , [bedrijf 22] and [bedrijf 24] , will develop the liquids-to-chemicals complex.”
- [website 5] , een bericht van 5 november 2024: “..." has entered into an agreement to license its leading-edge hydrogen peroxide technology to [eindgebruiker] ( [eindgebruiker] ) for the manufacturing of 300 kilotons of propylene oxide per year in its [stad] ( [provincie] , China) facility, with a planned launch in 2026.”
5. Tot de stukken van het geding behoren verder verklaringen van [bedrijf 7] LLC, [bedrijf 8] , [bedrijf 9] GmbH, [bedrijf 10] GmbH, [bedrijf 11] , [bedrijf 12] , [bedrijf 13] , [bedrijf 14] ., Ltd., [bedrijf 15] , LLC, en [bedrijf 16] , INC aan [eindgebruiker] . Deze verklaringen gaan telkens over specifieke leveringen en daarin wordt verklaard dat voor die leveringen geen uitvoervergunning vereist is, hetzij in algemene zin, hetzij onder verwijzing naar nationale regelgeving.
6. De concernstructuur waar [eindgebruiker] deel van uitmaakt, is voor zover hier van belang als volgt.
[bedrijf 17] , Ltd. ( [bedrijf 17] ) houdt 70,24% van de aandelen in [bedrijf 22] , die vervolgens 51% van de aandelen in [bedrijf 5] , Ltd. houdt. [bedrijf 5] , Ltd. houdt 100% van de aandelen in [eindgebruiker] . Van de aandelen in [bedrijf 5] , Ltd, wordt 30% gehouden door [bedrijf 18] B.V. en 19% door [bedrijf 20] , Ltd.
7. Tot de stukken van het geding behoort een deel van een overeenkomst (hierna: JV overeenkomst) waarin (de hiervoor genoemde) [bedrijf 22] , [bedrijf 18] B.V., [bedrijf 24] Ltd., een joint venture aangaan in de vorm van [bedrijf 5] Ltd.. In dit deel van de overeenkomst is onder meer (in artikel 12.1) bepaald, dat [eindgebruiker] . zes van de negen bestuursleden van [bedrijf 5] voordraagt. Daar is ook opgenomen dat de voorzitter van het bestuur altijd door [eindgebruiker] . wordt voorgedragen. In de overeenkomst is ook opgenomen dat de bepalingen uit de overeenkomst gelden voor alle dochterondernemingen van de joint venture. Achter de overeenkomst zijn verklaringen opgenomen, onder meer van [bedrijf 5] , Ltd., waarin onder andere is vermeld:
“The Company will comply with all applicable:
a. Export control regulations which restrict the transfer, sale, or release of certain goods, products, software, technology and services; (…)”.In artikel 10.8 van de JV overeenkomst is vastgelegd dat geen van de partijen, naar Chinees recht, activiteiten zal ontplooien die in strijd komen met enige sanctie of op enige andere manier een beëindiging van de overeenkomst zullen veroorzaken (“Special AOC Termination Event”).
8. Bij besluit van 20 december 2024 heeft verweerder de vergunningaanvraag afgewezen. Op basis van openbare informatie constateert verweerder een risico op ongewenst eindgebruik van de chemische goederen. Uit die openbare informatie blijkt volgens verweerder een nauwe directe en indirecte zeggenschapsband tussen eindgebruiker en [bedrijf 17] , een Chinees staatsbedrijf. Vanwege proliferatiegevoelige projecten en zorgen omtrent defensieontwikkelingen in het chemisch domein was [bedrijf 17] volgens verweerder op diverse lijsten van bevriende autoriteiten geplaatst. Dit leidde bij verweerder tot extra zorgen over de mogelijke inzet van de uit te voeren afsluiters bij proliferatiegevoelige projecten. Vanwege de zeggenschapsband (en financiële verwevenheid) tussen [bedrijf 17] en de eindgebruiker zouden onvoldoende waarborgen bestaan dat de goederen uitsluitend civiel worden ingezet.
9. Per e-mail van 6 januari 2025 heeft de CDIU alsnog de openbare bronnen waarnaar in het besluit van 20 december 2024 werd verwezen aan eiseres verstrekt. Het betreft:- van de internetsite “ [website 6] ” een lijst van 670 ondernemingen, waarop [bedrijf 17] is opgenomen.
Geschil
15. In geschil is of verweerder de door eiseres aangevraagde vergunning terecht heeft geweigerd. Niet in geschil is dat de onderhavige afsluiters kwalificeren als kleppen in de zin van SG-post 2B350.g.1 en dat voor de uitvoer ervan een vergunning vereist is.
16. Eiseres is van mening dat verweerder de vergunning ten onrechte heeft geweigerd. Verweerder heeft de weigering van de vergunning en de beslissing op bezwaar onvoldoende gemotiveerd. De afsluiters zijn bestemd om te worden gebruikt in een evident civiel project. Ook is geen sprake van een zorgvuldige en concreet gemotiveerde besluitvorming en evenmin van een zorgvuldige, kenbare belangenafweging.
De afsluiters worden geleverd in het kader van een uitsluitend civiel energieproject (petrochemische raffinaderij). In de door eiseres overgelegde end-useverklaringen wordt uitdrukkelijk verklaard dat de afsluiters niet direct of indirect zullen worden gebruikt bij de vervaardiging van munitie of voor enig ander militair doel. De afsluiters zullen door de eindgebruiker uitsluitend voor civiele doeleinden worden gebruikt, namelijk in de zuurstofleiding bij de productie van waterstof.
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de beslissing op bezwaar van 24 maart 2025 en het onderliggende negatieve besluit op de aanvraag voor de vergunning van 20 december 2024. Eiseres verzoekt te bepalen dat verweerder de uitvoervergunning wel had moeten verlenen en verweerder te gelasten de vergunning alsnog met spoed te verlenen, met veroordeling van verweerder in de proceskosten in bezwaar en beroep. Tevens verzoekt eiseres te bepalen dat verweerder de schade, die zij heeft geleden, althans nog zal lijden, door de negatieve beslissing op de vergunningaanvraag, dient te vergoeden.
17. Verweerder is van mening dat hij de vergunning terecht heeft geweigerd, gelet op het risico van ongewenst eindgebruik van de afsluiters, dan wel van de chemische goederen die met behulp van de afsluiters worden vervaardigd.
Naar de mening van verweerder is er geen garantie op civiel eindgebruik gezien de aanwezigheid van [bedrijf 17] in het concern dat een Chinees staatsbedrijf is dat betrokken is bij diverse militaire en gevoelige projecten op het gebied van massavernietigingswapens. Nu er een niet-verwaarloosbaar risico bestaat, weegt het bedrijfsbelang van eiseres minder zwaar dan het veiligheidsbelang. Verweerder is niet overtuigd van het zuiver civiele karakter van het project. Hij baseert zich op de door eiseres aangeleverde informatie en op openbare bronnen.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Voor schadevergoeding ziet verweerder geen aanleiding.
Juridisch kader
18. Artikel 2 van de Dual-use Verordening luidt, voor zover hier van belang:
“In deze verordening wordt verstaan onder:1) “producten voor tweeërlei gebruik” (dual-use items): producten, met inbegrip van programmatuur en technologie, die zowel een civiele als een militaire bestemming kunnen hebben, met inbegrip van producten die kunnen worden gebruikt voor het ontwerp, de ontwikkeling, de productie of het gebruik van nucleaire, chemische of biologische wapens of hun overbrengingsmiddelen, met inbegrip van alle producten die voor niet-explosieve doeleinden kunnen worden gebruikt en op enige manier bijdragen aan de vervaardiging van nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen;(…)12) “individuele uitvoervergunning”: vergunning die aan één specifieke exporteur voor één eindgebruiker of ontvanger in een derde land wordt verleend en betrekking heeft op één of meer producten voor tweeërlei gebruik;
(…)”
19. Artikel 3 van de Dual-use Verordening luidt:
“1. Voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik die voorkomen op de lijst in bijlage 1 is een vergunning vereist.
2. Op grond van artikel 4, 5, 9 of 10 kan ook een vergunning worden geëist voor de uitvoer naar alle of bepaalde bestemmingen van bepaalde producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst van bijlage 1 voorkomen.”.
20. Artikel 15, eerste lid, van de Dual-use Verordening luidt:
“1. Bij hun besluit om al dan niet een vergunning te verlenen of een doorvoer te verbieden uit hoofde van deze verordening, houden de lidstaten rekening met alle ter zake dienende overwegingen, waaronder:a) de internationale verplichtingen en verbintenissen van de Unie en de lidstaten, en met name de verplichtingen en verbintenissen waarmee ieder van hen heeft ingestemd als partij bij de internationale regimes inzake non-proliferatie en uitvoercontrole of door de bekrachtiging van de desbetreffende internationale verdragen;b) hun verplichtingen uit hoofde van sancties uit hoofde van een door de Raad vastgesteld besluit of gemeenschappelijk standpunt of uit hoofde van een besluit van de OVSE, dan wel krachtens een bindende resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;c) overwegingen van nationaal buitenlands en veiligheidsbeleid, met inbegrip van overwegingen uit hoofde van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB;d) overwegingen omtrent het voorgenomen eindgebruik en het onttrekkingsgevaar.
21. Bijlage 1 van de Dual-use Verordening luidt, voor zover van belang, als volgt:
“In artikel 3 van deze verordening bedoelde lijst van producten voor tweeërlei gebruik
(…)
2B350 Chemische productie-installaties, productieapparatuur en onderdelen daarvan, als hieronder:(…)g. kleppen en onderdelen, als hieronder: 1. kleppen, met beide volgende eigenschappen: a. een ‘nominale afmeting’ groter dan DN 10 of NPS 3/8, en b. alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden geproduceerd, verwerkt of ingesloten, zijn gemaakt van ‘corrosiebestendig materiaal’;(…)Technische noten: Voor de toepassing van 2B350.g. wordt onder ‘corrosiebestendige materialen één van de volgende materialen verstaan:(…)b. legeringen met meer dan 25 gewichtsprocent nikkel en meer dan 20 gewichtsprocent chroom; (…)”
Overwegingen
22. De rechtbank moet de beslissing van verweerder om de vergunning te weigeren op overwegingen omtrent het voorgenomen eindgebruik en het onttrekkingsgevaar marginaal toetsen. Bij de beslissing een vergunning wel of niet te verlenen komt verweerder beoordelingsvrijheid toe, omdat hij een inschatting moet maken van de risico’s die zijn verbonden aan de toekomstige uitvoer van de goederen. De rechtbank toetst of verweerder zijn besluit de vergunning te weigeren voldoende heeft gemotiveerd en of hij in redelijkheid tot zijn beslissing kon komen.
23. Aan zijn besluit de vergunning niet te verlenen heeft verweerder zijn twijfel over de betrouwbaarheid van [bedrijf 17] in combinatie met de verwevenheid van de eindgebruiker met [bedrijf 17] ten grondslag gelegd.
Verweerder heeft zich voor zijn besluit niet gebaseerd op een onttrekkingsgevaar, dat wil zeggen het risico dat de afsluiters niet de opgegeven en voorgenomen eindbestemming zullen bereiken. Verweerder ziet risico dat de chemische goederen die met behulp van de afsluiters in het opgegeven project zullen worden vervaardigd, gebruikt worden voor ongeoorloofd eindgebruik. Ook ziet hij risico dat het project niet voor het door eiseres gestelde civiele gebruik zal worden aangewend. Verweerder kan het risico niet concretiseren, omdat het project nog in aanbouw is.
24. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst verweerder op de hiervoor onder 9 tot en met 11 opgenomen bronnen en het onder 12 genoemde document van verweerder. De rechtbank is van oordeel dat deze bronnen de beslissing van verweerder niet kunnen dragen en overweegt daartoe het volgende:
- verweerder heeft van de Japanse lijst (opgenomen onder 9 hiervoor) desgevraagd niet kunnen concretiseren wat de betekenis van deze lijst is, door wie hij is opgesteld en waar hij vandaan komt;
- ook de betekenis van de Amerikaanse lijst (opgenomen onder 9 hiervoor) heeft verweerder desgevraagd niet kunnen concretiseren. Weliswaar heeft verweerder ter zitting toegelicht dat de verwijdering van [bedrijf 17] van deze lijst betekent dat [bedrijf 17] is overgeplaatst naar een andere lijst, de NSCMIC-lijst, oftewel de National Security Chinese Military Company-list, maar verweerder heeft deze lijst niet ingebracht en ook niet toegelicht wat de betekenis van deze overplaatsing en/of het verschil tussen deze twee lijsten is;
- het door verweerder gebruikte begrip “blacklist” (zie onder 12 hiervoor) heeft hij toegelicht in die zin dat de lijsten weliswaar juridisch geen betekenis hebben en in beginsel ook niet van belang zijn voor Nederlandse bedrijven, maar wel de zorgen tonen die bij bevriende landen bestaan, zodat verweerder de export onwenselijk acht. Daaruit blijkt niet dat door enig land of instantie absoluut verboden is goederen te leveren aan [bedrijf 17] of aan haar dochterondernemingen;
- van het artikel van de site van unitracker (opgenomen onder 11 hiervoor) is onduidelijk wie dit heeft samengesteld en wat de betekenis ervan is, bovendien is het artikel afkomstig uit 2019. Over dit artikel heeft verweerder slechts aangevoerd dat het de andere bronnen ondersteunt.
25. Het enkele feit dat [bedrijf 17] een meerderheidsbelang heeft in [eindgebruiker] en zeggenschap heeft in [bedrijf 5] , Ltd., is – ook in samenhang met de hiervoor opgenomen bronnen van verweerder – onvoldoende om de weigering van de vergunning voldoende gemotiveerd te achten. [bedrijf 17] is actief op zowel militair gebied als diverse andere gebieden (zie onder 10 hiervoor) waaronder de olie- en gasindustrie. Zonder nadere informatie, die ontbreekt, kan van het onderhavige project, dat wordt uitgevoerd in samenwerking met buitenlandse – waaronder Europese – bedrijven, niet worden gesteld dat er een in aanmerking te nemen risico bestaat dat het de militaire activiteiten van [bedrijf 17] dient.
26. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat in het hiervoor onder 12 genoemde document wel wordt verwezen naar een externe openbare bron, maar verweerder heeft bevestigd dat de bron zelf niet in de stukken is opgenomen. Hij heeft aangeboden om deze bron alsnog in te brengen. De rechtbank acht dit niet noodzakelijk voor de beoordeling van het geschil, omdat in het document wordt beschreven welke informatie uit die bron verweerder van belang acht voor de onderhavige zaak. De rechtbank gaat er vanuit dat deze beschrijving correct is. Het daar genoemde vestigingsadres dient slechts ter ondersteuning van de verbondenheid tussen de eindgebruiker en [bedrijf 17] en de rechtbank acht die enkele verbondenheid onvoldoende voor een in aanmerking te nemen risico dat het project de militaire activiteiten van [bedrijf 17] zal gaan dienen.
27. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat verder alle bronnen die zijn gebruikt in het onderzoek naar de aanvraag van de vergunning bij de stukken van het geding zijn opgenomen.
28. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het besluit dan ook onvoldoende gemotiveerd. De stukken waarop hij zich beroept bieden zowel op zich als in onderlinge samenhang onvoldoende steun voor het besluit de vergunning te weigeren. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking hetgeen eiseres heeft overgelegd. De rechtbank hecht waarde aan de end-userverklaringen van [eindgebruiker] (opgenomen onder 3 hiervoor). Verweerder heeft met de door hem ingebrachte stukken geen onderbouwing gegeven voor het buiten beschouwing laten van deze end-userverklaringen.
Ook acht de rechtbank van belang dat diverse bedrijven publiceren over hun medewerking aan de bouw van het project (zoals opgenomen onder 4 hiervoor) en dat deze medewerking en publiciteit daarover kennelijk geen aanleiding is geweest voor enig land of enige organisatie om maatregelen te treffen ten aanzien van dit project.
29. Met alle stukken, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, heeft verweerder niet voldoende gemotiveerd dat een meer dan theoretisch risico bestaat op eindgebruik in de zin van artikel 15, onder d van de Dual-use Verordening. Dat betekent dat de weigering van de vergunning onvoldoende is gemotiveerd. Hieruit volgt dat de vergunning niet geweigerd had mogen worden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak terug te wijzen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. In het kader van de finale geschilbeslechting en ten behoeve van het nog steeds bestaande belang van eiseres bij een snelle definitieve beslissing zal de rechtbank verweerder opdragen de vergunning te verlenen.
Proceskosten
30. De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.108. Dit betreft 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor van 1 voor het gewicht van de zaak.
Schadevergoeding
31. Eiseres heeft verzocht verweerder op grond van artikel 8:88 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade. Met hetgeen eiseres heeft overgelegd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat en in hoeverre er schade is of zal worden geleden. Overigens heeft eiseres de kosten die haar gemachtigde aan haar in rekening heeft gebracht, als schade aangemerkt. Dit zijn echter kosten die alleen onder het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen worden vergoed. De rechtbank zal haar verzoek om schadevergoeding dan ook afwijzen.
Conclusie
32. Gelet op het voorgaande heeft verweerder ten onrechte het verzoek om een vergunning afgewezen. Het beroep dient gegrond te worden verklaard, verweerder dient de vergunning alsnog te verlenen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar;
- vernietigt het besluit op de vergunningaanvraag;
- draagt verweerder op om binnen een week na verzending van deze uitspraak de gevraagde vergunning te verlenen;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van € 3.108;
- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 385 aan haar te vergoeden;
- wijst het verzoek om schadevergoeding van eiseres af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.C. Schipper, voorzitter, en mr. G.J. Ebbeling en mr. S.J. Richters, leden, in aanwezigheid van mr. W.G. van Gastelen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2025.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage I bij Verordening (EU) nr. 2021/821van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot instelling van een Unieregeling voor controle op de uitvoer, de tussenhandel, de technische bijstand, de doorvoer en de overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik (ook wel: Dual-use Verordening).
Bureau of Industry, Security, Import and Export Control, Ministry of Commerce, People’s Republic of China.
Vergelijk rechtbank Noord-Holland 23 april 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:4034, r.o. 25.4.