Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-10
ECLI:NL:RBNHO:2025:5384
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,639 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/358757 / JU RK 24-1660
Datum uitspraak: 10 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming
hierna te noemen de Raad,
gevestigd te Haarlem.
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. T.J.E. op de Weegh te Heiloo,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. L.S. Zomers te Alkmaar.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers,
hierna te noemen de GI,
gevestigd te Amsterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 8 november 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
de vader met zijn advocaat;
de moeder met haar advocaat;
namens de Raad, [vertegenwoordiger van de raad] ;
namens de GI, [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
[de minderjarige] is gedurende het huwelijk van de vader en de moeder geboren. De ouders zijn daarom belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . Het huwelijk van de ouders is inmiddels door echtscheiding ontbonden.
2.2.
[de minderjarige] woont bij de moeder.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft dit verzoek als volgt onderbouwd. [de minderjarige] ervaart aandachts- en concentratieproblemen. Hieraan kan niet gewerkt worden zolang de gezinssituatie hetzelfde blijft. Ondanks een hooggemiddelde intelligentiescore (maar disharmonisch profiel) is [de minderjarige] afgezakt naar het vmbo (beroepsgerichte leerweg). Daarbij wil [de minderjarige] in elk geval voorlopig geen contact met zijn vader. Hij heeft gekozen voor zijn moeder. Tussen de ouders is sprake van langdurige en ernstige samenwerkings- en communicatieproblematiek. [de minderjarige] wordt hiermee belast en groeit op in een invloedsfeer die negatief is over de vader. [de minderjarige] staat nu niet open voor hulp en de moeder sluit zich bij zijn visie aan. De visie van [de minderjarige] wordt echter beïnvloed door de mensen om hem heen. Op de korte termijn lijkt het goed te gaan met [de minderjarige] , maar het is de vraag wat het beeld dat [de minderjarige] nu van de vader heeft gevormd voor de langere termijn betekent, als [de minderjarige] daarbij nu geen ondersteuning krijgt. Een termijn van een jaar is nodig, vanwege de langdurige problematiek en het verstoorde contact tussen [de minderjarige] en zijn vader en om aan de volgende doelen te werken:
- [de minderjarige] groeit op in een veilige en stabiele opvoedsituatie waarbinnen hij de emotionele ruimte voelt om contact te mogen hebben met de vader;
- [de minderjarige] voelt dat de moeder hem in emotionele zin ruimte geeft om de vader een positieve plek te laten hebben in zijn leven;
- [de minderjarige] voelt zich gehoord door de vader voor wat betreft de emotionele last die [de minderjarige] met zich meedraagt vanuit zijn eerdere negatieve ervaringen met de vader. De vader kan emotioneel bij [de minderjarige] aansluiten. Hiervoor heeft de vader hulp nodig;
- De ouders hebben een constructieve samenwerking en communicatie over [de minderjarige] die in zijn belang is.
4De standpunten
4.1.
Door en namens de moeder is bepleit om het verzoek af te wijzen. De ingezette hulpverlening is geëindigd, omdat dit telkens tot doel had het tot stand brengen van omgang, waarbij het verleden niet zo relevant bleek. Omdat er al zoveel is ingezet en omdat [de minderjarige] aangeeft rust te willen om zich te kunnen focussen op school, is het de vraag of een ondertoezichtstelling niet averechts zou werken. De moeder heeft wel degelijk geprobeerd om het contact te herstellen. [de minderjarige] is goed in staat om aan te geven wat hij zelf wil en hoe hij zich voelt. Hulpverlening kan [de minderjarige] niet dwingen tot contact met zijn vader.
4.2.
Door en namens de vader is ingestemd met toewijzing van het verzoek. De voorkeur van de vader ging twee jaar geleden al uit naar een ondertoezichtstelling, maar destijds is gekozen voor een uniform hulpaanbod. De focus wordt erg gelegd op het belasten van [de minderjarige] met een ondertoezichtstelling, maar de focus moet ook liggen op wat deze ouders nodig hebben. De ontwikkelingsbedreiging bestaat namelijk niet alleen uit het ontbreken van contact tussen [de minderjarige] en de vader, maar ook uit de spanningen, onveiligheid en instabiliteit in de thuissituatie en de belasting van [de minderjarige] met volwassenproblematiek. Het is bovendien lastig om de eerste stap tot contactherstel bij [de minderjarige] neer te leggen als hij ervan overtuigd is dat hij door de vader is mishandeld. De vader ziet in dat hij begeleiding nodig heeft zodra er contact zou ontstaan met [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft nu geen mogelijkheid om contact te hebben met familie van de vader. De vader gelooft daarom niet dat er nu sprake is van een rustige situatie voor [de minderjarige] .
4.3.
De GI heeft naar voren gebracht dat een ondertoezichtstelling nodig is en kan zorgen voor hulpverlening op maat. De GI heeft zicht op wat hulpverlening kan bieden en welke vormen van hulpverlening de minste belasting voor [de minderjarige] opleveren.
5De mening van [de minderjarige]
5.1.
heeft tijdens zijn gesprek met de kinderrechter gezegd dat hij geen ondertoezichtstelling wil. [de minderjarige] wil alleen maar rust om zich te kunnen focussen op zijn school en stage. Het is niet zo dat [de minderjarige] de vader nooit meer hoeft te zien, maar hij wil hem pas zien als hij daar klaar voor is. Wanneer dat zal zijn, weet [de minderjarige] niet. Hij is in elk geval in staat om dit zelf aan te geven en ook om hulp te vragen als hij dat nodig heeft. [de minderjarige] vraagt zijn vader te stoppen met het zoeken van contact en geeft aan dat hij zo voor onrust zorgt.
Beoordeling
Bevoegdheid
6.1.
Door de omstandigheid dat de moeder de [nationaliteit] nationaliteit heeft, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] zich in Nederland bevindt, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 5 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 rechtsmacht toe ter zake van het verzoek.
Toepasselijk recht
5.2.
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht op het verzoek van toepassing is. Op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht op het verzoek van toepassing.
Ondertoezichtstelling
6.2.
Op basis van de stukken, het gesprek met [de minderjarige] en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [de minderjarige] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Hij is namelijk het grootste gedeelte van zijn leven blootgesteld aan een zorgelijke thuissituatie en daarvan is nog altijd sprake. Omdat de verhalen van de ouders haaks op elkaar staan, is het onduidelijk wat er precies heeft plaatsgevonden. Duidelijk is wel dat [de minderjarige] getuige is geweest van ruzies tussen zijn ouders en dat hij tot op de dag vandaag lijdt onder de spanningen die hij destijds heeft ervaren. Het is een grote zorg dat beide ouders een totaal ander beeld lijken te hebben van wat er in het verleden heeft plaatsgevonden, maar ook dat de ouders hun onderlinge strijd aanhoudend blijven voeren. Dit maakt dat de ouders na al die jaren nog altijd niet in staat zijn om constructief met elkaar te communiceren in het belang van [de minderjarige] en [de minderjarige] heeft daar last van.
6.3.
Hulpverlening in een vrijwillig kader heeft helaas niet geleid tot verbetering. De ouders lijken het verleden niet helemaal te kunnen loslaten en lijken onvoldoende te beseffen dat dit tot een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [de minderjarige] leidt. Tussen de ouders is nog altijd sprake van een gespannen verhouding. De ouders communiceren niet met elkaar, vertrouwen elkaar niet en wijzen naar elkaar. De kinderrechter stelt daarom vast dat [de minderjarige] in een loyaliteitsconflict zit. De ouders zijn niet in staat om hun onderlinge patroon zelfstandig te doorbreken. Dit maakt dat [de minderjarige] geen onbelast contact kan hebben met de andere ouder. Vrijwillige hulpverleningstrajecten zijn allemaal of voortijdig beëindigd of niet eens opgestart. De reden daarvan is onduidelijk, terwijl de zorgen groot zijn. De kinderrechter heeft er daarom onvoldoende vertrouwen in dat een vrijwillig kader de zorgen over [de minderjarige] kan wegnemen. Dit maakt het noodzakelijk dat de GI regie gaat voeren.
6.4.
De doelen van de ondertoezichtstelling luiden als volgt:
- het creëren van een veilige opvoedsituatie waarin [de minderjarige] de emotionele ruimte voelt om contact te mogen hebben met de vader. De kinderrechter wil hierbij vooropstellen dat daarmee niet gezegd is dat er direct omgang moet plaatsvinden. De GI moet beoordelen of contact daadwerkelijk mogelijk is, op welke manier contactherstel zal plaatsvinden als blijkt dat dat mogelijk is en verder dient de GI duidelijke afspraken op te stellen. De kinderrechter geeft de vader mee om niet onaangekondigd contact met [de minderjarige] op te zoeken, omdat dat in elk geval niet helpt;
- het meewerken aan of in elk geval opstarten van hulpverlening voor zowel de ouders als voor [de minderjarige] . De GI moet beoordelen of er mogelijkheden zijn om de verstandhouding tussen de ouders te verbeteren. De ouders dienen zich daarvoor allebei in te zetten. Zij zijn namelijk allebei de ouder van een minderjarige van 15 jaar oud en als er niets verandert, wordt de situatie alleen maar erger. Het is aan de GI om te beoordelen welke vorm van hulpverlening bij de ouders past. Daarnaast heeft de moeder individuele hulpverlening nodig. Ter zitting heeft de moeder aangegeven dat zij zich niet gehoord voelt. Dat lijkt verband te houden met de (ex-)partnerrelatie met de vader, maar het is hoe dan ook belangrijk dat de moeder toekomt aan verwerking van wat er is gebeurd en dat zij leert om te gaan met het feit dat [de minderjarige] een vader heeft;
- het creëren van duidelijkheid over de omgang tussen [de minderjarige] en de vader, ook als dat bijvoorbeeld slechts zou inhouden dat de vader elke drie maanden een kaartje mag versturen naar [de minderjarige] . De vader dient hierbij te luisteren naar de aanwijzingen van de GI.
6.5.
De kinderrechter stelt [de minderjarige] daarom onder toezicht voor de duur van een jaar.
6.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
stelt [de minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers met ingang van 10 januari 2025 tot 10 januari 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2025 door mr. A.R.A.R. Sitaldin, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. D.A.C. Sinnige als griffier, en op schrift gesteld op 24 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.