Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-07
ECLI:NL:RBNHO:2025:5372
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,196 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/359525 / JU RK 24-1786
Datum uitspraak: 7 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers,
gevestigd te Alkmaar,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de moeder,
[de pleegouders]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de pleegouders.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader]
,
hierna te noemen de vader.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 december 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de pleegouders;
- de moeder;
- [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI.
1.3.
De vader is hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen niet ter zitting verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.
Feiten
2.1.
[de minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
Bij beschikking van 17 oktober 2023 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld.
De ondertoezichtstelling is daarna verlengd en duurt thans nog voort tot 16 januari 2025.
2.4.
Bij beschikking van 17 oktober 2023 is voor [de minderjarige] ook een spoedmachtiging tot
uithuisplaatsing verleend. Sinds begin november 2023 woont [de minderjarige] bij haar grootmoeder (mz).
2.5.
Bij beschikking van 16 januari 2024 is voor [de minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf bij de grootmoeder (mz) verleend. Deze is bij beschikking van 13 februari verlengd tot 16 juli 2024.
2.6.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 augustus 2024 een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de grootmoeder (mz) tot 16 januari 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de grootmoeder (mz) te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarheid bij voorraad.
3.2.
De GI heeft het verzoek als volgt onderbouwd. [de minderjarige] is onder toezicht gesteld omdat er ernstige zorgen waren over de opvoedsituatie bij de moeder, die werd gekenmerkt door onveiligheid, instabiliteit, spanningen en huiselijk geweld. Daarnaast was sprake van alcohol- en drugsgebruik door de moeder, van verwaarlozing en van escalaties tussen de ouders. Daar kwam bij dat [de minderjarige] destijds veel van school verzuimde. Na haar uithuisplaatsing verbleef [de minderjarige] eerst bij haar vader, maar vanwege omstandigheden kon hij de zorg niet voortzetten, waarna [de minderjarige] bij haar oma (mz) werd geplaatst. Het verblijf bij de oma kende het afgelopen jaar zowel hoogte- als dieptepunten. De oma merkt dat [de minderjarige] niet altijd makkelijk is, maar wel naar haar luistert wanneer dat nodig is. [de minderjarige] laat na een jaar van relatieve stabiliteit steeds meer kindsignalen zien; [de minderjarige] toont vaker haar emoties, wat positief is, maar ervaart ook herbelevingen uit het verleden. Daarnaast maakt [de minderjarige] zich continu zorgen over haar moeder. [de minderjarige] heeft omgang met haar moeder, waarmee ze een liefdevolle band lijkt te hebben. De moeder onderneemt activiteiten met haar, zoals naar buiten gaan of [de minderjarige] naar dansles brengen, wat [de minderjarige] zichtbaar plezier geeft. Op school heeft [de minderjarige] het moeilijk door pesten en wordt haar gedrag als lastig ervaren. Er zijn gesprekken met school over oplossingen en [de minderjarige] is aangemeld voor het programma Coole Kikker.
Met de moeder gaat het wisselend. Haar opname bij Brijder werd begin dit jaar afgewezen, waardoor ze nog niet aan haar problemen kon werken. De moeder kampt verder met gezondheidsproblemen en is recent meerdere keren opgenomen. Het contact met jeugdzorgwerkers en de ambulante gezinscoach verloopt goed; er is wekelijks overleg en de moeder toont meer vertrouwen in hen en in genomen besluiten. Ze nam deel aan MDA++-overleggen om te bepalen welke hulp passend is. De moeder heeft meermaals aangegeven aan zichzelf en haar trauma’s te willen werken en heeft een kennismakingsgesprek gepland bij GGZ-verslavingszorg. Het contact tussen de moeder en haar kinderen is verbeterd. Waar ze eerder afspraken niet nakwam, biedt ze de laatste maanden meer voorspelbaarheid.
Voor [de minderjarige] is het belangrijk dat er passende hulpverlening wordt ingezet en dat de omgang met de moeder zorgvuldig wordt begeleid en mogelijk verder opgebouwd. Hoewel er vooruitgang is geboekt in de ontwikkeling van de kinderen en het contact met moeder, blijven zorgen bestaan over haar stabiliteit, haar netwerk en de continuïteit van haar hulpverlening. Verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing is noodzakelijk om duurzame verbetering te waarborgen.
3.3.
Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de GI aangegeven dat de doelen die in het verzoek staan nog steeds de doelen zijn waar aan gewerkt moet worden. Er wordt momenteel gewerkt aan de opbouw in het contact tussen [de minderjarige] en haar moeder en de GI gaat onderzoeken hoe dit verder vormgegeven kan worden. Het herstel in het contact tussen de vader en [de minderjarige] is geen doel meer, mede doordat [de minderjarige] heeft aangegeven dit niet te willen. De vertegenwoordiger van de GI heeft aangegeven terug te zullen koppelen aan de gezinsvoogd wat de moeder en de pleegouders op de zitting naar voren hebben gebracht, in het bijzonder over het gebrek aan structurele omgang tussen [de minderjarige] en haar broers.
4De standpunten
mening van [de minderjarige]
4.1.
heeft aangegeven dat het goed met haar gaat en dat ze het fijn heeft bij haar oma en haar partner. Het allerliefste zou [de minderjarige] samen met haar broers bij haar moeder thuis zijn, maar ze begrijpt ook dat dit momenteel niet mogelijk is. [de minderjarige] heeft op school een vertrouwenspersoon, die ze aardig vindt en waarmee ze kan praten over hoe het met haar gaat en hoe het thuis bij haar oma gaat.
standpunt van de moeder
4.2.
Op de zitting heeft de moeder naar voren gebracht dat ze het eens is met de verzoeken van de GI. De moeder ziet dat [de minderjarige] een leven heeft opgebouwd bij de pleegouders, dat ze veel vriendinnen heeft in de buurt en het daar fijn heeft. De moeder heeft verder naar voren gebracht dat het beter met haar gaat, dat ze aan zichzelf werkt, dat ze hulpverlening krijgt van een gezinscoach en vanuit [hulpverleningsorganisatie] en dat ze een goede band heeft met de gezinsvoogd. Ook met de gezondheid van de moeder gaat het beter, na de behandeling van de tumor in haar keel. Daarnaast heeft ze naar voren gebracht dat ze graag een uitbreiding van de omgangsmomenten met [de minderjarige] zou willen, omdat zij het belangrijk vindt om invulling te kunnen geven aan haar rol als moeder. Tijdens de jaarwisseling kreeg zij van de gezinsvoogd toestemming om bij de grootmoeder te overnachten, zodat zij samen met [de minderjarige] oud en nieuw kon vieren. Hoewel de moeder blij was met deze gelegenheid, vond zij het verwarrend dat er nu plotseling wel onbegeleide omgang mogelijk was. Ze heeft er voor gekozen om niet te blijven slapen. Tot slot heeft de moeder haar zorgen uitgesproken over het gebrek aan contact tussen [de minderjarige] en haar broers. [de minderjarige] en haar broers missen elkaar erg en zouden elkaar meer moeten kunnen zien.
standpunt van de pleegouders
4.3.
De pleegouders hebben naar voren gebracht dat het goed gaat met [de minderjarige] . [de minderjarige] is een vrolijk meisje. In het verleden werd [de minderjarige] op school gepest, mede omdat de school aan de klas had verteld dat zij uit huis geplaatst was. Inmiddels is de situatie verbeterd en wordt [de minderjarige] minder vaak gepest. De pleegouders zijn, met de moeder van mening dat [de minderjarige] haar moeder vaker zou moeten kunnen zien. Zij merken dat [de minderjarige] veel van haar moeder houdt en dat dit contact belangrijk voor haar is. Ook zijn zij het met de moeder eens dat [de minderjarige] haar broers meer zou moeten zien. Tot nu toe hebben de pleegouders geen opvoedondersteuning ontvangen. Wel heeft er onlangs een intakegesprek plaatsgevonden om de hulpverlening op te starten en zij staan hier positief tegenover.
Beoordeling
Ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling
5.1.
Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
5.2.
Er is nog steeds sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] . Een concrete bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] is het ontbreken van hulpverlening om de gebeurtenissen uit haar verleden te verwerken. Na een onveilige opvoedsituatie bij haar moeder verblijft [de minderjarige] inmiddels al enige tijd bij haar oma, waar zij rust heeft gevonden. Tegelijkertijd vertoont zij nu ook kindsignalen, wat vaak positief is, maar in sommige gevallen ook kan wijzen op een herbeleving van gebeurtenissen uit het verleden. Het is in ieder geval duidelijk dat de ervaringen uit het verleden invloed hebben op [de minderjarige] , terwijl zij momenteel geen hulp krijgt om deze te verwerken. Op school vertoont [de minderjarige] soms lastig gedrag, wat mogelijk te maken heeft met haar verleden. Daarnaast is het zorgelijk dat zij, hoewel het pestgedrag verminderd is, nog steeds gepest wordt. Positief is dat [de minderjarige] op school een vertrouwenspersoon heeft en binnenkort start met het programma Coole Kikker. Het is de kinderrechter duidelijk geworden dat Coole Kikker ter overbrugging wordt ingezet, totdat verdere noodzakelijke hulpverlening voor [de minderjarige] van start kan gaan.
De kinderrechter acht het van belang dat de hulpverlening voor [de minderjarige] zo spoedig mogelijk start en dat dit proces wordt gemonitord door de GI.
Daarnaast is het belangrijk dat de GI de komende periode onderzoekt hoe het contact tussen [de minderjarige] en haar moeder, en tussen [de minderjarige] en haar broers vormgegeven kan worden. De kinderrechter vertrouwt erop dat de GI hier mee aan de slag gaat, nu dit ook tijdens de zitting door de GI is toegezegd. Het is de kinderrechter gebleken dat het contact tussen [de minderjarige] en haar vader geen doel meer is. Het belangrijkste is dat [de minderjarige] op dit moment rust krijgt. Verder is de kinderrechter van oordeel dat de opvoedondersteuning voor de pleegouders snel moet worden opgestart en gecontinueerd.
De doelen waar in de komende periode van de ondertoezichtstelling aan gewerkt moet worden zijn:
het opstarten van hulpverlening voor [de minderjarige] om de gebeurtenissen in haar verleden te verwerken;
het vormgeven aan een onbelast, stabiel en structureel contact van [de minderjarige] met de moeder en met de broers van [de minderjarige] ;
een onbelaste schoolgang van [de minderjarige] ;
het opstarten en continueren van opvoedondersteuning voor de pleegouders.
5.3.
Gelet op de overgelegde stukken en de behandeling op de zitting verlengt de kinderrechter daarom de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar. (artikel 1:260, eerste lid, BW).
Ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
5.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding ( artikel 1:265c, tweede lid, BW). De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
5.5.
Het is de kinderrechter gebleken dat [de minderjarige] het goed heeft bij de pleegouders en bij hen rust vindt. Daarnaast kan de moeder [de minderjarige] nog geen voldoende veilige opvoedsituatie bieden. De kinderrechter vindt het positief dat de moeder ook inziet dat het in het belang van [de minderjarige] is dat ze bij de oma blijft wonen. De kinderrechter begrijpt daarnaast ook de wens van de moeder om meer invulling te willen geven aan haar rol als moeder en vindt het noodzakelijk dat de GI gaat onderzoeken hoe dit vormgegeven kan worden. De kinderrechter is van oordeel dat [de minderjarige] op dit moment niet thuis kan wonen en het nodig is dat de machtiging uithuisplaatsing verlengd wordt voor de periode van de ondertoezichtstelling, zodat [de minderjarige] in de rust die ze nu ervaart kan starten met de benodigde hulpverlening en het verwerken van de gebeurtenissen uit haar verleden.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , tot 16 januari 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige], geboren op
[geboortedatum] in [geboorteplaats] , bij de grootmoeder (mz) tot 16 januari 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.G. van Roest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2025, in aanwezigheid van M. van Koningsbruggen als griffier, en op schrift gesteld op 20 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.