Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-31
ECLI:NL:RBNHO:2025:4925
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
3,182 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/8227
uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 januari 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. J. Sprakel),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder
(gemachtigden: mr. B.E. Robbe, mr. M.J. Ferwerda).
Inleiding
1.1.
Met het besluit van 13 december 2024 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een (tijdelijke) maatwerkvoorziening opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) afgewezen.
1.2.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door een tolk, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van verweerder, vergezeld door [naam] .
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Verzoekster is met haar dochter (geboren op [geboortedatum] ) in 2024 vanuit Marokko naar Nederland gekomen. Verzoekster is weduwe, haar echtgenoot had de Nederlandse nationaliteit. Hij is in 2021 overleden. Verzoekster ontvangt een nabestaandenpensioen (Anw). De dochter heeft de Nederlandse nationaliteit. In Marokko woonde verzoekster samen met haar moeder, broer en zus in de huurwoning van haar moeder. In korte tijd zijn deze familieleden overleden. Verzoekster weet niet meer wanneer precies, ze denkt in juli 2022 of 2023. Na aankomst in Nederland heeft verzoekster met haar dochter bij haar broer en zijn echtgenote (in Haarlem) verbleven. Daarna hebben verzoekster en haar dochter in het netwerk van de broer kunnen verblijven. Nadat dit netwerk was uitgeput, heeft verzoekster heeft zich op 8 oktober 2024 bij verweerder gemeld voor (tijdelijke) opvang. Verweerder heeft verzoekster vanaf 8 oktober 2024 opgevangen in een hotel, ook na 2 januari 2025, en inmiddels in de maatschappelijke opvang.
2.2.
Verweerder heeft ter zitting toegezegd de opvang te continueren tot en met de datum van deze uitspraak van de voorzieningenrechter.
Standpunten partijen
3.1.
Verzoekster voert aan dat verweerder vergeet deugdelijk onderzoek te doen naar de zelfredzaamheid. Daarvoor wijst verzoekster erop dat de conclusies die worden getrokken in het besluit uit geen van de stukken in geding blijken. Volgens verzoekster blijkt uit het onderzoek niet dat zij zelfredzaam is. In het verslag van de BCT staat dat verzoekster alleen een huisvestingsvraag zou hebben, maar dat blijkt niet uit het verslag. Nergens in het rapport van de BCT staat dat verzoekster zelfredzaam is. Wel dat zij kwetsbaar is, familieleden heeft verloren, geen netwerk heeft in Nederland en Marokko, ook in Marokko geen huisvesting heeft en dat zij grote stress ervaart en daar fysieke (en psychische) klachten van heeft. In het opgestelde plan wordt aangegeven dat verzoekster zich geen raad weet in Nederland, dat zij begeleiding en opvang nodig heeft en dat zij ook graag een dagbesteding wil hebben, waarbij hulp nodig is om die vorm te geven. Ook staat expliciet benoemd dat verzoekster dusdanig ontdaan is door wat haar in slechts enkele jaren is overkomen (overlijden familieleden, dakloosheid) dat zij daar psychische hulp voor nodig heeft (wat voorheen niet zo was). Verzoekster stelt dat over de zelfredzaamheid van de minderjarige dochter helemaal niets wordt gezegd en dat dus ook niet lijkt te zijn onderzocht. Verzoekster bestrijdt dat zij zonder plan naar Nederland is gekomen, zij kon namelijk terecht bij haar broer. Als al sprake is van een slechte voorbereiding omdat het verblijf bij haar broer anders uitpakte dan verwacht, dan kan dat volgens verzoekster niet aan haar worden tegengeworpen.
3.2.
Verzoekster beroept zich verder op het uitgangspunt dat mensen die niet zelfredzaam zijn moeten worden geholpen. Die hulp begint, aldus verzoekster, met opvang. Volgens verzoekster is de wet, de praktijk en ook de jurisprudentie in Nederland op dit punt in strijd met internationaal recht. Verzoekster wijst daarbij op uitspraken van het Europees Comité inzake Sociale Rechten, waarin is vastgesteld dat Nederland in strijd handelde met het Europees Sociaal Handvest. Volgens DCI t. Nederland (cc 47 47/2008) zijn kinderen per definitie kwetsbaar en moeten daarom worden opgevangen bij dakloosheid. Volgens FEANTSA t. Nederland (cc 86/2012) zijn ingangseisen voor dakloosheidsopvang (waaronder zelfredzaamheid) strijdig met het ESH. Volgens verzoekster is er maar één relevant criterium, namelijk of iemand dakloos is of niet.
4.1.
Verweerder voert aan dat slechts recht op opvang op grond van de Wmo 2015 bestaat als sprake is van dakloosheid als gevolg van het zich niet kunnen handhaven in de samenleving. Daarvan is volgens verweerder in het geval van verzoekster geen sprake. De dakloosheid is volgens verweerder niet het gevolg van problemen met het zich handhaven in de samenleving. Volgens verweerder moet verzoekster voldoende zelfredzaam worden geacht. Daarvoor wijst verweerder erop dat verzoekster maanden vóór haar vertrek naar Nederland heeft nagedacht over het vertrek en een visum geregeld en met haar broer afgesproken dat zij bij hem zou verblijven. Verweerder wijst erop dat verzoekster voorafgaand aan het vertrek geen (duurzame) woonplek of werk in Nederland heeft geregeld. Verweerder wijst erop dat verzoekster en haar dochter nog nooit in Nederland verbleven hebben, zodat het logisch is dat zij dan nog niet direct de weg goed weten te vinden. Dat betekent echter, volgens verweerder, niet dat zij zich daardoor niet kunnen handhaven in de Nederlandse maatschappij. Bovendien, zo voert verweerder aan, blijkt niet dat verzoekster zich in het land van herkomst niet kon handhaven. Ten aanzien van de belangen van het kind wijst verweerder erop dat ouders de primaire verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot het welzijn van hun kinderen. Niet gebleken is dat verzoekster ondersteuning nodig heeft bij de verzorging en opvoeding van de dochter.
4.2.
Verweerder wijst er verder op dat uit de jurisprudentie volgt dat er op grond van de Wmo 2015 geen verplichting op verweerder rust om onderdak te bieden aan daklozen die niet voldoen aan het in artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 opgenomen criterium.
Beoordeling
5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het in deze procedure gaat om de vraag of verweerder verzoekster moet opvangen op grond van de Wmo 2015. Verzoekster heeft namelijk verzocht om een (tijdelijke) maatwerkvoorziening. Het bestreden besluit berust in de kern op het standpunt dat verzoekster niet tot de doelgroep van de Wmo 2015 behoort, omdat zij in staat moet worden geacht zich te handhaven in de samenleving (zelfredzaam is). Hierdoor bestaat volgens verweerder geen aanspraak op opvang op grond van de Wmo 2015.
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
7. Voor een recht op opvang op grond van de Wmo 2015 is bepalend of verzoekster in staat is zich te handhaven in de samenleving. Dat volgt uit de definitie van het begrip ‘opvang’ in artikel 1.1.1, aanhef en eerste lid, en uit artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015. Beoordeeld moet worden of verzoekster door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak voor haar en haar dochter te voorzien. Met andere woorden: verzoekster kan pas aanspraak maken op maatschappelijke opvang als zij geen onderdak heeft, door problemen die zij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving. Dakloosheid is voor het antwoord op de vraag of opvang op grond van de Wmo 2015 moet worden verstrekt dan ook niet het enige relevante criterium. Dat deze uitleg in strijd is met internationaal recht kan de voorzieningenrechter niet volgen gelet op de inmiddels vaste rechtspraak van de CRvB op dit punt.
8. Vooralsnog acht de voorzieningenrechter het door verweerder verrichte onderzoek niet onzorgvuldig. Blijkens het verslag van de BCT heeft een gesprek met verzoekster plaatsgevonden, waarbij zij werd bijgestaan door een cliëntondersteuner. Daarnaast is informatie bij de broer van verzoekster ingewonnen, waarvan verzoekster weliswaar stelt dat de inhoud van de verkregen informatie van de broer onjuist is weergegeven en ook overigens niet tot een conclusie kan leiden. Desgevraagd heeft verzoekster ter zitting niet aangegeven dat relevante informatie is gemist.
9. Vast staat dat verzoekster inkomen heeft uit een weduwe-uitkering en kindgebonden budget en kinderbijslag ontvangt. Verder staat vast dat verzoekster rechtmatig verblijf heeft en dat geen sprake is van schulden of van een verslaving. Uit de stukken en de toelichting ter zitting komt naar voren dat verzoekster weliswaar worstelt met het verlies van dierbaren in een korte periode, maar dat zij om die reden niet in staat zou zijn zich te handhaven in de samenleving is niet naar voren gekomen. Uit het verslag van het gesprek bij de BCT blijkt dat niet en ook is daarvan op een later moment niet gebleken. Ook op de zitting is niet naar voren gekomen dat verzoekster in zodanige mate problemen ervaart dat zij niet in staat zou zijn onderdak voor haarzelf en haar dochter te regelen. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat het niet beheersen van de Nederlandse taal en de onbekendheid met de Nederlandse maatschappij het uiteraard lastiger maakt om de weg te vinden, maar dat betekent nog niet dat verzoekster niet geacht kan worden in staat te zijn zich te handhaven in de samenleving. Zo had zij onderdak geregeld bij haar broer, en heeft zij daarna verbleven bij anderen in het netwerk van haar broer. Zij was in staat een visum aan te vragen en de reis naar Nederland samen met haar dochter te organiseren. Dat verzoekster inmiddels zodanige (psychische) problemen zou hebben dat zij zich niet meer staande kan houden, heeft zij niet onderbouwd. Ook is niet gebleken dat verzoekster niet steeds voor haar dochter heeft kunnen zorgen. In het verslag van de BCT is daarover vermeld dat de dochter een zelfstandige indruk maakte en goed Engels spreekt en dat de dochter naar school ( [naam school] ) gaat in [plaats] . Bij de besluitvorming heeft verweerder de situatie van de dochter dus ook in beeld gehad. Dat verweerder zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de dochter is vooralsnog niet gebleken.
10. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter ertoe dat verweerder kan worden gevolgd in zijn conclusie dat verzoekster ‘alleen’ een huisvestingsprobleem heeft en daarom dus niet behoort tot de doelgroep van de Wmo 2015. Zoals hiervoor is overwogen bestaat alleen aanspraak op opvang op grond van de Wmo 2015 als het huisvestingsprobleem het gevolg is van het zich niet kunnen handhaven in de samenleving. Dat betekent dat de weigering om verzoekster nog langer opvang te verlenen naar verwachting in de bezwaarprocedure stand zal kunnen houden. Om die reden bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.
Conclusie
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Verzoekster krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:CRVB:2023:1931.
ECLI:NL:CRVB:2015:3803, ECLI:NL:CRVB:2019:3446.